Kritisch theater kijken

Jef Mellemans

Waar het vlakke land gaat plooien (Toneelgroep Maastricht)

Vooraf

Of je nu ‘supporter’ bent, een gewone toeschouwer, selecteur of jurylid, we kijken naar toneel en vormen ons graag een oordeel. Deze beoordeling is altijd zeer persoonlijk, uiterst subjectief. Het zegt vaak meer over onszelf dan over de voorstelling. Smaken verschillen.

Elke toeschouwer is anders geïnformeerd, anders opgeleid, kijkt op zijn eigen manier naar de wereld en heeft een eigen opvatting over het verschijnsel theater. Het verwachtingspatroon verschilt soms enorm. De één wil lachen en amuseert zich kostelijk, terwijl de ander wil zien hoe zo een komedie wordt aangepakt en zich stierlijk verveelt.

We vergelijken altijd appelen met citroenen.
Ballekes in tomatensaus (De Lustige Slijters)

We oordelen vaak door voorstellingen met elkaar te vergelijken. Maar voorstellingen verschillen vaak heel sterk van elkaar, al was het maar door het genre. Een komedie verlangt een andere benadering dan een tragedie. Een jeugdvoorstelling is moeilijk te vergelijken met die van geroutineerde spelers. De kwaliteit van de tekst varieert. Dus we vergelijken altijd appelen met citroenen. Er bestaat nauwelijks zoiets als een objectieve kwaliteitsmeter, een referentiekader waaraan een voorstelling kan worden getoetst.

Degelijke normen en maatstaven ontbreken of staan ter discussie. Meestal herleidt de vraag naar de kwaliteit van een voorstelling zich tot vrij algemene antwoorden op even algemene vragen als: Heeft het mij geboeid? Vond ik het mooi? Heb ik hartelijk gelachen? Ben ik er door ontroerd? We zoeken dus antwoorden in de emotionele sfeer.

Kwaliteit is een elastisch begrip. Wie amusement wil brengen en daarin slaagt, heeft zijn doel bereikt. Ook wie een sociale activiteit met zijn groep beoogt en hierin zijn publiek kan betrekken, heeft zijn doel bereikt.

En toch

Veel toneelgroepen willen weten of ze goed bezig zijn, of ze talent hebben, waarin ze hun hobby nog kunnen verbeteren en wat een objectieve toeschouwer ervan vindt.

Naast ontspanning en sociale bewogenheid streven ze ook naar artistieke kwaliteit, ze beoefenen immers een kunstvorm. Is het mogelijk om in een concrete taal iets objectiefs en dus zinvols en bruikbaars over een voorstelling te zeggen?

Rakelings (Kollektief Karambool) tijdens Spots Op West 2016

Een kader

Een voorstelling wil ons iets vertellen en gebruikt daarvoor tekens:

  • Die tekens zijn de woorden, hun verschillende betekenissen, de intonatie of wijze waarop ze worden gezegd.
  • Daarnaast beschikt de acteur over zijn lichaamstaal die je herkent in zijn mimiek, zijn gebaren, zijn bewegen en stilstaan.
  • Hij gebruikt hierbij ook materiële middelen zoals zijn kostuum, zijn grime en de rekwisieten en vooral het decor in een bepaalde ruimte.
  • Tenslotte wordt hij ook bijgestaan door enkele technische middelen zoals belichting, muziek, geluid, projectiebeelden, enz.

Over elk van die tekens kunnen wij ons vragen stellen. Als we de betekenis ervan begrijpen, weten we — dankzij de structurele middelen — wat die voorstelling wil vertellen. Zijn die tekens niet duidelijk, dan krijgen we een vertelling die leeg is, plat, vervelend, ééndimensionaal, niet uitdagend, chaotisch, onverstaanbaar, geforceerd…

Een productie staat ook niet los van de buitenwereld en van zijn makers. Ze is vernieuwend of klassiek. Ze heeft voeling met de maatschappelijke problemen of niet. Ze blijft steken in de goede bedoelingen of weet mij te raken. Enzovoort.

Love Me Tender (AMA Productions)

Een voorstelling bekijken

1. Het technische niveau

We kijken naar de objectieve, waarneembare kwaliteit van een teken, naar de eigenschappen van de acteurs en het technisch correcte gebruik van de materiële hulpmiddelen als geluid, licht, decor, kostuums, grime en multimedia.

2. Het psychologische niveau

Speelt de acteur geloofwaardig? Hoe geeft hij zijn personage gestalte? Stroken de tekens met de psychologie van het personage? Geloven we hem?

3. Het dramaturgische niveau

Dit is het uitgesproken terrein van de regie. We onderzoeken of de tekens in het verhaal het juiste verband hebben, elkaar aanvullen, tegenspreken, andere betekenissen bovenhalen, enz. Dit is het niveau van het concept, de betekenisvolle vorm. Wat heeft de toneelmaker met alle concrete middelen ervan gemaakt?

4. Het magische niveau

We kijken om als toeschouwer geraakt te worden. Dit is het terrein van de smaak en absoluut individueel en dus subjectief. Eigenlijk is dit de reden waarom we spelen en kijken.

