Leonor Jonker

Safety Pin Stuck In My Heart


I don’t love you for your many reasons

Propagandas, doctrines, treasons

All I know’s that

Beat-beat-beat-beat-beating

- Patrik Fitzgerald, ‘Safety Pin Stuck In My Heart’ (1977)


‘I’m fuckin’ starvin,’ hoor ik een stem achter me zeggen. Vanuit mijn ooghoek zie ik het achterwerk van een zwaarlijvige vrouw in een strakgespannen luipaardlegging.

‘Fuckin’ ‘ell, awright, wanna go to-e chippie?’, antwoordt de hoodie aan haar zijde. Ze duwt een kinderwagen vooruit, rond het tweetal groept een stel jengelende kinderen.

Een van de kinderen, een klein jongetje met een enorm plastic geweer, kijkt om naar Jazz. Zijn mond hangt open. ‘Mommy, mommy’, probeert hij, achter zich wijzend naar die man met grote legerlaarzen, een strakke panterbroek en een halflange damesjas.

Het is tien uur in de ochtend in Blackpool. We hebben net over het strand gewandeld en foto’s gemaakt onder de pier, van de spookachtige netten die daar aan de balken hangen. Nu leunen we hoog boven het strand tegen de verroeste reling van het bouwwerk.

Beneden in het ijskoude water drijven twee kleine stipjes, die om de pier proberen te zwemmen. De kleinste van de twee wordt door de harde stroming ver de zee ingetrokken en ik kijk onwillekeurig naar de foto van een dertienjarige jongen die tegen het hekwerk is geplakt, omringd door bloemen, briefjes en teddyberen. De familie van de zwemmers is te druk bezig zakken chips en flessen cola op het zand uit te stallen om ze na te kijken.

Verderop liggen nog meer halfnaakte gezinnen, met een paarse huid van de kou of oranje huid van de tan spray. Veel meer is er in Blackpool niet te doen, buiten eten, drinken, gokken en vechten. Behalve dit weekend. Beneden in het zand staan de woorden PUNK LIVES in grote knullige blokletters, REBELLION FESTIVAL 2012. Iets verderop: CUNT in hetzelfde handschrift.

Het doet me denken aan de keer dat Jazz CUNT schreef in de sneeuw op het asfalt van een busstation in Drachten, toen we een uur op de bus moesten wachten op de terugweg van een concert en opeens voel ik de snijdende kou van de zeewind. Als ik wil voorstellen om naar binnen te gaan, is Jazz me voor: ‘Let’s go for a coffee’.


Ons favoriete café ligt een paar straten verderop. ALL DAY FULL BREAKFAST staat er in afgebladderde verf op de pui, met achter het raam: FISH, CHIPS & MUSHY PEAS ₤4,50 en BACON BUTTY ₤1,50. Binnen zitten we op bankjes van plakkerig groen nepleer. Eigenlijk plakt alles, maar het is het enige café waar ze filterkoffie serveren, in grote witte mokken. We zitten tussen families met huilende kinderen, aangevuld met punks die zich opmaken voor de laatste festivaldag.
Jazz haalt het programmaboekje tevoorschijn en vraagt om een pen en zijn leesbril. ‘Als we straks naar 999 gaan hebben we genoeg tijd voor de platenzaken. En vanavond natuurlijk Patrik Fitzgerald. Looking forward to that.’ Hij omcirkelt de naam een paar keer.

‘Yeah…’ beaam ik. Patrik Fitzgerald. Jazz weet dat ik er naar uitkijk. Ik was zestien toen ik zijn muziek voor het eerst hoorde, in een smoezelig appartementje in Noord-Wales. Jazz had me meegenomen naar het huis van zijn schoolvriend Steve W. en zijn vriendinnetje. Steve snoof poppers en ratelde aan een stuk door. Toen hij een plaat oplegde zag ik dat hij dezelfde littekens als Jazz had op zijn onderarmen: witte cirkels van sigarettenpeuken. En toen klonken de eerste tonen van ‘Safety Pin Stuck In My Heart’, meegezongen door Jazz.

‘Ja, dat wordt gaaf. Zullen we?’ Ik neem nog een paar slokken van mijn koffie maar laat een gruizig restje op de bodem staan. De pukkelige cafébaas roept ons na: ‘Last day right? Tot volgend jaar dan maar!’


De route van het café naar de concertzaal de Wintergardens, door de winkelstraten, hebben we inmiddels al tientallen keren afgelegd. Om de paar meter vermengt een frituurlucht zich met de zeelucht en het gekrijs van zeemeeuwen wordt hier overstemd door Top 40 hits die uit de winkels schallen — behalve bij de HMV waar voor de gelegenheid de Sex Pistols gedraaid worden. De Blackpool Tower, een kleinere replica van de Eiffeltoren, torent boven de winkelstraat uit: een overblijfsel van de eens deftige badplaats.

