Wat?! Adaptief en gepersonaliseerd leren?

Wordt het niet eens tijd voor een lesmethode die zich aanpast aan de docent?


“Adaptief leren op smartphone, pc, laptop en tablet. In deze omgeving kan uw leerling zelfstandig aan de slag met oefenen en verwerken. Iedere leerling volgt zijn eigen gepersonaliseerde leerroute. Via een dashboard monitort u de voortgang van uw leerlingen.” (bron: malmberg.nl, dedact.nl)

Kritische, hoogopgeleide docenten die de laatste ontwikkelingen op het gebied van onderwijs en digitale lesmethodes volgen, schrikken zich rot. Er kan maar één conclusie getrokken worden: wij zijn binnenkort onze baan kwijt! Met dank aan de nieuwe digitale lesmethodes van de grote uitgeverijen, hebben de leerlingen straks geen docent meer nodig. Zij werken op hun tablet zelfstandig aan de stof, maken de bijbehorende opgaven en laten deze automatisch nakijken. Het systeem geeft feedback en past het niveau automatisch aan. De docent (tegen die tijd: de “coach”) kijkt op zijn dashboard naar de automatisch gegenereerde resultaten van zijn twintig klassen en leunt tevreden achterover.

Kritische, hoogopgeleide docenten die deze digitale ontwikkelingen volgen, krabben zich achter hun oren. Waar heb ik dit toch eerder gelezen? Oh ja! Studiehuis, basisvorming, Tweede Fase, het ‘nieuwe leren’, de onderwijsideologie die de nadruk legt op zelfstandigheid van de leerling. Heeft de commissie-Dijsselbloem daar niet zeer kritisch over geschreven? Was het niet een zeer onrealistische veronderstelling dat een leerling vanuit zichzelf interesse heeft in noodzakelijke kennis? En was het niet Ton van Haperen die in zijn aardige boek uit 2007 schreef dat “het pedagogisch-didactische concept van de zelfstandig lerende leerling helemaal nooit is ingevoerd”? Volgens Van Haperen is er — zeker op het vwo — sinds jaar en dag sprake van “traditioneel klassikaal onderwijs, waarvan de aanpak weinig anders is dan in bijvoorbeeld 1975.” Gelukkig maar.

“The most important thing is a person”

Toch wagen de educatieve uitgeverijen een nieuwe poging. Het ‘nieuwe leren’ in een digitaal jasje, onder het mom van ‘adaptief en gepersonaliseerd leren’. Hebben ze dan niets geleerd van het verleden? Is technologische ontwikkeling een rechtvaardiging om nogmaals dezelfde fout te maken?Terwijl Steve Jobs toch zo duidelijk was in een interview in 1995: “The most important thing is a person. A person who incites your curiosity and feeds your curiosity; and machines cannot do that in the same way that people can.”

Elke docent weet waar het om draait in het onderwijs. Bart-Jan Spruyt verwoordde het in 2013 duidelijk in Trouw: “Onderwijs is en blijft een vorm van kennisoverdracht. Er is een curriculum. Er zijn dingen waarvan wij als samenleving vinden dat kinderen die moeten weten. Dingen die de leraar weet, en de leerling niet. Dat mag ouderwets klinken, maar het is en blijft de kern. Het sluit helemaal niet uit dat je interactieve werkvormen gebruikt, door leerlingen bijvoorbeeld zelf informatie te laten verzamelen. Maar dat kan alleen als scholieren enige voorkennis hebben over een onderwerp. Hoe zouden ze de informatie die ze vinden anders moeten beoordelen?” Een centrale plek voor de docent dus.

Een lesmethode moet de docent ondersteunen

Als de grote uitgeverijen echt hadden geluisterd naar docenten en hun digitale behoeftes dan zouden er nu hele andere digitale lesmethodes worden ontwikkeld. Digitale lesmethodes die docenten helpen om betere lessen te geven, die het uitwisselen van kennis en ervaring stimuleren, die de docent de vrijheid geven om alle inhoud naar eigen inzicht aan te passen. Waarom bestaan deze (digitale) lesmethodes niet? Om dit te doorgronden, moeten we een aantal digitale ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs nader beschouwen. Hierbij moeten we voor economie en M&O in ieder geval kijken naar landelijke, digitale initiatieven, de grote educatieve uitgeverijen en — misschien wel het belangrijkst — docenten economie en M&O.

Landelijke initiatieven leiden tot teleurstelling

Er zijn in de loop der jaren heel wat — stevig met belastinggeld gesubsidieerde — online initiatieven langsgekomen. Verschillende namen, maar uiteindelijk allemaal aan elkaar gekoppeld: Kennisnet, Wikiwijs, VO-content. Ze hebben alle eenzelfde, tikkeltje ambitieuze doelstelling, zoals bijvoorbeeld VO-content: “Het ontwikkelen, in stand houden en exploiteren van een open digitale leermaterialen bank voor het voortgezet onderwijs.” En roepen uiteindelijk ook allemaal dezelfde reactie op bij docenten: teleurstelling.

