En toen zag ik Botafogo

Tom Dieusaert
Jun 3 · 11 min read

Het water stroomt in beekjes de steile Rua Laranjeiras af. Het is half tien ‘s morgens en er is zo een tropische stortbui uit de lucht gekomen dat je je afvraagt hoeveel dagen dit zal duren. Ik huppel over de wit zwarte steentjes van de stoep, probeer om niet uit te glijden of in een diepe plas te stappen en ook niet te nat te worden. Gelukkig zijn mijn gelegenheids voetbalmaten van het punctuele soort. De zwarte Volkswagen Fox staat netjes te wachten met aangedampte ruiten op de hoek van Laranjeiras en Rua Alegrete. Eens binnen maak ik kennis met respectievelijke vaders Edu en Belo en diens zonen João en Jonas. Er speelt een samba van Ze Pagodinho op de radio. Het is zover, ik ga eindelijk een match van Botafogo bijwonen en daar kan zelfs het onweer niets tegen inbrengen.

Stoelendans van stadions

Als we de rua Laranjeiras naar beneden rijden — Rio de Janeiro is tussen heuvels en enorme rotsen (morros) gebouwd — zou je verwachten dat je rechts afslaat naar de volgende buurt, die van Botafogo, maar we gaan links de tunnel van Santa Barbara in, op naar het centrum van de stad, de haven en het mythische Maracaná stadium. En we rijden nog verder. Het duurt zeker een half uur door allerlei minder leuke stadsdelen vooraleer we aan het stadion Nilton Santos aankomen, of beter bekend als Engenhão. Het stadion van Botafogo sinds een vijftiental jaar.

In Zuid-Amerika is het niet abnormaal dat een club in een andere buurt speelt dan van waar ze afkomstig is. Tigre in Argentinië speelt bijvoorbeeld in Victoria. Chacarita in San Martín. Maar hier is het wel een beetje over the top. De supporters van Botafogo moeten bijna 20 kilometer naar de andere kant van de stad — gelukkig is het zondagmorgen en is er weinig verkeer — om hun ploeg aan het werk te zien. Flamengo, de meest populaire club van Rio en waarschijnlijk van Brazilië, speelt in het Maracaná, waar ook aartsrivaal Fluminense speelt. Hoe komt dat? Botafogo (genoemd naar een Portugees galjoen, “de vuurspuwer”) en Flamengo (genoemd naar een rijke Vlaamse slavenhandelaar) zijn twee wijken uit de betere côté van de stad en men kan zich voorstellen dat wanneer die clubs groeiden en een nieuw stadion nodig hadden, de bouwgrond te duur was geworden. Of dat er in het bestuur met geld geknoeid werd en dat delen van de grond verkocht waren voor persoonlijk gewin.

“Botafogo had vroeger eigen terreinen rond de hoofdzetel van de club (die is er nog, niet ver van Copacabana) maar die werden verkocht,” zegt Edu. “En nu staat er een shopping center?” vraag ik. “Ja,” met een gezicht van hoe weet je dat? “Dat was ergens in de jaren 50, gaat Edu verder. Daarna speelde Botafogo ook in het Maracaná” “Daar kon toch 200.000 man in niet?” “Ik ben ooit een match gaan zien met 211.000 toeschouwers. Dat was een kwalificatiematch voor het WK van ’70 tegen Paraguay…..” Edu vertelt het alsof het gisteren was. “Botafogo is opnieuw verhuisd na de Panamerikaanse spelen van 2004. Toen had men dit Olympisch stadion gebouwd en dat stond leeg na de spelen en het werd in concessie gegeven aan de meest biedende club.”

