Inclusie, een persoonlijke zoektocht

Het woord inclusie gonst overal, in beleidsstukken en artikelen. Boekman (Nederlands forum voor kunst, cultuur en beleid) wijdt er een nummer aan (#115, zomer 2018). Ik vroeg mij af wat ik met inclusie binnen mijn cultuurorganisatie kan. ‘Schrijf dat nou eens op’, zei onze PR vrouw, ‘je bent niet de enige die hiermee bezig is.’ Dus hierbij een persoonlijke zoektocht, stappen in het denken. Om ergens te beginnen, eerst maar in het kort wat ik onder inclusie versta, met nog wat woorden die in een adem genoemd worden.

In Wikipedia staat voor mij de meest compacte beschrijving: ’Inclusie is insluiting in de samenleving van achtergestelde groepen op basis van gelijkwaardige rechten en plichten.’ Vorige eeuw werd gedacht in termen van assimilatie (een groep past zich zo volledig aan aan een andere groep dat de eigen culturele identiteit vrijwel verdwijnt) en integratie (een gedeeltelijke aanpassing aan de dominante cultuur van een land met behoud van eigen cultuurkenmerken). Nu werk ik in termen van participatie (deelnemen aan de maatschappij door mee te doen) en inclusie.

Ik zoom in op mensen met een beperking en nieuwkomers, maar inclusie betreft ook ouderen, jongeren, non-formals (niet gecertificeerde kunstenaars).

Inclusie gaat verder dan participatie. Mijn zoektocht in perspectieven.

What’s in a word? Veel.

Als vakantiekracht werkte ik begin jaren 70 bij ’s Koonings Jaght (Arnhem) op de afdeling met ‘diep-idioten’, mijn vriend werkte bij de ‘mongolen’. Zo werden de bewoners van dit afgezonderde park destijds genoemd. Anno 2018 wordt gesproken over mensen met een verstandelijke of meervoudige beperking, in dit geval meervoudige complex gehandicapten en mensen met het syndroom van Down. Het park is tegenwoordig voor iedereen vrij toegankelijk, er is een camping aan de rand van het bos en een zorgboerderij. Bij de voorzieningen werken mensen met een beperking. Ze participeren in de maatschappij, werken samen met niet-beperkten.

Woordgebruik is belangrijk, en de connotatie. Woorden met een andere lading kunnen de emancipatie van een groep aangeven. Hoe worden mensen met een verstandelijke beperking genoemd? Unieke mensen, mensen met speciale wensen, speciale mensen / special heroes. Zij maken outsider kunst / special art. Zijn dat eufemismen of is dat een poging om toch aan te geven dat hier sprake is van een ander soort kunst? Hoe zien de special heroes dat zelf? Wie vraagt dat aan hen? Hoe is het om iemand te zijn met een beperking en dat steeds te merken en te ervaren? Dat lijkt mij onaangenaam en nodigt zeker niet uit om te emanciperen.

Ik las onlangs het artikel ‘Van Participatie naar Sociale inclusie’ waarin de paradigmaverschuiving ten aanzien van de zorg voor mensen met een (verstandelijke) beperking wordt beschreven. Van de zienswijze van de persoon met een beperking als patiënt naar die van burgerschap met de nadruk op leven, inclusie, participatie en empowerment. Er is dus heel wat veranderd.

Toen ik jaren later Nederlands studeerde gaf ik acht uur in de week Nederlandse taalles aan werkeloze anderstaligen bij de Stichting Taak in Arnhem, gesubsidieerd door de gemeente Arnhem. Daar werden o.a. ook lessen bloemschikken, beeldhouwen en verzorging aangeboden. 
Het merendeel van mijn groepen bestond uit mensen met roots in het Middellandse Zee gebied, maar ik herinner me ook verschillende vrouwen uit Polen, Indonesië, een IJslandse, Ieren, een Chileen, Australiërs, Duitsers en enkele Canadezen. Kortom het waren gemêleerde groepen waarin mannen en vrouwen sterk gemotiveerd waren om de Nederlandse taal beter te beheersen. Deze groepen waren hartelijk en gastvrij; ik werd bij hen thuis uitgenodigd om de afsluiting van de cursus vieren. Die ervaringen zijn bepalend geweest voor mijn belangstelling in culturele diversiteit, mijn bijdrage aan sociaal artistieke projecten en de verbinding tussen formals en non formals. Bij Taak was sprake van participatie. De anderstaligen kregen in een centrum les om aan de Nederlandse maatschappij te kunnen deelnemen. Zonder taalbeheersing geen integratie. Het was participatie en hoewel ik de cursisten betrok bij de inhoud van de lessen (waar is behoefte aan, wat kom je tegen), het was geen inclusie.