In 2009 schreef Ferry Haan nog een enthousiast artikel in de Volkskrant over het project Wikiwijs en doe-het-zelf docenten die op een Wikipedia-achtige manier onderling hun lesmateriaal delen. “Van dit soort ontwikkelingen moeten de grote uitgeverijen in Nederland wakker liggen.” schreef Haan destijds. Tot slapeloze nachten heeft het echter niet geleid. In november 2010 berichtte Haan in de Volkskrant namelijk: “Het initiatief Wikiwijs met gratis lesmateriaal is bedreigend voor de onderwijsuitgeverijen. De uitgeverijen reageren door Wikiwijs vol te pompen met reclamemateriaal.”.

Er is vijf jaar later weinig veranderd. Wikiwijs is nog steeds een reclame-platform voor uitgeverijen. Doorklikken naar VO-content geeft toegang tot een zeer beperkte hoeveelheid lesmateriaal voor het vmbo.

Wanneer start men nou eens vanuit de inhoud?

Het continu mislukken van deze landelijke, online initiatieven kan simpel worden verklaard: men start vanuit de techniek (het opzetten van een digitaal platform of community), met een redelijk megalomane omvang (“het voortgezet onderwijs”) en gaat vervolgens op zoek naar inhoud. De verkeerde volgorde natuurlijk. Alles draait om de inhoud!

Deze inhoud moet komen van één of twee hoogopgeleide, bevlogen docenten die daar (misschien wel) jaren aan gewerkt hebben. Maar deze docenten zijn druk met lesgeven (25 lesuren per week!) of ontplooien hun eigen, lokale initiatieven, vooral voor eigen leerlingen. Daarnaast speelt de 1%-regel een grote rol: 99% van de online gebruikers draagt niet bij. Zij kijken toe vanaf de zijlijn en downloaden wat er beschikbaar komt.

De VECON is in beweging!

Onze eigen vakvereniging, de VECON, worstelt ook met dit probleem. Na advies van een extern bureau over de toekomst van de VECON, riep zij haar leden eind vorig jaar op: “De VECON is in beweging! Kom ook helpen! Voor de ondersteuning van de vakdidactiek wil de groep ‘Multimediale vakdidactiek’ een format ontwikkelen. We willen de overdracht van kennis en vaardigheden op het grensvlak van vakinhoud, didactiek en technologie optimaliseren. Heb je verstand van het organiseren van uitwisseling van kennis? Zie je het belang van zo’n format en wil je bijdragen aan de ontwikkeling ervan?”

De VECON is op zoek naar docenten die, op vrijwillige basis, meehelpen aan de technische en inhoudelijke ontwikkeling van een online platform. Een heel goed idee, maar ga er maar aan staan naast je lessen, voorbereiding, ouderavonden, rapportvergaderingen, mentorgesprekken… En is dit niet al vaker geprobeerd? Op VECON.nl wordt op dit moment ook lesmateriaal van docenten gedeeld. De inhoud voor “economie bovenbouw vwo” is volgens de site voor het laatst aangepast in 2006.

De frustratie en herkenbaarheid druipen er van af

Maar de behoefte blijft. Op beteronderwijsnederland.nl schrijft LeraresFrans in november 2014 het volgende: “Ik geef Franse les op een middelbare school in Hilversum. Ik ben slechts 23 jaar, maar ik heb zes hele leuke klassen die ik met veel toewijding lesgeef. Er zijn ontzettend veel middelbare scholen in Nederland en ik ken slechts de sectie van de school waar ik werk. Dit betreur ik. De lichtelijk afwachtende houding van mijn collega’s frustreert mij. Ik sta te springen om mijn werkvormen met ze te delen en ik ben enorm benieuwd welke zij toepassen in de lessen. We hebben hier te maken met vooruitgang en verandering en dit wordt naar mijn mening op menig middelbare school absoluut niet serieus genomen. Middels de community LerarenFransNL probeer ik werkvormen en problemen te delen van ons vak. Er zijn inmiddels 64 docenten Frans aangesloten, maar we zijn er nog lang niet. Er wordt namelijk door niemand initiatief genomen om actief lesmateriaal en lesactiviteiten uit te wisselen en ik vraag me af hoe dit komt. Dit probleem speelt bij ieder vak, iedere docent. Dit heb ik nagevraagd bij collega’s. Hoe kan het zijn dat men uit is op verbetering van het onderwijs wanneer men onderling geen contact houdt? We zijn losse eilanden en vinden steeds zelf opnieuw het wiel uit. Dit vind ik ontzettend bizar.”