Een mooi stadion, het Engenhão of officieel Nilton Santos, een van de historische figuren van el Fogão, de bijnaam van de club met de lone black star. We hebben ons aan een benzinestation geparkeerd en wandelen naar het stadion langs dichte drommen Botafogo en Vasco supporters. Je kan ze moeilijk uit elkaar houden, ze spelen allebei in het zwart wit. Botafogo met verticale strepen, Vasco met een sjerp over de borst, zoals Perú of River Plate. Maar de ambiance is erg gemoedelijk. Kan je niet voorstellen in Argentinië, waar alleen de supporters van de thuisploeg zijn toegelaten voor competitiewedstrijden. Er zijn zelfs moeders bij met baby’s in een draagzak. De supporters van Vasco zijn in treurstemming want de ploeg is in crisis en ze hebben posters bij waar het ontslag van het bestuur geëist wordt. Vasco staat op de laatste plaats van de nationale competitie, de Brasilerão. Daarnaast heb je ook nog een lokale competitie, tussen de clubs van Rio de Janeiro. “Mag de winnaar van de lokale competitie naar de Brasilerão?” “Neen,” vertelt Belo (bijnaam wegens afkomstig van Belo Horizonte) “In de zomer heb je het lokale toernooi, dan vanaf maart de Brasilerão waar de beste 20 ploegen van het land aantreden. De beste ploegen mogen naar de Libertadores of de Sudamericana en de vier laatsten degraderen. Voor Botafogo is het altijd aanklampen. We staan nu tiende,” aldus Belo

Brazilië is geen land maar een continent dus de Brasilerão kan je vergelijken met de Champions League. In elke grote stad heb je minstens twee grote ploegen en als we over groot spreken, hebben we het niet alleen over de nationale en internationale titels maar ook het aantal torcedores of fans.

“In Rio heb je vier grote clubs. Flamengo heeft met stip makkelijk de helft van de supporters. Dan volgt Vasco met een 25%. Dan Fluminense met 15% en dan wij.” (ik reken uit: één op tien cariocas is voor Botafogo) Wij zijn de kleinste grote club van Rio!” zegt Belo en hij voegt er aan toe wie de andere grote 13 Braziliaanse clubs zijn: “In Porto Alegre heb je Inter en Gremio. In Sao Paulo heb je Palmeiras, Corinthians, FC São Paulo en Santos. In Belo Horizonte is er Cruzeiro en Atletico Mineiro….” Dan moet Belo even denken over de dertiende. “Bahia” (uit San Salvador de Bahía)!” roept Belo alsof hij een puzzel heeft opgelost.

“Maar zoals gezegd, wij zijn een club met een groot verleden maar die al heel lang geen titel meer gewonnen. De laatste bloeiperiode was een zestal jaar geleden toen de Nederlandse vedette Clarence Seedorf hier kwam uitbollen. Toen hebben we zelf een paar rondes in de Libertadores gebekerd. “Hoe kwam Seedorf hier terecht? Door zijn Surinaamse roots misschien? (Suriname grenst aan Brazilië)“Neen, hij had een Braziliaanse vrouw en kwam hier veel,” zegt Edu. “Zijn vrouw was torcedora van Botafogo en hij kwam af en toe kijken en zo is hij bij de club betrokken geraakt.”

Seedorf is duidelijk een legende hier. Zijn naam prijkt nog op de achterkant van menig polyester shirt, als we aanschuiven aan de betonnen trappen. Maar Botagofo heeft een reeks van legendarische spelers: Jairzinho, Didi, Quarentinha, Amarildo, Mario Zagallo en Nilton Santos. Naar Nilton Santos is het stadion genoemd, maar de meest legendarische speler van Botafogo is ongetwijfeld: Manuel Francisco dos Santos, beter bekend als Mané Garrincha.

“Je moet je voorstellen,” vertelt Belo. “In zijn topmoment was Nilton Santos de beste linksmiddenvelder van Brazilië. En dan kwam er een mannetje aan met een krom been, en die dribbelde Nilton tot twee keer toe voorbij. Nilton Santos zei: geef die man een contract! En Garrincha zou daarna op de positie van Nilton Santos zelf spelen.” “Garrincha was eerder door zijn gebrek afgewezen door clubs als Fluminense, Vasco en aan paar anderen,” weet João, amper 20 jaar maar met een encyclopedische kennis van de clubgeschiedenis. “Maar zijn gebrek bleek zijn wapen.” Over Garrincha had ik al het een en ander gelezen in het prachtige boek “De Gouden Kanarie” van August Willemsen. Maar hier heb ik met Edu en Belo twee mannen vóór me die hem live aan het werk hebben gezien.

