Waarom doet u dit, meneer Wells?

Toen ze het slapende Londen binnenreden, vervlogen zijn gedachten aan de invasie van Mars en concentreerde hij zich op zijn plannen. Terwijl het getrappel van de paardenhoeven de nachtelijke stilte verbrak, kwamen ze via een wirwar van steeds verlatener straatjes ten slotte aan de Greek Street. Wells kon een kwajongensachtige grijns niet onderdrukken toen de jongen de kar voor het gebouw van Murray Tijdreizen tot staan bracht. Hij wierp een blik op de straat, en stelde tevreden vast dat die geheel verlaten was.

‘Nou, jongen,’ zei hij, terwijl hij van de kar stapte, ‘eropaf!’
Ze pakten ieder twee emmers van achter op de kar en liepen naar het pand, Zo geruisloos mogelijk doopten ze hun borstel in de met koeiendrek gevulde emmers en smeerden er de gevel mee vol. Het vieze karweitje kostte hun niet meer dan tien minuten. Er hing intussen een misselijkmakende geur in de lucht, die Wells echter met het grootste genot opsnoof: het was de geur van zijn woede, van de haat die hij had moeten inslikken, van de razernij die voortdurend in zijn binnenste had gegist. Enigszins geschrokken keek de jongen toe hoe hij de vieze lucht diep inademde.

‘Waarom doet u dit, meneer Wells?’ waagde hij ten slotte te vragen.
Even keek Wells hem scherp aan. Zelf voor een simpele ziel als hij moest het absurd lijken dat iemand zich ‘s nachts bezighield met zo’n zonderling en smerig karwei. 
‘Omdat het, tussen iets doen en niets doen, dat is wat ik kan doen.’

Bij die duistere uitspraak knikte de jongen vaag, en misschien had hij al spijt dat hij zo brutaal was geweest de geheime beweegredenen van een schrijver te willen onderzoeken. Wells betaalde hem en zei dat hij terug kon gaan naar Woking. Zelf bleef hij, want hij had in Londen nog wat zaken af te handelen. De jongen knikte opgelucht. Hij wilde er zelf niet aan denken wat dat voor zaken konden zijn. Hij sprong op de kar, spoorde het paard aan en verdween aan het einde van de straat.


Niet iedereen kan even goed, in real time, met woorden toveren. Het juiste antwoord geven zonder achteraf te denken, “had ik dat maar beter niet gezegd” of “eindelijk weet ik wat ik wel kon zeggen”. Anderen hebben dan weer andere drempels om te overwinnen, maar ieder van ons heeft op een of ander moment de intentie gehad van deze te overwinnen, verder te gaan.

Zelf ben ik me later pas bewust geworden dat ik me zeer slecht kan uitdrukken, verbaal communiceren. Maar dit was altijd wel een struikelblok voor me. Door het na te lezen van getuigschriften van het 2de en 3de leerjaar ben ik daar nog meer van overtuigd geworden. 
Ik was niet alleen de stille, vriendelijke en gezellige jongen die soms fijne grapjes maakte, maar ik was ook degene die van herhalingen hield, van zekerheden en van duidelijk omlijnde opdrachten.

Mijn communicatie hield zich tot het uiterst noodzakelijke, het antwoorden op de meester, het vragen voor naar de WC te mogen. Indien het mogelijk was probeerde ik dit steeds op een non-verbale manier, een hoofdknik, eventueel met een, aanvullend, non-verbaal geluid.

Nieuwe situaties zijn altijd al moeilijk geweest, ik geef nog steeds de voorkeur voor de veilige, vertrouwde geborgenheid. Hier werd wel op ingespeeld door de meester. Ik kan me nog goed herinneren dat ik er soms werd op uit gestuurd om iets te gaan doen in een andere klas, in een klas van het jaar daarvoor, zodat de omgeving al zeker vertrouwd gevoel zou geven.

Maar soms, bij kortsluitingen, angsten of conflicten sloot/sluit ik me helemaal af, dan werd/word ik een gesloten boek.

In dit getuigschrift werd ook nog verwoord dat ik lang en geconcentreerd kon werken, dat ik tekende met tere, zeer rijke maar voorzichtige kleurschakeringen, dat de spanning steeds groot was wanneer ik voor de klas moest komen, dat ik me graag verstopte achter de groep, dat ik langzaam werkte maar met inzicht en zekerheid, dat ik opdrachten zeer serieus op pakte. 
Een intelligent kind met een sterk geheugen, dat veel op slaat, dat zijn gedachten vormt en veel dingen rond hem begrijpt. Maar die soms onverwachte sprongen deed nadat hij lang had gewacht.

De rijkdom van zijn binnenwereld wordt op papier gemakkelijker zichtbaar. Hij zal zich meestal op papier makkelijker uiten dan mondeling.

Nu, zovele jaren later is er bar weinig veranderd. Het tekenen is heel af en toe nog een toevluchtsoord, een vertrouwd iets. Maar ook de zekerheid van programmeren, van wiskunde en andere exacte — vaste waarden zijn een zekere houvast.

De communicatie die ik wel voortbreng is berekend, uitgedacht. Echter is deze van andere mensen niet hetzelfde. Nuances komen niet door, een woord wordt vervangen door een synoniem, deze fouten, die anderen verwaarloosbaar klein ervaren kunnen voor mij een grote inpakt hebben.

  • Kan je bevestigen dat je aanwezig zult zijn?
  • Ik kwam met het openbaar vervoer, ik kwam dus met de trein.
  • Om 12u40 het middag.
  • Gelieve mij eerstdaags te contacteren.
  • Kan je je gsm wegsteken?
  • Gelieve op mijn zitdag te komen.

Kan u alle fouten ontdekken?

Indien er gevraagd wordt om te bevestigen impliceert dit dat er tot er een bevestiging komt, geen bevestiging is.
Met het openbaar vervoer komen kan zowel met trein, tram of bus zijn, alsook oneindig veel combinaties tussen deze zoals: bus-tram-tram-trein-bus… 
Middag heeft zowel in Vlaanderen als in Nederland een andere betekenis (verschillende tijdspannes), alsook kan met middag het midden van de dag bedoelt worden, wat op zijn beurt ook meerdere betekenissen heeft: 12 uur of het moment dat de zon op zijn hoogste punt staat.
Eerstdaags, wanneer is dit? Morgen, eind deze week? 
“Kan je dat”, hierop is waarschijnlijk in dit voorbeeld het antwoord “ja”, het doel is naar alle waarschijnlijkheid dat de gsm weggestoken zou worden, maar kan je nadien boos reageren indien de gsm niet zou weggestoken worden?
“Gelieve op mijn zitdag langs te komen”, is dit de eerste zitdag, de volgende, of de zitdag daarop?

Nee, duidelijk is dit niet altijd. Net zoals het woord “klok” een andere betekenis heeft in Vlaanderen dan in Nederland, zo kan er niet van uitgegaan worden dat elke Vlaming elk woord, elke zin op dezelfde manier opvat of ervaart.

Aan mijn communicatie probeer ik wat te doen, voor de drempel te overwinnen doe ik wat ik kan doen, jeweetwel, datgene tussen iets en niets.

Geef mij maar een mathematische taal, een taal die niet verkeerd kan geïnterpreteerd kan worden. Die niet onderhevig is aan eigen interpretatie, binnenkort, maar die universeel is, morgen.
Een taal die te begrijpen valt door kunstmatige intelligentie, waarmee gerekend kan worden.

Wat hebt u liever?
“Zo een grote spin”, of in ratio meetniveau: “De spin is 3 centimeter”