Weet je wat ik denk?

Dit verhaal gaat over een jongen van zeven jaar. Laat ik hem Jimmy noemen. Ik had een gesprek met hem dat ik niet gauw zal vergeten.

Het is enkele dagen na Pasen. De ouders van Jimmy komen een paar meubels ophalen, en terwijl mijn man hen helpt met inladen, zitten Jimmy en ik naast elkaar op de bank in onze tuin. Hij heeft een spelcomputer bij zich, waarop hij non stop speelt.

‘Pasen is stom,’ begint Jimmy uit het niets, terwijl zijn duimen vliegensvlug de knopjes bedienen. ‘Jezus hangt aan een kruis en dat vieren we dan.’

Het is de eerste keer dat Jimmy bij ons is.

‘Geloof je in God?’, vraag ik hem op de man af.

‘Ja,’ zegt hij, hoofd over het schermpje gebogen. ‘Mama zegt dat God mijn oma dood heeft laten gaan. Nu ben ik verdrietig en dat komt door God.’

‘Volgens mij heeft God je oma niet dood laten gaan. God is goed, dus hij wil niet dat er iemand ziek wordt en doodgaat. Hij houdt van alle mensen, want Hij heeft hen geschapen. Maar God heeft een vijand, en die wil niet dat de mensen gelukkig zijn.’

De duimen vallen stil. ‘Hoeveel mensen zijn er op de aarde?’

‘Ongeveer zeven miljard.’

‘En God houdt van al die mensen? Cool. Daar moet ik over nadenken.’ Hij gaat verder met zijn spelletje.

‘De vijand van God, die is echt slecht, he?’, zegt Jimmy even later. ‘Weet je wat ik denk?’ Zijn spelcomputer ligt nu werkloos in zijn schoot.

‘Nou?’

‘De vijand van God wil eigenlijk Gód kwaad doen. Hij doet de mensen pijn en dan is God verdrietig.’

‘Dat heb jij heel goed gezien,’ zeg ik, terwijl ik me verwonder over zijn inzicht. ‘Elk mens hoort bij God, maar zijn vijand probeert je van hem weg te trekken.’

‘Waar is God? Is hij boven de wolken of is hij een soort van wind?’

‘Eerder een soort van wind. God is niet de wind die je voelt waaien, maar hij is zo aangenaam als een zacht windje. Hij is in ieder geval geen storm. Als je je rustig en prettig voelt vanbinnen, dan weet je dat je dicht bij God bent.’

‘Hmm, vet cool,’ zegt Jimmy. Zijn spelcomputer heeft hij naast zich op de bank gelegd. ‘Hier moet ik heel, heel veel over nadenken.’

Doe dat, Jimmy.

We kijken allebei zwijgend voor ons uit.


Bea Nobbe