Van apengeest naar cyborg-aap

De Amerikaanse historicus en futuroloog Alex Soojung-Kim Pang werkte jarenlang als consultant in Silicon Valley. Tot ie in 2008 een burn-out kreeg en het roer radicaal besloot om te gooien. In het vliegtuig op weg naar z’n nieuwe baan bij Microsoft Research kwam hij tot z’n nieuwe focus: hij wilde onderzoeken hoe je (pas op: verschrikkelijke terminologie in aantocht) contemplatief kan computeren.

Waar de rest van de wereld zich momenteel stort op z’n nieuwste boek ‘Rust in uitvoering’ over hoe doelbewust rust nemen je kwaliteit van werk kan verhogen, greep ik terug naar z’n boek uit 2013 ‘The distraction addiction’. Pang onderzoekt in deze ‘handleiding voor een gelukkig digitaal leven’ hoe je verbonden kunt blijven met je technologie en toch gegrond kunt zijn in jezelf. Sterker nog: hoe je door je verwevenheid met technologie zelfs meer mindful kunt worden.

Dit stuk is onderdeel van de serie CTRL, ALT, DELETE: tech/me waarin ik de ideeën van interessante denkers deel over hoe we een betere relatie kunnen opbouwen met onze technologie. Herontwerp van onszelf en technologie: hoe doe je dat?

Van apengeest naar cyborg-aap

Pang begint z’n boek met de vergelijking van twee soorten apen die hij ziet als metaforen voor onze huidige slechte relatie met technologie en de intieme relatie met technologie die we volgens Pang nodig hebben.

Aap 1: de makaken uit het apenpark Iwatayama in Japan. Vliegensvlugge beestjes die geen moment stilzitten en zo een prachtige verbeelding vormen van het boeddhistische begrip ‘apengeest’. Daarmee wordt de rusteloze, ongedisciplineerde, nerveuze geest van de mens bedoeld. Net als dat apen niet stil kunnen zitten, kan de geest ook nooit tot rust komen.

Deze ‘apengeest-toestand’ wordt volgens Pang versterkt door onze technologie:

De apengeest voelt zich aangetrokken tot het oneindige en voortdurend veranderende buffet van keuzes die we met betrekking tot informatie moeten en willen nemen en apparaten die ons van die informatie kunnen voorzien. De apengeest gedijt het beste als hij wordt overladen, hij heeft een zwak voor glanzende en blinkende dingen en maakt geen onderscheid tussen goede en slechte technologieën of keuzes.

Aap 2: Een aantal kilometer van Iwatayama vandaan bevindt zich het robotlaboratorium van de Universiteit van Kyoto. In het robotlaboratorium wordt onderzoek gedaan naar hoe het brein verandert bij het aanleren van uitvoerende functies. Zo blijkt dat een aap bij wie elektroden in zijn hersenen zijn geïmplanteerd, met zijn geest joysticks of robotarmen kan besturen. Hersenscans laten iets opmerkelijks zien: de neuronen in de frontopariëtale lob van de aap (het deel waarmee de aap de beweging van zijn armen aanstuurt) worden actief als de aap een robotarm bestuurt. Met andere woorden, de hersenen van de aap ‘zien’ de robotarm niet meer als een hulpmiddel of een gebruiksvoorwerp dat duidelijk van zichzelf gescheiden is. Het brein van de aap creëert een nieuw beeld van het lichaam van de aap, waarbij de robotarm als onderdeel van de aap wordt opgenomen.

Deze cyborg-aap vertegenwoordigt voor Pang een geest die niet is overweldigd door technologie. De reden? De technologie die hij gebruikt ervaart hij niet als gescheiden van zichzelf ervaart, als iets waar hij zich bewust voor moet inspannen en waar hij bewust aandacht aan moet schenken. Een combinatie van doelbewuste oefening, gesleutel en experimenteren heeft er samen met de aanmaak van nieuwe hersenverbindingen voor gezorgd dat er een ‘uitbreiding van de geest’ heeft plaatsgevonden waarbij het brein, het lichaam en hulpmiddelen met elkaar verstrengeld zijn en moeiteloos samenwerken.

