Coen Cornelis

Bijtend Stof, Trillend Licht (fragment)


Geboorte

Het begint bij het strand,
Korreltje korreltje,
Steentje in hand.
Korreltje steentje
Gerold en geplant

EERSTE STEM
Er is en er was en er zal zijn, deze plek.
Waar alles begint, waar lucht is en wolken en ruimte.
Waar tijd is, hier, nu.
Waar tijd aanbreekt, altijd, het nog te beginnen al van de tijd.
Waar dan, waar deze ongeboren, ochtendfrisse plek?
En wat is er, vertel wat er is, dat er water is, zeewater en dat er gras is, duingras, en vooral wat er te horen is. Dat we dit horen:
de halfslachtige en zandhongerige golven soms en soms de hoge en zeezoute meeuwen, soms de puffende wind, maar vaker, vaker nog de stillere geluiden, van stil zand, mensloos en zee en rust.
Waar tijd jong is, geen rol speelt.
Daar dus.
Daar speelt de zon met de gedachte aan verwachting,
aan vervulling, aan de ontknoping van het hopen.
Het knappen van de spanning in de zoute lucht.
Omdat de zon, de volle, hittende zomer, niet kan wachten.
Omdat het wil, dat er, en niet morgen maar nu,
dat er bestuiving, bevruchting, verwekking.
Bestuiving. Bevruchting. Verwekking.
En dan het kneden en knarsen, het malend knarsen van scheppende gedachten, van makend denken.
(beat)
Wacht, te moeilijk. Terug.
Zand, ja?
Dan zon. Euh… stralen, licht, euh… warmte licht.
Licht op zand, ja? Dus zand in zon.
Maar, zon niet zon, zand niet zand. Niet zand niet zon.
Zand wel aarde, euh, stof.
En zon, euh, zon zeggen: ‘kijk stof’.
Met licht zeggen: ‘kijk stof, kijk!’
En zon pakken stof, ja zon pak/ken stof.
(onderbreekt zichzelf)/Hoe?
Zon pakken stof hoe?
Zon pakken stof met handen.
Handen! Wind-waterhanden.
En kneden, knarsen, malend knarsen.
Uit stof, later groen, laten groeien.
Duin sprieten, gek vallende kapsel sprieten als haar.
En knolgroei onder de sprieten, hoofdknol.
En oogies, gekkig, en pootjes.
Met dunne vingertjes, van wriemel botjes met streepje vlees en lapje huid.
En de handen, wind-waterhanden, trekken jouw omhoog.
Uit zand geboren, met water gevoed, door zon bedacht.
Jij bent het Windekind. Geen winterkind, het Windekind uit waterland,
van zandkastelen en meeuwen schreeuwen dat ze de zee wel rauw lusten.
En zeewier om je oogies, je waterdroppelglinster oogies.
Die scherp nog kijken, nog zonder denken, nog borelingen rustig nog.
In sluimerwereld nog ochtend, nog de zon zo laag over golven scherend en toch jou zien, jou.
In dit land, deze lange streep van zand naar links of rechts.
Eeuwig links, eeuwig rechts. Naar voren zee, naar achter duin. Het langeland.
Kind in langeland. Vers kind, één-enig kind.
(beat)

(de korte vraag-antwoord dialoog die volgt is niet een gesprek maar moet worden benaderd als een tweestemmige monoloog)

STEM
Ben jij de zee?

STEM
Van water zijn jouw ogen, maar zee ben je niet.

STEM
Ben jij het strand?

STEM
Van zand zijn je benen, maar strand ben je niet.

STEM
Ben jij de wind dan, vers schuimwit Windekind?

STEM
De wind, nee, de wind zijn jouw gedachten die nog nooit hebben gewaaid.

STEM
En de zon, de zon dan?

STEM
De zon dat is je vader, jawel, je vader, de zon.

(beat)

EERSTE STEM
En de zon is in je rug, zal zijn in je rug.
Slaap maar nu, zachter dan je huid, dan het hoogste opgestoven zachte zand.
Het komt nog, alles is de rust, de toekomst is alles.
Toe maar liefie, oogies toe.
Toe maar.
Mijn windstil liefie.

(beat, verandering van licht)

EERSTE STEM
Zie het is nacht. Na de schaduw van sluierschemer is het nu echt zwart, nu echt nacht.