Community Arts

Van 2002–2005 was ik voorzitter van de commissie Cultuureducatie en Amateurkunst bij de Raad voor Cultuur. Mijn commissie gaf de minister ongevraagd advies over Community Arts, toen nog een vrij onbekende sociaal-artistieke werkwijze binnen de gevestigde witte cultuurorganisaties. De raadsleden waren verbaasd over dit fenomeen. ‘Is dit echt aan de hand?’, vroegen ze ‘Niets van gemerkt.’ De subsidieaanvragen die volgden, vormden een doorbraak wat betreft de deelname aan kunst van groepen die niet vanzelfsprekend met kunst en cultuur in aanraking komen.

Binnen de kunst en cultuurorganisatie KCG, organiseerde ik in samenwerking met CAL XL en Edu-Art, trainingen (Partners in Community Art in 2010–2011–2012) voor kunstenaars die in wijken of met bijzondere doelgroepen wilden werken aan maatschappelijke vraagstukken. De theoretisering van de participatieve kunsten was begonnen! Het was de start van inclusief denken, met de brongroep (veelal ook de uitvoerders) die medebepalend was voor de inhoud van de kunstuitingen. Het streven was om de medeverantwoordelijkheid ook bij hen te leggen. Dat ging en gaat stapje voor stapje. Ook bij de kunstenaar bracht het denken over werkwijze en het eigen artistieke product veel teweeg.

Kunstreceptie

Beeldend. In 2011 werd ik geïnterviewd door het kunstmagazine pArt. Ik betoogde toen dat als een special art kunstenaar zijn/haar werk in het openbaar laat zien, het fantastisch zou zijn als de recensie in een kunstkatern verschijnt in plaats van de pagina welzijn.

Als dat gebeurt, is er dan sprake van inclusie? Doet de outsiderkunstenaar dan echt mee? Toen dacht ik van wel, ik weet dat nu niet zo zeker meer. Als kunst geëxposeerd wordt zonder naamsvermelding, wordt er dan anders gekeken? Kan het werk op zich bestaan? Ja. Kunsthistoricus Rudi Fuchs beweert dat outsiderkunst geen kunst kan zijn omdat het werk zich niet verhoudt tot andere kunstenaars, stromingen, tijden. Hij vertegenwoordigt slechts een van de vele definities van kunst.

Anno 2018 denken musea o.a. binnen het project ‘Ieders museum’ vanuit de nadrukkelijke bedoeling dat een museum voor iedereen toegankelijk (in meerdere betekenissen) moet zijn. Voor kinderen uit het basisonderwijs, gezinnen met kinderen, actieve hoog opgeleide ouderen, maar ook voor zorgvragers, nieuwkomers en ‘onbekende buren’. 
Dat vergt kennis, didactiek en logistiek om deze publieksgroepen adequaat te kunnen ontvangen. Is dat inclusief denken? Of gaat het om het binnenhalen van groepen die anders niet naar een museum komen, zonder te vragen waar niet-bezoekers behoefte aan hebben? Kunnen het binnenhalen van nieuwe groepen en gelijkwaardigheid nastreven wat betreft hun inbreng ten aanzien van een expositie, naast elkaar bestaan? Ik weet het niet, ik twijfel.

In de publicatie ‘In de beperking toont zich de meester’ uit 2013 formuleerde het Netwerk Kunst Inclusief Gelderland een uitgangspunt om mensen met een beperking binnen reguliere kunstinstellingen op een gelijkwaardige manier deel te laten nemen aan kunst en cultuur. Het wegnemen van obstakels die mensen met een beperking beletten toegang te krijgen tot voorzieningen als onderwijs en cultuur is een basisvoorwaarde. De kunstinclusiegedachte die we toen hadden was gebaseerd op het kunnen deelnemen aan kunsteducatie én kunnen doorstromen. Dat betekent onder andere dat de zogenaamde outsider beeldende kunst op een gelijkwaardige wijze beoordeeld wordt en vakmanschap, zeggingskracht, oorspronkelijkheid en betekenis criteria zijn. Maar ook het ontwikkelen van eigen voorwaarden en keuzes die wars zijn van de spelregels van de gevestigde orde.