De apengeest en de cyborg-aap zijn twee contrasterende relaties met (informatie)technologie en twee toekomsten:

We hebben de kwebbelende aap te lang de macht over onze technologie gegeven en vragen ons dan ook nog eens af waarom het verkeerd is gelopen. We willen zoals de cyborg-aap zijn (maar dan niet zo harig en zonder de elektroden). We willen het vermogen hebben om gecompliceerde technologieën te gebruiken zonder erover te hoeven nadenken en zonder ze te ervaren als een last of stoorzender. We willen dat onze technologie een verlengstuk van onze geest wordt en onze vermogens vergroot, niet dat ze onze geest breekt.

We denken door onze technologie

Pang wil dus toe naar een relatie waarin technologie functioneert als wat hij een ‘uitbreiding’ van onze geest noemt. Dat klinkt misschien een beetje raar, maar dat komt omdat wij een heel beperkt tunnelbeeld hebben van wat de werking van technologie is:

…een niet-fysieke informatieoverdracht waarvan we denken dat ze niets te maken heeft met de fysieke wereld, wel degelijk een lichamelijke, fysieke dimensie heeft. Het illustreert dat we informatietechnologie niet gebruiken zoals we fietspompen, liften of saladetangen gebruiken; de apparaten die we gebruiken veranderen in verlengstukken van onze geest en ons geheugen. Ze raken met ons verstrengeld.

De uitgebreide geest dus. Die bestaat dan niet alleen uit het brein, maar ook uit bijvoorbeeld het lichaam, apparaten en zelfs sociale netwerken. Denken is dan ook iets dat overal binnen dit systeem plaatsvindt. Zo kan iemand sommige cognitieve functies in de vorm van gememoriseerde regels in zijn bewustzijn internaliseren, voor andere cognitieve functies gebruikmaken van technologie of een combinatie van geheugen en apparaten gebruiken om zijn doel te bereiken.

Als mens zijn we altijd al verstrengeld geweest met dingen die zich buiten het lichaam bevinden. Zo gebruiken we al vanaf de oertijd hulpmiddelen om de manier waarop ons lichaam en onze geest werken te veranderen. Dit soort verstrengeling stelt ons in staat om onze fysieke en cognitieve vermogens te vergroten en heeft zo ons evolutionaire succes veroorzaakt.

Door deze verstrengeling krijgen we ook een ander beeld van waar ons lichaam eindigt en de wereld om ons heen begint. Ons lichaamsschema verschuift. Een lichaamsschema is een geestelijk model van het lichaam: het geeft je bijvoorbeeld informatie over hoe lang je ledematen zijn, waar je je in de ruimte bevindt en hoeveel volume je inneemt. Lichaamsschema’s zijn flexibel. Het brein van de cyborg-aap verschoof de functies waarmee het de robot bestuurde van het gebied dat actief is als de cyborg-aap bepaalde hulpmiddelen gebruikte naar het gebied dat met het hele lichaam is geassocieerd. Dat is dan ook de reden waarom er een diepe waarheid zit in een uitspraak als ‘mijn iPhone voelt als een onderdeel van mijn brein’.

Als we de situatie in termen van de uitgebreide geest en verstrengeling bekijken, kunnen we volgens Pang duidelijkheid scheppen in wat er op het spel staat als onze relatie met technologie de verkeerde kant op gaat.

Terwijl apparaten veranderden van hulpmiddelen die we op het werk of in de klas gebruikten tot dingen die onderdeel van ons leven zijn, raakten ze dieper geïntegreerd in ons leven en groeide hun potentieel om de vorm en werking van onze geest te beïnvloeden. Als een apparaat niet goed werkt, vinden we dat niet meer alleen maar onhandig. Je ervaart het niet goed werkende apparaat als een onderdeel van jezelf en tegelijkertijd als iets waarover je geen controle hebt. Het voelt als een ledemaat dat niet doet wat je wilt. Het probleem van veel apparaten die we tegenwoordig gebruiken is niet dat ze te leuk of verslavend zijn. Het probleem is meer dat ze slecht ontworpen zijn.

Het Zen van de verstrengeling met technologie

In haar meest intense vorm lost verstrengeling het besef op van het verschil tussen persoon en object: je samenwerking ermee verloopt zo perfect dat het onmogelijk wordt om aan te geven waar jij eindigt en waar het object begint. Deze gemoedstoestand wordt al eeuwenlang door zenmeesters beschreven.