“Hij werd O alegria do povo genoemd (het plezier van het volk)” aldus Edu. “En dat was volledig terecht. Het was meer een circusact dan een voetballer. Hij dribbelde zijn tegenstrever helemaal zot. En in plaats van zijn mannetje voorbij te gaan, kwam hij terug om die opnieuw te dribbelen. Iedereen lachen en joelen. Het resultaat deed er niet zoveel toe.” Garrincha zou nooit zoveel roem vergaren als Brazilië’s grootste en waarschijnlijk de beste ooit ter wereld, Pélé (“die kon echt alles: dribbelen, schieten, koppen, passen geven en hij liep als een haas”, aldus Belo). Maar daarvoor had Garrincha zijn levensstijl niet mee: Terwijl Pélé fin de carriere in een net pak reclame maakte voor Mastercard, besteedde Garrincha zijn geld op George Bestiaanse wijze. Hij werd geen 50 jaar.

Fan van Botafogo

In mijn vriendenkring is het niet abnormaal dat men naast supporter van een Belgische club ook sympathie heeft voor een club uit het buitenland. Ik ken zelfs iemand die regelmatig het Kanaal oversteekt om naar FC Liverpool te gaan kijken. Deze man werd naar verluidt gegrepen door de Reds toen LFC tegen Club Brugge moest spelen voor de Uefa Cup, in 1976. Ik denk dat ik in dezelfde match Brugge supporter ben geworden. Maar in mijn geval kwam dat niet door de dribbelkunsten van Raoul Lambert of het charisma van Ulrik le Fèvre, maar simpelweg omdat mijn vader Brugge-fan was. Net als je naar een cowboyfilm begon te kijken en je vroeg wie de goeien en de slechten waren, kreeg je een duidelijk antwoord.

Maar goed, men kan er een Erasmus uitwisseling of doctoraatsthesis aan wijden om te onderzoeken hoe de mensen supporter worden van een bepaalde club. In het geval van Botafogo: ik heb geen Braziliaanse vader dus de clubkleuren zijn niet genetisch doorgegeven. De underdog? Dat romantische verleden? Het speelt zeker mee, maar de kleurencombinatie is ook belangrijk. Met alle sympathie voor het project van Germinal-Beerschot uit de jaren ’90, maar je zal me niet snel achter een purper-oranje-rode vlag zien gaan lopen. Zelfs al loopt daar ene Simon Tahamata zijn kunsten te vertonen (naar het schijnt voetbalt die nog ergens).

Daarentegen: zwart-wit. Ying en Yang. Goed en kwaad. Juventus, het is een hatelijke club maar prachtige kleuren. Charleroi. Ja wie nog? Santos, de club van Péle. Al moet het gezegd, het shirt van Flamengo (rood/zwart) vind ik ook niet mis, net als dat van Fluminense (groen rood en wit). En vooral dan art-deco letters op de schildjes die verwijzen naar een ver verleden toen sport nog iets voor gentlemen was. In het geval van de Braziliaanse voetbalclubs is dat ook letterlijk te nemen: Flamengo, Fluminense en Botafogo waren begin 20e eeuw roei- en scherm clubs, gelegen rond het meer van Rodrigo de Freitas.

Het voetbal is ontstaan als een extra-curriculaire activiteit en heeft op een bepaald moment het roeien voorbij gestoken in populariteit. Maar de roeiclub van Botafogo bestaat nog steeds en het is via die insteek dat ik de club heb leren kennen. Botafogo heeft zelfs een Belgische roeier in zijn rangen, Augustin Wambersie die dit jaar slagman was op de mythische Cambridge-Oxford race. Maar nu weid ik uit.