De frustratie druipt er van af. De herkenbaarheid ook. Deze lerares Frans verwoordt waar velen van ons mee worstelen. In juni 2014, tijdens een discussie in Eindhoven waar het nieuwe examenprogramma M&O werd besproken, bleek dit opnieuw. Hoogopgeleide, bevlogen docenten economie en M&O, jong, ouder, ervaren, minder ervaren, wij zijn allen op zoek naar (vakdidactische) ideeën, werkvormen, lessen waarmee wij de toch vaak abstracte vakinhoud kunnen overdragen, waarmee wij onze leerlingen kunnen uitdagen, verbazen, enthousiasmeren……en aan het werk krijgen! Als het even kan digitaal, inhakend op de actualiteit, aansluitend bij de belevingswereld van de leerlingen en klaar voor gebruik. Feitelijk zijn wij allen op zoek naar een digitale lesmethode die dit aanbiedt.

Het papieren boek helpt ons niet

En dat is niet wat onze huidige lesmethoden, wat het papieren boek of de lesbrief ons biedt. Een boek waarvan eens in de vijf jaar een nieuwe druk verschijnt. Een boek dat regelmatig de lessen gijzelt volgens vakdidacticus Ton van Haperen in een artikel in NRC Handelsblad (19 april 2014): “En de lessen met een lage intensiteit zien er gemiddeld genomen zo uit. Eerst instructie aan de hand van het leerboek. Na een kwartier gaan leerlingen aan de slag en maken opdrachten. Het geluidsniveau neemt langzaam toe. Het gesprek tussen leraar en leerlingen gaat vooral over het doen van de taak, niet over inhoud, niet over leren. Een zoemer maakt een einde aan de bijeenkomst.”

De cash cows van de grote uitgeverijen

Je zou verwachten (of: hopen) dat de grote uitgeverijen docenten helpen bij het beschikbaar stellen en delen van digitaal lesmateriaal, creatieve, actuele ideeën en werkvormen die naar eigen inzicht zijn te gebruiken en aan te passen. Dat zij digitale lesmethodes ontwikkelen die de docent helpen om actieve, afwisselende lessen te geven. De educatieve uitgeverijen houden echter angstvallig vast aan hun papieren cash cows. Met relatief dure digitale ondersteuning in de vorm van antwoorden op de vragen in het boek en een digitale kopie van het boek.

De leerling gaat adaptief en gepersonaliseerd leren

Hoewel, het laatste jaar lijkt er iets te veranderen. Nieuwe, digitale lesmethodes schieten als paddenstoelen uit de grond. Vooral Malmberg timmert aan de weg met nieuwe digitale methodes voor geschiedenis, maatschappijleer, Nederlands, wiskunde, biologie en nu ook economie (onderbouw). De nieuwe methodes lijken echter vooral vernieuwend. Doorklikken langs de gelikte vorm naar de daadwerkelijke inhoud leert dat zij uiteindelijk een verlengstuk zijn van het bestaande boek: ‘platte’ tekst in een zwaar beschermd, digitaal jasje, waar de leerling zelfstandig, adaptief en gepersonaliseerd mee kan werken achter een tablet of computer. Het ‘nieuwe leren’ in een nieuw jasje.

Het heeft niets met de dagelijkse praktijk te maken

Eigenlijk ook logisch dat er nog steeds sprake is van een boek achter glas, waarbij de inhoud beschermd wordt door de uitgever. Dit is wat de uitgeverijen tientallen jaren hebben gedaan, waarvoor zij teams van redacteuren in dienst hebben, waar hun hele organisatie op is ingericht.

Belangrijker is dat het een digitaal product oplevert dat niets met lesgeven en de dagelijkse praktijk in de klas te maken heeft. De methodes negeren één belangrijk aspect: de belangrijke, centrale rol van de hoogopgeleide docent in het onderwijs. De docent die een verhaal in de klas vertelt, die de leerlingen weet te verbazen en te enthousiasmeren, met behulp van digitale ondersteuning.

Nieuwkomers bieden helaas meer van hetzelfde

Moet de echte vernieuwing dan komen van nieuwe partijen op de markt, zoals bijvoorbeeld Leswijs van Dedact voor de onderbouw economie (dat ook samenwerkt met het eerdergenoemde VO-content)? Voorlopig niet. Ook Leswijs heeft grote lappen tekst in een gelikt, digitaal jasje gehangen en zet in op “digitaal en gepersonaliseerd onderwijs”. Andere initiatieven, zoals Learnbeat (ook van Dedact) en Learntoo trappen in dezelfde valkuil als eerdergenoemde landelijke initiatieven: zij starten vanuit de techniek in plaats van de vakinhoud. Ze bieden een IT-platform (relatief makkelijk?) en verwachten dat de kwalitatief hoogwaardige inhoud vanzelf toestroomt.

