Um Naji

Fragment uit Niet iedereen kan stenen gooien (2008)

Mijn vader mengt zich in het gesprek. ‘Je weet toch dat Um Naji, mijn oma van mijn moederskant, uit Ramleh komt? Haar familie heeft Ramleh in juli 1948 moeten verlaten.’

Van de zeventienduizend Palestijnen die op dat moment in Ramleh woonden, mochten er slechts vierhonderd blijven. Vlak voor de oorlog woonde eenvijfde van de totale Palestijnse stedelijke bevolking in Ramleh en Lydda.

‘Dat is het gebied waar we zijn geland. Het vliegveld Ben Gurion ligt daar nu.’

De latere premier van Israël, Yitzhak Rabin, had het commando over de Joodse troepen in dat gebied. Op 12 juli 1948 gaf hij het bevel: ‘De inwoners van Lydda moeten zonder onderscheid van leeftijd worden verdreven in de richting van Bayt Nabala.’ Een soortgelijk bevel kreeg de Kiryati-brigade met betrekking tot de inwoners van Ramleh. Volgens de Israëlische historicus Illan Pappe was Ramleh al eerder aangevallen door Joodse militante groepen. In februari 1948 plaatste de Irgun, een Joodse militie waarover de latere premier Menachem Begin het commando voerde, een mand met explosieven op de groentemarkt van Ramleh. Bij deze aanslag kwamen twaalf Palestijnen om het leven, onder wie acht kinderen.

Voordat het Britse mandaat afliep op 14 mei 1948 en ‘David Ben- Gurion, de eerste premier, om middernacht de staat Israël uitriep, waren al driehonderdduizend Palestijnen uit hun dorpen en steden verdreven.

Deir Yassin

‘Vooral na de aanval op Deir Yassin kwam een grote stroom vluchtelingen op gang’, gaat Awatef verder. ‘Twee maanden na de verdrijving van Palestijnen uit Ramleh en Lydda, bezetten twee Joodse terreurgroepen, Irgun en Stern, het dorpje Deir Yassin in de heuvels van Jeruzalem. De inwoners van Deir Yassin werkten in die tijd op het land of in Jeruzalem. Er woonden zevenhonderd Palestijnen in het dorpje in betrekkelijke vrede met hun Joodse buren. Er bestond zelfs een niet-aanvalsverdrag tussen het dorp en de nabij gelegen Joodse nederzetting Giv’at Sha’ul.’

Op 9 april 1948 openden Joodse militanten het vuur in het dorp. Ze schoten in het rond met machinegeweren en doodden meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen. Onder de doden waren, volgens Israëlische historici, zelfs tientallen baby’s. Tijdens de aanval op het dorp werd willekeurig geschoten, werden huizen opgeblazen, inwoners geëxecuteerd en bezittingen geplunderd. Dorpelingen die de slachting hadden overleefd, werden op vrachtwagens geladen en door de hoofdstraat van Jeruzalem gereden. ‘Deir Yassin’ zit diep in het collectieve geheugen geprent.

Um Naji

‘Oma Um Naji was zo geschrokken van de berichten over Deir Yassin, dat ze van plan was haar kinderen weg te doen, voordat de Joodse milities hen iets zouden kunnen aandoen’, zegt mijn vader.

‘Jaag ze weg’

Drie maanden later, op 14 juli 1948, trokken Joodse gewapende groepen, onder leiding van Rabin, de stad Ramleh binnen en in een zoektocht van deur tot deur werden drieduizend Palestijnen opgepakt en naar een gevangenkamp gebracht. Op dezelfde dag werd de stad geplunderd. De familie van Um Naji moest Ramleh verlaten. In de niet-gecensureerde versie van zijn memoires schreef Yitzhak Rabin over deze dag: ‘We liepen naar buiten, Ben-Gurion begeleidde ons. Commandant Yigal Allon herhaalde zijn vraag: Wat moet er met de Palestijnse bevolking gebeuren? Ben-Gurion wuifde met zijn hand en gebaarde: Jaag ze weg!’ Zo’n vijftigduizend Palestijnen moesten te voet de stad uit.

‘Um Naji vertelde mij hoe vluchtelingen werden gecontroleerd door soldaten’, zegt mijn vader. ‘Ze moesten al hun bezittingen achterlaten. Huizen werden geplunderd en de inwoners werden opgejaagd. Veel vluchtelingen waren uitgedroogd. Honderden overleefden het niet.’

Omdat ze niet meer terugkonden naar Ramleh en het gevaarlijk werd in Jeruzalem, is de familie van oma Im Naji in 1949 naar Damascus vertrokken.

De moeder van mijn vader, Um Salim, groeide op in Jeruzalem. Ze was getrouwd met opa Radi, die voor 1948 veel onderweg was met zijn taxi. Hierdoor was oma Um Salim vaak alleen met haar kinderen. Toen Hanan, de jongste zus van mijn vader, werd geboren, stelden de ouders van Um Salim Radi voor een keuze. Hij moest of in Jeruzalem komen wonen en werken om dicht bij zijn gezin te zijn of ze moesten uit elkaar gaan. Zijn eigen vader wilde niet dat Radi in Jeruzalem ging wonen en eiste dat de kinderen zouden terugkeren naar Nabloes. Dat gebeurde uiteindelijk. Opa Radi en oma Um Salim scheidden van tafel en bed. Alle kinderen gingen terug naar de familie van opa in Nabloes, behalve Hanan die net geboren was.