Alles behalve stil, de wind maakt plaats voor andere geluiden, de meeuwen schrapen hun keel, slikken slokken zeewater, en vinden in het duister van hun visgestreelde strot hun zangstem terug. Heldere krachtige zeemelancholie, uit honderd kelen, zingende snavelklepperkelen. Driekwartsmaat. En de krabben uit hun zeewieren huizen kruipen de zoutlucht in en klakken met hun kaken, knippen de nacht aan gort, tot vonken van hun scharen spatten en hun kraalogen dansen als vlammetjes. Duizenden lichies in langeland, lichies in stippelstrandland.

En maan stuift zilverlicht neer. Alle zand van strand komt van maan. In zand van maan door licht van zon groeide Windekind, ons liefie. Nu wakker geworden. Beweegt zich langzaam, kruipend met knietjes over schelpenzand, tussen ruis van schuim van aangespoelde netten, felblauw en dof oranje. Slecht te zien in licht van wrakhouten vuren langs de eeuwige kust. En er is genoeg aan nachtparels en schatkamers van zeevogel eiergoud om je een koning te wanen, maar geen weet nog heeft Windekind van dit. Kind is nog dier nog, moet mens nog worden, zoekt nog naar vorm en kleur om in mond te stoppen, hersenvoedsel, om te groeien en groeien doet het Windekind, tuinkersgroeien doet het. Zo snel als zeevogels scheren kunnen, zo groeiend maar nog groen, nog niet praten kan het. Zou wel willen zeggen, als het kon zou het, dan zou het zeggen, gewoon nog woorden maar geen zinnen, maar zou zeggen zoiets als.

WINDEKIND
Korreltje korreltje
Lichie lichie
Beesie beesie
Vissie vissie

EERSTE STEM
Daarvoor komt de tijd nog, de nieuwe dag, de koolgegroeide nieuwe dag. Eerst nu de nacht bewaren, slapend in duintjes van maanzand, in buik van maan, in warmte en koelte en opgeborgen rust.

(beat)

EERSTE STEM
(rustig en warm voorgelezen, bijna fluisterend)
Stil nu, stoor niet het slapend kind. Het mag niet merken, nu de zandkastelen als schelpenbehangen zalen om hem heen worden gebouwd. Hoe vele zandmannen met kleine emmertjes en schepjes aan het bouwvakken zijn. Dat deze bij de gratie van de nacht levende wezens, zo trouw hun taken uitvoeren. Hoe de zandmannenkoning geruisloos zijn aanwijzingen doorgeeft: ‘Iets meer schelpen aan de wand daar en ik wil een balkon, maak daar een gang naar een doolhof en maak een doolhof.’ Zo knarst de zandmannenkoning en geen zandman die hem niet begrijpt. Deze nacht is wederom het begin. Dit is de nacht waarin een kind in één klap opgroeit tot mens, van dier naar mens. En zie hoe de zandmannen water dragen, het aan de voeten van Windekind gooien, zie hoe ze hem met parellicht beschijnen, hoor hoe ze hun zandzangen uitspreken, hoe de lucht is vervuld van hun kleine lispelende stemmen. Maar de zandmannenkoning heeft iets speciaals in gedachten.

ZANDMANNENKONING
(spreekt zijn volk toe als een vorst)
Mijn beste volk van zand, hoor ik spreek. Ik spreek hardop. Wij zijn hier vannacht bijeengekomen voor de opgroeiing van een nieuw kind. Een kind dat nog slaapt in diepten, maar dat wij zullen waken. Want dat, beste zandmannen, is onze heiige taak. Jaar in jaar uit, nacht in nacht uit, waken wij de pasgeborenen. En vannacht, mijn volk? Zullen wij onze taken uitvoeren? Komen wij tot ons doel?

ZANDMANNEN
Zandzeker!

ZANDMANNENKONING
Ik sta hier voor jullie van zand tot zand. De korrels van mijn lichaam zijn de korrels van jullie lichaam en de korrels van jullie lichaam zijn de korrels van mijn lichaam. En ze komen van over de hele wereld, de zwarte korrels van de vulkanen, de doorzichtige uit het kristal van de bergen, de grijze van de rotsen, de gele uit de woestijn en de zilveren van de maan. De hele wereld is verenigd in ons lichaam. Wij zijn één volk, één strand, in één lichaam!