Uiteindelijk weet de leerling niet meer welke van de twee — de geest of de hand — verantwoordelijk voor het proces van het boogschieten is.

Dit is de toestand die ‘flow’ wordt genoemd. In flow is de concentratie zo intens dat je geen aandacht meer hebt voor irrelevante zaken, of je druk maakt over je problemen. Je bent je niet meer bewust van jezelf en je gevoel van tijd wordt vervormd. Een activiteit die dergelijke ervaringen tot gevolg heeft is zo bevredigend dat mensen bereid zijn om de activiteit te doen zonder dat ze zich druk maken over het resultaat of nut ervan, zelfs als de activiteit moeilijk of gevaarlijk is.

Als verstrengeling met technologie goed verloopt, stelt Pang, kunnen we in een flow-toestand terechtkomen.

Verstrengeling geeft je dan enorm veel plezier, versterkt je verbeeldingskracht en vermogen tot creëren en geeft diepte en betekenis aan je leven. Dit verklaart waarom een slechte vorm van verstrengeling zo pijnlijk is, waarom afleiding zo ondermijnend is en waarom het zo belangrijk is om hulpmiddelen te hebben die je erbij helpen om gefocust, mindful en in de flow te zijn.

We zijn verstrengeld met tech, maar niet hetzelfde

We maken volgens Pang twee denkfouten:

1. Dat we bang zijn om te afhankelijk te worden van onze technologie, terwijl we in termen van verstrengeldheid moeten denken om een positieve relatie te krijgen waarin onze tech ons naadloos en ongemerkt kan versterken. Die uitgebreide geest dus, waar ik het hierboven over had.

2. Dat we juist niet genoeg onderscheid maken tussen wie wij zijn en wat onze tech is. We mogen wel verstrengeld zijn met onze tech, maar we zijn niet hetzelfde. Mens en technologie zijn twee heel verschillende zaken en dat moeten we goed in de gaten houden.

Technologie verandert namelijk indirect de manier waarop we over onszelf denken. Het herijkt de waarde die we aan aspecten van ons mens-zijn geven. Dat komt doordat we concepten van mens en computer op één hoop gooien, terwijl het eigenlijk aparte categorieën zijn. We praten (en denken) kortom over onszelf in computertaal en daardoor ontstaat angst voor de Grote Boze Tech-wolf. Want ja: er is wel een heel duidelijke winnaar als je mens en tech naast elkaar legt.

Neem bijvoorbeeld intelligentie. We associëren intelligentie al lange tijd met snelheid. We zeggen dat iemand een ‘snelle leerling’ is; het is geen compliment om iemand ‘traag’ te noemen. Als we er op deze manier naar kijken, zijn computers de mens een streepje voor. Ze kunnen moeiteloos en vrijwel meteen dingen doen die wij erg moeilijk vinden. Ze zijn al snel en ze worden nog sneller, goedkoper en krachtiger, terwijl wij blijven zitten met vrijwel hetzelfde soort brein dat onze met bijlen zwaaiende, in grotten wonende voorouders hadden.

Computers hebben ervoor gezorgd dat ons begrip van de menselijke werkintelligentie en het menselijke werkgeheugen is veranderd en dat we meer waarde hechten aan (computerachtige) eigenschappen zoals efficiëntie, snelheid en productiviteit en minder aan creativiteit, zorgvuldige afweging en nauwgezetheid.

Als je echter beseft dat het menselijk brein en computers complementaire vermogens hebben, ben je volgens Pang beter in staat om jezelf niet meer met apparaten te vergelijken en te gaan experimenteren met de verschillende manieren waarop je apparaten kunt gebruiken. En dat is de voorwaarde voor de samensmelting van de beste biologische en kunstmatige vermogens. Hierdoor wordt de vorming van de uitgebreide geest (cyborg-aap) gestimuleerd in plaats van de afgeleide geest (apengeest) en zien we technologie niet als iets dat onze vermogens vervangt, maar uitbreidt en versterkt.

Dit stuk verscheen ook in m’n wekelijkse nieuwsbrief CTRL, ALT, DELETE. Wil je deze automatisch in je mail ontvangen? Hier kun je je subscriben.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.