Terwijl haar familie na de oorlog van 1948 was vertrokken naar Damascus, bleef oma Um Salim met haar oudste broer achter in Jeruzalem. Zij wilde dicht bij haar kinderen blijven. In eerste instantie wilde de familie van opa niet dat oma haar kinderen zou zien. Later werd tussen de families afgesproken dat de kinderen tijdens de zomer bij oma in Jeruzalem zouden verblijven. Zij woonde toen in de wijk Wadi Joz. Tijdens en na de oorlog van 1948 verbleven in deze wijk veel Palestijnen die hun huizen en land hadden moeten verlaten in het westelijke gedeelte van de stad.

Oma Um Salim ging soms stiekem naar Nabloes. Ze ging dan in een huis tegenover de school zitten kijken waar mijn vader en zijn broer en zussen naartoe gingen. De rest van haar familie was nu buiten Palestina en mocht het land niet meer in.

‘Ook de familie van oom Mohammed, de man van tante Fatima, moest vluchten’, zegt Awatef. Ze schenkt ons nog wat thee bij.

De familie van oom Mohammed komt uit het dorp Bayt Nabala, vlakbij Ramleh. In het Verdelingsplan van de Verenigde Naties was het dorp opgenomen in de Palestijnse staat. Er woonden meer dan tweeduizend Palestijnen.

‘Zijn familie en andere inwoners van Bayt Nabala moesten het dorp te voet verlaten. In de zomer van 1948 was er maar één vrachtwagen in het dorp. Sommige dorpelingen hadden ezels. Ze hadden weinig meegenomen op hun vlucht. Een enkeling had dekens en een matras bij zich. De meeste dorpsgenoten namen de sleutels van hun huizen mee en hoopten dat ze binnen een week of twee konden terugkeren.’

Sommige vluchtelingen kwamen terecht in de dorpen Dayr Ammar, Bayt Tillow en Rantiss. Een groot aantal vluchtelingen uit Bayt Nabala woont tegenwoordig in het vluchtelingenkamp Jalazoun dat in 1950 is opgezet vlakbij Ramallah.

‘Toen in 1948 de gevechten begonnen rond Bayt Nabala hadden Joodse gewapende groepen posities in de heuvels ingenomen’, vervolgt Awatef. ‘Ze bestookten het dorp met machinegeweren. De dorpelingen die zich probeerden te verdedigen, konden nauwelijks iets uitrichten. Op elke beweging in het dorp werd geschoten. Niet lang daarna was het dorp leeg.’

Tegenwoordig duurt een rit met de auto van Ramallah naar Bayt Nabala veertig minuten, als je niet tegengehouden zou worden bij een Israëlische controlepost. Voor de meeste vluchtelingen leek het alsof Bayt Nabala verder dan de horizon lag. Het gebied is nu onderdeel van Kefar Truman, genoemd naar de voormalige Amerikaanse president, en Bet Nehemya. Israëlische bulldozers hebben het dorp in 1948 met de grond gelijk gemaakt om te voorkomen dat de vluchtelingen zouden terugkeren. Er is niets meer over van de bijna vijfhonderd huizen die het dorpje vormden. Alleen een schooltje en een paar fruitbomen herinneren aan de tijd dat de familie van Mohammed hier leefde.

Catastrofe

‘Tijdens de Catastrofe, zoals Palestijnen de oorlog en de etnische zuivering van 1948 noemen, hebben we in het bovenhuis vluchtelingen uit Jaffa opgevangen’, vertelt Awatef, wijzend naar de ramen boven ons.

Op de tweede verdieping van het familiehuis is een aparte woning met een eigen voordeur, die grenst aan een straat aan de andere kant van het huis. Ook in scholen vonden vluchtelingen onderdak in Nabloes.

Awatef herinnert zich nog dat in de klaslokalen gordijnen werden opgehangen om families te scheiden. ‘Families in Nabloes brachten matrassen naar de scholen. We probeerden de vluchtelingen zo goed mogelijk te helpen.’

Sommige leegstaande huizen werden verhuurd of gratis ter beschikking gesteld aan families.

In eerste instantie weigerden de vluchtelingen hulp van de VN. Zij wilden zo snel mogelijk terug naar hun huizen. Pas na twee jaar accepteerden zij internationale steun. In 1950 zetten de vn drie vluchtelingenkampen op in Nabloes. Balata is het grootste en dichtstbevolkte kamp. Op slechts twee vierkante kilometer wonen tegenwoordig dertigduizend vluchtelingen. In Askar in het noordoosten van de stad, verblijven vijftienduizend vluchtelingen. Midden in de stad, niet ver van het huis van mijn opa, is nog een kleiner kamp, Beit Ilma. Hier wonen meer dan zesduizend vluchtelingen.

‘Dat kamp is zo klein dat als iemand is overleden, het lichaam via de ramen van huis tot huis gaat om vervolgens naar de hoofdstraat te worden gedragen’, zegt Awatef bitter.

In totaal zijn tussen eind 1947 en de eerste helft van 1949 meer dan 750 duizend Palestijnen ontheemd, verdreven of gevlucht. Iets minder dan de helft daarvan is verdreven voordat de staat Israël werd gesticht. Tijdens en na de oorlog werden meer dan vijfhonderd dorpen verwoest. Namen van gebieden werden veranderd, alsof deze dorpen en hun inwoners nooit hebben bestaan.

De Catastrofe, An-Nakba, is een diepe wond en voor Palestijnen bepalend voor het conflict. Decennialang is weinig gesproken over wat er in 1948 in Palestina is gebeurd. Pas eind jaren tachtig, nadat een groep Israëlische ‘nieuwe’ historici de door de Israëlische overheid vrijgegeven staatsarchieven hadden doorgespit, kwamen de voor Israël pijnlijke feiten boven water over de omstandigheden waaronder de staat Israël is ontstaan.

Dit is een fragment uit Niet iedereen kan stenen gooien. De eerste twee delen van het boek zijn online beschikbaar.