We noemden dat inclusie, maar het was participatie. We hadden het over mensen met een beperking, want we wilden ze laten meedoen binnen de reguliere kunsten, maar betrokken ze niet - waar mogelijk - bij het beleid, de organisatie, de uitvoering. Ze waren geen partner of mede-eigenaar.

Podiumkunsten. Wanneer ik kijk naar een voorstelling is de traditionele code dat het publiek zich stil houdt en luistert, kijkt en ervaart wat kunstenaars hebben gemaakt. In 2007 doorbrak Ivo ten Hove die met de voorstelling ‘Romeinse Tragedies’. Het publiek mocht door een monoloog lopen en naast de acteur eten en drinken. Het duurde een tijd voor de acteurs hiermee konden werken en ook het publiek moest wennen aan de directe confrontatie met de acteur/het personage. Maar wat als je weet dat je naar een voorstelling kijkt waarin mensen met het syndroom van down meespelen en er tussen het publiek de vrienden van de acteurs zitten? Hoe ervaar je onverwachte bewegingen, geluiden en reacties op tekst, acteurs en personages? Een paar eeuwen terug (ten tijde van het Elizabethaanse Theater) was dat heel gewoon, maar nu moet ik uitgenodigd worden door de uitvoerders om me te mengen in de voorstelling.

Een tijdje geleden sprak ik in de pauze van een conferentie met een ‘downer’, later die dag zat ik in een panel op het podium en de man met wie ik had gesproken in de pauze, herkende me en riep iets vriendelijks naar mij op het toneel. Ik had dat niet verwacht en het duurde toch een halve seconde voordat dat ik schakelde en gericht op hem reageerde. Inclusie zat niet als natuurlijk gegeven in mijn hoofd, de code om op het podium aan het woord te zijn en de stilte van de zaal zaten me in de weg.

Het zieligheids- en schattigheidsgehalte. Het zieligheidsgehalte dat in mijn hoofd zat (en in zekere zin discriminatoir is) ten aanzien van (kwetsbare) ouderen, mensen met een beperking en nieuwkomers belemmerde het inclusieve denken. Evenals het schattigheidsgehalte bij jongeren en non formals.

Door niet met de blik van gelijkwaardigheid te kijken naar kunstuitingen van deze groepen, gaf ik hun niet de kans zich de emanciperen in hun kunstvorm. Het betekent ook dat er criteria kunnen ontstaan die anders zijn dan de traditionele. Voor de choreograaf of regisseur de uitdaging om bij alle deelnemers in de kunstuiting datgene aan te spreken waar hij of zij goed in is of behoefte aan heeft. Dat betekent kennis van de mogelijkheden van de uitvoerder zodat bijvoorbeeld de professionele danser of acteur wat anders laat zien dan de niet-professional. Want als de niet-professional hetzelfde moet laten zien, dan zie je juist het verschil. De niet-professional kan iets laten zien wat de professional juist niet kan. Bijvoorbeeld authentiek reageren binnen spel of dans, juist door de beperking verrijkende moves maken of de tekst juist anders uitspreken.

Er iets van vinden…

- Een collega vertelde dat hij onlangs een voorstelling zag die gemaakt was met en door dove en horende dansers. De horende dansers gebruikten gebarentaal geïntegreerd in de dansvoorstelling. Binnen het maakproces en de voorstelling een bijzondere vorm van inclusie.

- Afgelopen Songfestival (2018) dat gehouden werd in Oekraïne, wist ik in eerste instantie niet hoe ik naar de Russische inzending moest kijken; een zangeres in rolstoel werd zo neergezet op het podium dat de rolstoel werd gecamoufleerd door een enorme rok waar kleurige beelden op werden geprojecteerd. Het was niet de bedoeling dat de kijker de handicap zag. 
Zou ons dat afleiden van de zangprestatie? Zou de zichtbare rolstoel haar zieligheidsgehalte aanwakkeren en het aantal stemmen beïnvloeden?
Het was een politiek spel waarin de gehandicapte zangeres met een Krim verleden werd gebruikt om het gejoel ten aanzien van een Russische inzending de mond te snoeren. Het voelde ongemakkelijk en wrang.