The elephant man (Loge 10 Producties)

… en vragen stellen

1. Technisch

Praat die acteur verstaanbaar? Spreekt de acteur de gewenste taal (dialect, stotterend, …)? Zit de tekstkennis goed? Zie ik spelvreugde? Is het tempo juist gekozen? Zijn er ‘lege’ stiltes, stokkende momenten? Is de klankband, ongewild, een kakofonie? Te luid? Te stil? Is het decor (scenografie) verzorgd, slordig, functioneel? Is de juiste sfeer of kleur bereikt? Zit een deel van het podium in het donker? In welke mate bevordert of het belet het decor het spel? Verloopt de belichting correct, of met sprongen? Welke technische componenten zijn interessant, overbodig, misplaatst? Is het overleg tussen kostuumontwerper, decor- en lichtregie merkbaar? Zitten er anachronismen in de voorstelling? Bewust of niet? Is de grime en het gebruik van maskers verzorgd? Verloopt de overgang tussen de verschillende decors (niveaus) vlot? Zijn de overgangen goed ingevuld? Toon de regisseur zijn vaardigheid bij groepsscènes? Zijn de crescendo’s collectief goed aangebracht? Is er aandacht besteed aan de pointes in een scène? Is er goed gebruik gemaakt van de ruimte (podium,zaal)? Zitten de toeschouwers comfortabel (zichtbaarheid, afstand…)

2. Psychologisch

Klopt de bewegingstaal met het personage? Zijn de personages typetjes of geloofwaardige personen? Komen alle facetten van het personage aan bod? Is de casting juist? Draagt de fysionomie van de acteur het personage? Voel ik me door een bepaald personage aangetrokken om naar te kijken? Kan de acteur de emoties van zijn personage duidelijk genoeg maken? Is er sprake van al dan niet gewilde overacting? Is de psychologische ontwikkeling van het personage duidelijk? In welke mate helpt welk technisch middel voor de tekening van het personage? Zijn de handelingen geladen met betekenis, motieven? M.a.w. zijn het ‘acties’? Werkt een ‘afstandelijk’ spelen voor het begrijpen van het personage? Verloopt de interactie tussen de personages correct? Mime, dialoog, lichaamstaal? Zie je de acteur ‘zijn best doen’ om zijn personage geloofwaardig te maken? ‘Liegt’ de acteur soms? Weet de acteur -waar nodig - zich op een natuurlijke wijze te gedagen?

3. Dramaturgisch

Krijg ik bij het begin de juiste ‘sleutels’ om de theatertaal van de voorstelling te begrijpen? Kan ik spreken van een ‘stijl’ bij deze voorstelling? Is er eenheid van stijl, of zie ik stijlbreuken? Gemotiveerd? Zijn er coupures gemaakt in de tekst? Verantwoord? Volgt de regisseur slaafs de tekst? Loopt hij er te ver van weg? Komt de vertelstructuur overeen met de inhoud? Heeft de regisseur zijn dramaturgisch huiswerk gemaakt? Juiste interpretatie? Is de bewerking beter, duidelijker dan het origineel? Is er een concept? Consequent volgehouden? Wordt er acteerspel opgeofferd aan het concept? Spelen de acteurs ook de subtekst? Is de hand van de regisseur (te) nadrukkelijk aanwezig? Is het ritme van de voorstelling juist gekozen en goed uitgevoerd? Is het decor een metafoor of een reële nabootsing? Hebben de materialen en hun vormen een dramaturgische verwijzing? Is de enscenering verantwoord, te nadrukkelijk, chaotisch? Dienen de technische middelen het genre, de sfeer, het concept? Waar haalt de regisseur zijn inspiratie? Is er ergens sprake van plagiaat? Kiest de regie voor fragmentatie of continue opbouw? Kan ik spreken van een zoeken naar vernieuwing? Hoe en in welke mate? Is de voorstelling helder? Of bewust diffuus gehouden? Is de intentie van de theatermaker duidelijk? Geeft de voorstelling commentaar op de actualiteit of staat ze er compleet los van? Wordt geweld en gruwel getoond, geësthetiseerd, becommentarieerd? Spreek je van een sobere voorstelling of is ze overladen, rijk, te schraal? Experimenteert de maker? Is de voorstelling conventioneel? Ervaar je dit als positief of niet?

4. Magisch

Was ik aangenaam verrast? Of teleurgesteld? Heb ik geboeid, gefascineerd gekeken? Of was ik verveeld of geërgerd? Werd ik ontroerd, geroerd? Is de regisseur geslaagd in zijn opzet en stemt mij dit positief of niet? In welke mate wil ik deze voorstelling aan anderen aanraden? Zijn er momenten waarvan ik nu weet: ‘Dit vergeet ik nooit’? Waarnaar gaat mijn sympathie in deze voorstelling? Waaraan heb ik mij het meest geërgerd? Is dit een nederige voorstelling of getuigt ze van pretentie? Met wel emotioneel geladen woord zou ik deze voorstelling omschrijven? Ben ik moreel geschokt geweest bij deze voorstelling?

Wat is de grote verdienste van deze voorstelling? Waarin kan de groep (gezien deze voorstelling) nog groeien?

Roze Kate (Theater Platteau)

Waardering in cijfers

Met wat goede wil kunnen we onze beoordeling op een dubbele as weergeven, zodat we er een visueel beeld van krijgen. Op elke as noteren we onze waardering op 10. Op de linker as (T) voor de technische laag. Op de rechter as (P) voor de psychologische laag. Op de neerwaartse as (D) voor de dramaturgische aanpak en op de bovenste as (M) voor het magische, de algemene impact. Drie voorbeelden maken dit duidelijk.

Schema A is een bijna perfecte voorstelling
In schema B zien we een ‘platte’ voorstelling. Technisch goed uitgevoerd, maar de regisseur heeft er niet veel mee aangevangen en het heeft bijna niemand aangesproken.
Schema C vertelt ons dat er niet zo schitterend werd geacteerd, de techniek was onvoldoende en de regie was bijvoorbeeld weinig origineel. Maar het publiek vond het prima!

Uit ‘Theater van Nu en Straks’ (op&doek 2010)

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.