ZANDMANNEN
Één volk, één strand, één lichaam!

ZANDMANNENKONING
En niet alleen de vereniging van alle steensoorten in ons zelve, wat toch het hoogste goed is, waar wij toch zo trots op zijn, maakt ons het rijkste en hoogste volk van alle volkeren, neen! Wij zijn ook nuttig. Gezworen onze taak te doen, dienen wij de rest van alle wezens. Om het in oud zands uit te drukken: ‘bij ons en in ons ontslaapt het leven en in ons en bij ons waakt het leven weder in’. De heiige boeken van het zandskriet zeggen dan ook: ‘uit zand zullen ze komen en tot zand zullen ze wedergaan’. En is dat geen waarde, mijn beste zandmannen en zandjongelingen? Zijn wij niet het meest eerzame volk dat tussen duin en zee te vinden is?

ZANDMANNEN
Zekerzand!

ZANDMANNENKONING
En als wij zo blijven werken en alle rituelen voltrekken, nacht na nacht, dan beloof ik jullie mijn zandvolk, dat er eens een tijd gaat komen dat het voor eeuwig nacht zal blijven en dat we voor elke zandman een zandvrouw zullen vinden, dat elke zandman een zandhuis en een drijfzandbad bezit. De tijd van armoede en ongelijkheid nadert zijn einde. Leve het zandvolk.

ZANDMANNEN
Hoezand hoezand hoezand.

ZANDMANNENKONING
Laten wij zingen het lied van de zandvrouw.

(gezang)

EERSTE STEM
En ze zongen, ze zongen tot hun kelen schor en schuurpapier waren. Ze zongen ze allemaal, de ode aan de eeuwige nacht, het lied van de zee, de krabbenwals, de serenade van een zeemeeuw, het zoutschuimwindelied, de hele bundel heiige hymne aan de maan, de zeelanders psalmen onder begeleiding van het koraalorgel en melanchofoon, het lied van morgen, het lied van overmorgen, en zoals bij elke opgroeiing het lied van het lover groen. En onder de galmende kelen van het strand, die als kleuren over het Windekind heen stroomden, voltrok de opgroeiing zich tot de voltooiing van het kind, tot alle gaten in de geest gedicht en dier tot mens geweven werd. En juist op het moment dat het Windekind zijn ogen opende, vielen van de rand van de zee de eerste druppels ochtendlicht de wereld binnen. Het waren dikke gouden druppels die de zandmannen lieten smelten tot verdrietige hoopjes, die vrijwel onmiddellijk door de ochtendwind vlak gestreken werden, want de nieuwe dag moest strak en fris beginnen, zo had de dageraad besloten. Het is maar een triestig volkje die zandmannen, ze werken tot hun zand verpulvert tot stof en de hoop die ze koesteren op de eeuwige nacht is niets meer dan zaagsel. Een triestig maar ook een nuttig volkje. Armende zielen, armende armende zielen en schrijnend schoon.


Uit: Bijtend Stof, Trillend Licht, een vrije bewerking van De kleine Johannes met invloeden uit Under Milk Wood, door Coen Cornelis.


Toneelteksten van Coen Cornelis variëren van epische poëzie tot science fiction, van fetisjisme tot familievoorstellingen met een zwarte rand. Altijd zoekend naar manieren zijn schrijven te vernieuwen schuwt hij geen enkel experiment. Bijtend Stof, Trillend Licht — waarin hij poëzie samensmeedde met toneel — is een coming of age met taal die schippert tussen fantasierijke kinderspraak, muzikaal beeldende natuurbeschrijving en extatische monologen.

Coen studeerde in 2013 af aan de schrijfopleiding van de HKU. Hij is naast toneelschrijver dichter, en werd meervoudig geselecteerd voor het NK Poetry Slam. Als toneelschrijver werkte hij samen met acteurscollectief Theater Frascati, De Hollanders en regisseurs Eva Tijken en Davy Pieterse. Bijtend Stof, trillend licht werd genomineerd voor de ITs Playwriting Award 2013.

De Tekstsmederij koppelde Coen aan regisseur Olivier Diepenhorst (toneelschuur producties, winnaar Ton Lutzprijs 2013). Onder begeleiding van Paulien Geerlings (dramaturg Toneelmakerij) en Danielle Wagenaar (regisseur) werken zij samen aan een nieuwe toneeltekst.