03 De lagere school (1955–1959)

Stevige ondersteuning

Mijn loopgips maakte indruk op mijn nieuwe klasgenootjes op de Van Marleschool te Deventer. 
Nog meer indruk maakte ik door uit Amsterdam te komen. Geen positieve indruk, want Amsterdammers waren vreselijke mensen. Dat hoorden ze van hun ouders, die het weer in de krant hadden gelezen. 
Ik kreeg een stevige klasgenoot toegewezen, die mij moest ondersteunen. Hij vond het een erebaantje en hielp me bij het betreden en verlaten van de school en ondersteunde me op het schoolplein. Nog bedankt Henk!

Taalproblemen

De toenadering tussen ‘Oost’ en ‘West’ verliep wat stroef, niet in het minst omdat we elkaar in het begin niet konden verstaan. Het platte Deventerse dialect was moeilijk te begrijpen en mijn Amsterdamse jargon klonk hen ongetwijfeld ook vreemd in de oren. Maar na een jaar waren we redelijk aan elkaar gewend. Een alternatief was er ook niet.

Een bekende Nederlander

Mijn vader was inmiddels een bekende striptekenaartekenaar geworden met zijn strips Pim, Pam en Pom en Rikki Visser
Televisie was nog een schaars goed en vrijwel iedereen las een krant. Naast Rikki Visser was mijn vader met een nieuw strip begonnen:Brommy & Tommy dat de volgende 25 jaar in Het Parool zou verschijnen.

In Deventer werd hij met een halve pagina in het Deventer Dagblad verwelkomd. Toen mijn moeder ook nog eens leskwam geven op mijn lagere school, was het feest compleet. Ik kende vrijwel niemand in Deventer, maar iedereen wist wie ik was. 
Mijn vader verwerkte soms persoonlijke details in zijn strips. Politie-inspecteur Rikki Visserwerd verliefd op de charmante boef Frank Voge (..) en Brommy & Tommyreden later op een Puch, toen ook ik zo’n hippe brommer had. 
Voor de kenners waren er regelmatig parallelle aanwijzingen te vinden over wat ik in mijn jeugd meemaakte.

Een nieuw schoolsysteem

Waar ik ook aan moest wennen, was het schoolsysteem. Niet de vrijheid van de Montessorischool, waar kinderen veel meer kunnen inspelen op hun interesse in een specifieke leerstof. Op mijn nieuwe school was het gewoon degelijk, klassikaal onderwijs. Niets mis mee, maar ze liepen wél een jaar achter bij mijn Amsterdamse school. Dus verveelde ik me, ging klieren en werd een vervelend betwetertje. Ik wist het altijd beter dan de onderwijzer, want ik had het allemaal al eens gehoord of gelezen. Bovendien had ik erudiete ouders, die boeiend konden vertellen over kunst, films, boeken en poëzie. En de makers van al dat moois kwamen ook wel eens bij ons thuis. Art meets art… 
Dus werd ik regelmatig de klas uitgestuurd, om op de gang over mijn zonden na te kunnen denken. In de vijfde klas stond ik bijna dagelijks op de gang; ik leerde er toch nog iets van. Het was als het ware een oefening in eenzaamheid. Om op jezelf terug te kunnen vallen. Dat kwam me later nog wel van pas als ik ergens een hele ochtend of middag vergeefs had staan liften. Verder verliep de lagere school probleemloos. In 1959 was dat hoofdstuk voorbij.

© Frank van Exter

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.