Er is nog trouwens nog een goede reden waarom een Belg supporter wordt van Botafogo: de mascotte is niemand minder dan Manneken Pis. Ooit werd dit standbeeld cadeau gegeven aan de stad door één of andere Belgische consul om de culturele banden tussen beide landen aan te snoeren, maar de autoriteiten van Rio stopten het onwelvoeglijke beeld ergens weg in de stad… vlak vóór de zetel van de voetbalclub. Nu wordt Manequinho, zoals het beeldje heet, bij elk kampioenschap behangen met de zwart-witte kleuren. Of door andere ploegen gevandaliseerd. Tien jaar geleden werd het familiejuweel van el Manequinho gestolen (waarschijnlijk door rivaliserende supporters) en sindsdien is zijn plasser vervangen door een bronzen prothese.

De match dan

We nemen plaats in de zitjes van de hoge tribune. Het mooie stadion lijkt half leeg. Er is naar verluidt een kleine 20.000 man en vrouw op een totale capaciteit van 35.000. Onder ons hoor je een permanent tromgeroffel. Het is een beetje onheilspellend (zullen scheids- en lijnrechters na de match ritueel opgegeten worden?) maar dan gaat het ritme over in vrolijke samba. Er gaan mannen rond met koelboxen die blikjes Brahma uitschenken (ook ondenkbaar in het Argentijnse voetbal). Ze hebben t-shirts met een prijslijst van de dranken.

De aftrap wordt gegeven maar het is echt een bedenkelijke partij. Botafogo krijgt geen één degelijke kans aan mekaar gebreid. Vasco is ook niet vet maar toch nog iets gevaarlijker. Er gaat zowaar een schot tegen de paal en de Botafogo-goalie haalt met de reflex een gemaakte goal eruit. Zou het aan het natte grasveld liggen … of aan de middelmatige kwaliteit van de spelers? Ze lijken moeilijk de bal de te kunnen bijhouden. Het is zeker minder intensief en passioneel dan in Argentinië maar dat heeft zijn voordelen, je kan er een beetje een lijn in ontdekken. In Argentinië loopt een speler 4 meter met een bal, doet een dribbel, probeert nog een dribbel, wordt gestopt, dan loopt een andere 4 meter met een bal, gaat een man voorbij, wordt gestopt etc. etc. Hier is er een spelpatroon, maar het is traag en slordig. Er wordt links een aanval opgezet en dan verwacht men dat men in het midden naar voor stormt om daar te koppen of de voorzet binnen te werken. Maar er is niemand meegekomen. In Europa zou al snel een molenwiekende, briesende, coach aan de zijlijn krijgen. Hier zie je de coach niet. Er is wel een VAR. Dat merk ik aan de supporters die tussen hun kreten zoals “Filho da P…” en opgestoken middelvingers, bij een discutabele fase, met een schuimbekkend gezicht denkbeeldige vierkanten in de lucht beginnen te tekenen.

De moderniteit is ook… zucht. En dan plots, een hoekschop, geharrewar voor het doel van Vasco, een gekruist schot en de zwart-witte massa veert op . 1–0. En dat is ook ongeveer het enige wapenfeit van de match.

Als we na een bezoek aan het toilet (hoort bij een vaste stadion-tour: “hoe zou een urinoir in Brazilië er uitzien”. Valt echt goed mee!) naar buiten wandelen, hoor ik enkel tevreden gebrom.

“We staan nu virtueel vijfde. Degraderen lijkt moeilijk. Misschien kunnen we zelf nog Europees spelen,” zegt Jonas. En wat vond je van de match? “Een rotmatch,” lacht Jonas. Eerlijkheid, het belangrijkste kenmerk van een echte voetbalfan. Nu goed, denk ik bij mezelf, het was geen slecht debuut als Botafogo-fan. Stel dat je begint met een verlies, al is het onverdiend, begin je meteen te twijfelen of je wel juist gekozen hebt. Daarentegen is winnen, zelfs als je slecht speelt, altijd goed. Vraag dat maar aan mijn kennis die in Madrid naar LFC is gaan kijken.

FC Socrates

Football wisdom

Tom Dieusaert

Written by

Reporter. Writer. South America. Biking. Rowing. Twitter @argentomas. Recently published “Computer Crashes” on Air disasters.

FC Socrates

Football wisdom