Overal komen we nu punks tegen. Jonge, militante Italianen, Nederlandse skinheads, Britten met grijze hanekammen. Jazz wordt aangesproken door een groep beschonken vrouwen met polyester vleugels en matchende T-shirts die met hem op de foto willen, terwijl iets verderop punks poseren met de Monkey Man, die hier sinds jaar en dag pluchen apen verkoopt. Aan zijn oorringen en doorgroefde gezicht te zien is de Monkey Man zelf ook van de punkgeneratie. Hij heeft nog nooit zoveel apen verkocht.

Bij de Wintergardens wacht al een menigte punks tot de deuren opengaan. De zaal stamt uit dezelfde tijd als de Blackpool Tower: een statig wit-blauw amusementspaleis, met rood tapijt, gigantische kroonluchters, glimmend koper, kitscherige reliëfs en bars van donker hout. Het levert een ongewoon schouwspel op dat elk jaar meer fotografen aantrekt en bij de ingang groepen nieuwsgierige bejaarden met rollators samen. Een enkeling knoopt een praatje aan met een punk of een toekijkende politieagent.

Als altijd gaat de laatste festivaldag snel voorbij. De route van pier, koffiezaak, winkelstraat en bejaarden wordt binnen vervolgd met vaste routes over het — na vier dagen festival — plakkerige tapijt: een druk programma van platen kopen, bekenden groeten, Lucozade en Guinness drinken en, vooral, veel optredens.


Hoe de avond is afgelopen weet ik niet meer. We hebben Patrik Fitzgerald gezien, dat is zeker. Hij was nog steeds klein en schuchter en raffelde zijn bekendste nummers erdoor met een jachtige blik: ‘I’ve got a safety pin stuck in my heart, for you, for you’.

Ergens daarna raakte ik Jazz kwijt, na een halfdronken ruzie.

Nu zitten we aan het ontbijt. De eigenaar van onze b&b, een skinhead, komt zelf onze Full English brengen. ‘Skinfromlancs’ spant er om zijn gespierde borstkas, in de vorm van het Lonsdale logo. ‘Good morning! Zijn jullie naar Cocksparrer geweest gisteren?’ vraagt hij met een brede glimlach, terwijl hij delicaat een kopje thee inschenkt. Ik richt mijn blik katerig naar zijn glimmende legerlaarzen.

‘Nah mate. Ik geloof het niet… got hammered last night’ antwoordt Jazz voor me. Hij ziet er bleek en kwetsbaar uit als de hoteleigenaar hem joviaal op zijn schouders slaat. ‘Haha. Ik hoor het al. Hebben jullie al voor volgend jaar geboekt? Ik zit bijna vol.’

Een uur later zitten we in een trein vol ruziënde families en slaperige punks.

‘I’m fuckin’ starvin’ zeurt een klein meisje in de stoel voor me. De moeder bitst: ‘Shut it, you!’

Ochtendzonlicht stroomt de coupé binnen en valt op het gezicht van Jazz, die naast me slaapt. Zijn kleren zitten vol donkere vlekken van de Guinness en zijn oorring blikkert in het licht. Een passerend gezin loopt een halve coupé verder als ze hem zien: ‘Fuckin’ ‘ell’, zegt de vader. Een jonge punk grijnst naar me.

Dan begint de trein met een schokkerig geronk van de dieselmotor te rijden. Ik kijk nog een keer naar de Blackpool Tower aan de horizon en denk aan de woorden van Patrik Fitzgerald:

‘All I know’s that/ Beat-beat-beat-beat-beating’.


Leonor Jonker (Amsterdam, 1987) schrijft over popmuziek, moderne geschiedenis en hedendaagse kunst. Ze organiseert concerten voor old school punkhelden als TV Smith (The Adverts), 999, The Lurkers en John Cooper Clarke. In 2009 schreef Jonker in opdracht van sowieso030 het boek Muziekreis door het Berlijn van toen en nu. Sindsdien publiceerde ze in Gonzo (circus), Boekman en Rock ‘n’ Roll High School Magazine. Voor het Bladenbal-fanzine schreef ze een artikel over punk als kunststroming naar aanleiding van de tentoonstelling ‘Europunk’ in Rome. In 2012 publiceerde ze haar boek No Future Now: Punk in Nederland 1977-2012, en was ze mede-samensteller een hedendaagse variant op De Nieuwe Stijl, het legendarische tijdschrijft in de jaren zestig, die werd opgenomen in et boek ROTTERDAM.

Email me when Music, Art & Film publishes stories