- Door wie moet ‘Othello’ gespeeld worden? Onlangs werd in The Globe Othello gespeeld door een witte vrouw. Het kan dus. Moet een nieuwkomer gespeeld worden door iemand met zichtbare andere roots en door een ervaringsdeskundige? Moet de acteur die een homoseksueel of transgender speelt, dat zelf ook zijn? Nee.

- De theatergroep die de emancipatie van LHBTI’s nastreeft en een voorstelling maakt met en zonder ervaringsdeskundigen, vind ik een voorbeeld van inclusiegericht werken. Een theatergroep die LHTBI’s in een voorstelling laat zien, maar dat niet als onderwerp neemt, is -denk ik- weer een stap verder, net als de film ‘Love, Simon’ (juni 2018) over een verliefde homoseksuele jongere als gewoon gegeven.

- Afgelopen eind juni was ik bij de finale van de talentenjacht Stand Out. Jongeren tot 30 jaar (autodidacten, dus non-formals) lieten hun kunstvorm in de genres zang, beats, rap en dans zien. Wat een talenten! 90% van de uitvoerders en de toeschouwers bestond uit mensen met een cultureel diverse achtergrond. Ze participeerden in de kunsten, zeker. Maar inclusie? Nee. De tweedeling in onze maatschappij werd voor mij pijnlijk zichtbaar.

Kennisdelen en de kennis voorbij

Bijzondere doelgroepen zijn ervaringsdeskundig. Wanneer er onderzoek is waar zij bij betrokken kunnen worden, zijn zij ook bron, functioneren als medeonderzoeker in onderzoeksprojecten. Zo worden ze mede-eigenaar en medeverantwoordelijk voor het onderzoek.

Non-formals hebben veel ervaring en kennis wat betreft het non-formele leren, organiseren, zonder schotten werken en denken. Hun werkwijze verrijkt.

Kunstenaars die met bijzondere doelgroepen willen werken, vragen Cultuurmij Oost om specifieke kennis over die doelgroep. Zorgprofessionals kunnen die kennis delen met kunstenaars en kunstenaars hun discipline en methodiek met zorgprofessionals. Direct en indirect betrekt Cultuurmij Oost deze groepen bij de opbouw van de expertise. De samenwerking tussen het kunst- en sociale domein begint vruchten af te werpen, de effecten van kunstparticipatie worden als verrassend ervaren.

Bovenal van belang is het uitgangspunt. De openheid om gezamenlijk iets te maken, met vertrouwen in ieders inbreng, kracht en verantwoordelijkheid. Het lef om traditionele maakstructuren los te laten bewonder ik.

Inclusief denken is begonnen

Inclusie en ontschotting, inclusie en (culturele) diversiteit worden vaak in één adem genoemd. Ontschotting tussen zorg/welzijn en cultuur is een stap tot samenwerking tussen domeinen en loketten, overheden, fondsen, maatschappelijke en culturele instellingen. Om sociaal artistieke projecten niet meteen door te verwijzen naar een ander loket omdat ze niet passen binnen de criteria. Ontschotting is noodzaak, maar betekent nog niet meteen dat er inclusie plaatsvindt.

Cultureel divers beleid binnen organisaties, overheden en fondsen zie ik als een vorm van inclusie, tenminste als er sprake is van gelijkwaardige inbreng van de deelnemers.

Kunstinclusie is geen must. Soms is kunstparticipatie een eerste kennismaking met de kunsten of juist een bescherming voor een bijzondere groep die zelf de keuze niet kan maken.

Het is voor mij een bewustwording, nee meer, visieontwikkeling die verder gaat dan niet meer top-down, maar bottum-up denken. Inclusie betreft veel aspecten, met als uitgangspunt gelijkwaardigheid en eigenaarschap van betrokkenen: op het podium en achter het podium, in beleid en uitvoering, in samenstelling van netwerken, in projecten en projectdenken, kunstreceptie, scholing en training, kunstbeleving actief en receptief, onderzoek, binnen en samen met andere domeinen.

Waar vind ik-van-de-systeemwereld de bronnen voor het inclusie-denken? Bij out-of-the-box-denkers, kunstenaars, non-formals, mensen uit de leefwereld. Met de ervaringen van mijn eigen inclusie-momenten altijd in het achterhoofd.

Elsbeth Rozenboom
adviseur kunst en welzijn
juli 2018

Like what you read? Give CultuurmijOost a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.