Docenten nemen het heft in eigen hand

Landelijke initiatieven om digitale lessen te delen, blijken vruchteloos en educatieve uitgeverijen proberen de docent weer tot een ‘coach’ te maken met hun digitale lesmethodes. Logischerwijs nemen de docenten het heft in eigen hand. Zij staan elke dag voor de klas. Zij vertellen het verhaal, dragen de kennis over. Gewoonweg met een krijtje (hoewel deze bijna verdwenen zijn in de klas!) of met een presentatie op het scherm. Zij hebben behoefte aan een eigen, actuele versie van de grote lappen tekst in hun boek of lesbrief en proberen deze samen te vatten in een eigen, meestal digitale versie, die zij gebruiken in de les en delen met hun leerlingen en andere docenten. Zij vullen deze inhoud aan met kort beeldmateriaal (Arjen Lubach over hipsterkoffieketen Starbucks al gebruikt in de les?), krantenartikelen, infographics, statistieken, documentaires, noem maar op. Daarnaast zijn zij continu op zoek naar nieuwe werkvormen en lesideeën.

Maar de docent heeft het (te) druk

Omdat het (dikke) boek feitelijk door de docent wordt samengevat tot de essentie en verrijkt met (actuele) extra’s, is het voor veel leerlingen een verbetering ten opzichte van het boek. Maar verder verschilt het lesmateriaal niet veel van een gemiddeld boek; PowerPoint presentaties met ‘platte’ tekst en bullet points overheersen (precies de reden waarom PowerPoint helaas vaak wordt verguisd). De kwaliteit is wisselend. Het materiaal dekt niet het complete examenprogramma en kan dus hooguit als aanvulling worden gebruikt. En dat is niet verwonderlijk. “Voor ieder te geven lesuur krijg ik van mijn baas twintig minuten om onderwijs te ontwerpen. Dat gaat binnen dit tijdsbestek natuurlijk nooit lukken.” aldus Raymond de Kreek, docent geschiedenis in het NRC Handelsblad van 19 april 2014. De docent zit uiteindelijk nog steeds in de wurggreep van de grote uitgeverijen.

Wordt het niet eens tijd voor een echte digitale lesmethode?

De oproep van de VECON, de discussie tijdens de veldraadpleging M&O in Eindhoven, de frustratie van LeraresFrans en de teleurstellende digitale producten van grote uitgeverijen hebben mij het laatste zetje gegeven. Het is tijd voor een echte digitale lesmethode. Een lesmethode waarbij de docent centraal staat. Een methode die zich aanpast aan de docent. De docent moet in de les zorgen voor inhoud, structuur, actualiteit, afwisseling en actieve werkvormen. De docent moet daarbij geholpen worden met een examenwaardige set lesmateriaal die naar eigen inzicht is te gebruiken en aan te passen. Het uitwisselen van kennis en ervaring moet gestimuleerd worden.

Meld je aan!

De afgelopen vijf jaar heb ik gewerkt aan de ontwikkeling van digitaal lesmateriaal voor het gehele lesprogramma economie en M&O. Ik gebruik dit materiaal in mijn lessen en deel het met mijn leerlingen (die geen boek meer gebruiken), mijn collega’s binnen de sectie en een aantal scholen in het land. De reacties zijn zeer positief en leiden continu tot verbeteringen en aanvullingen. Het is tijd om deze waardevolle set lesmateriaal te delen met een grotere groep docenten en daarmee door te laten groeien, met in het achterhoofd de kritiek op de huidige ontwikkelingen.

Het startpunt is dus de docent, die de digitale, vernieuwende lessen voor het complete examenprogramma (geen boek in een digitaal jasje) kan downloaden en naar eigen inzicht aanpassen. In eerste instantie zal een deel van de docenten deze lessen gebruiken als aanvulling op een bestaand boek of lesbrief. Een andere groep zal onmiddellijk overgaan op digitaal, simpelweg omdat zij hier zelf al mee bezig zijn.

Daarnaast is de methode compleet, maar iedereen kan bijdragen om de kwaliteit van de lessen te verbeteren, inhoudelijk en didactisch. Niet op een Wikipedia-achtige manier maar via een centrale, inhoudelijke redactie van docenten die opmerkingen en suggesties verwerkt op een persoonlijke manier.

Dit schooljaar is een eerste versie beschikbaar voor het vak economie, later gevolgd door M&O (of beter: het nieuwe vak bedrijfseconomie).

Geïnteresseerd? Meld je nu aan op www.cumulus.co.

Henk Douna is docent economie en M&O op Het Amsterdams Lyceum