11 La douce France (1965)

De voorbereiding

Toen ik mijn ouders vertelde dat ik druiven wilde gaan plukken in Frankrijk, protesteerden ze niet. Integendeel, mijn moeder vroeg slechts wáár ik dat wilde gaan doen. Een goede vraag, waarover ik nog niet had nagedacht. We hadden wel eens gekampeerd in de Bourgogne en ik wist wel dat er wijn vandaan kwam. Ik antwoordde dus: De Bourgogne.

Ik had gehoord dat vanuit Twello — niet ver van Deventer — er wekelijks een vleestransport naar Parijs vertrok. Ik ging op mijn Puch naar de fabriek en sprak een chauffeur aan met de vraag of ik mee mocht rijden. Hij vroeg of ik Frans sprak. Ik beaamde dat, waarop hij zei dat hij geen lifters mee mocht nemen, maar voor mij een uitzondering wilde maken. Ik vroeg hem waarom hij dat deed. Hij zei dat hij een meisje kende in een Frans wegrestaurant en dat ik voor tolk moest spelen. Omdat ze elkaar niet konden verstaan. We spraken af wanneer en waar hij me op zou pikken.

En route

Op de afgesproken dag en tijdstip kwam hij inderdaad opdagen. Ik had slechts weinig bagage bij me, want meer ervaren lifters hadden me verteld dat je anders niet werd meegenomen. Dus een flinke tas met schone kleren, toiletspullen en mijn mondharmonica. Mijn jas was een groen legerjack uit een legerdump. Een goede beslissing zou later blijken. 
Ik had honderd gulden gespaard en dat was best een aardig bedragje in die tijd. Ik had geen flauw benul van prijzen in Frankrijk, maar de waarde in Franse francs was indrukwekkend.

We hadden een probleemloze rit en de conversatie in de truck was moeizaam. Niet alleen door het lawaai, maar ook omdat de chauffeur zenuwachtig was over de aanstaande ontmoeting met het meisje van zijn dromen. Hoewel hij veel ouder was dan ik, vroeg hij aan mij wat hij allemaal moest zeggen en verklaren.

Le relais Routiers

In het wegrestaurant was het bomvol met chauffeurs en de muziek stond ook niet zacht. Gelukkig was de aanbedene dame aanwezig. Ze stond achter de bar de klanten te bedienen, terwijl haar collega’s het eten uit serveerden. Het maakte er de conversatie niet gemakkelijker op, maar het vertalen ging me goed af. De chauffeur was verbaal niet zo sterk, maar ik fleurde zijn zinnen op met liefdevolle woordjes en romantische betekenis. Het werkte als een trein en de geliefden straalden. Waar ik het allemaal vandaan haalde verbaasde me zelf, maar thuis — ik had Francofiele ouders — werd er regelmatig aan tafel Frans gesproken. Ik kon me goed redden in die taal. Maar in de liefde was ik nogal onervaren.

Les Halles de Paris

We kwamen in de Parijse Hallen aan, toen nog in het hart van Parijs gelegen. Het was er onvoorstelbaar druk. Met vrachtauto’s die aan het laden en lossen waren, met kraampjes waar je van alles kon kopen, met eettentjes en met veel, heel veel mensen. Het was inmiddels middernacht en het was een fascineren spel van licht en donker.

Ik nam afscheid van de chauffeur en ging op zoek naar een nieuwe lift, richting de Bourgogne. Dat was niet gemakkelijk in die enorme drukte, maar ik kreeg van een behulpzame Fransman de tip om op nummerborden te letten, evenals op de opschriften op vrachtwagens. Daar was ik wel even zoet mee en ik had inmiddels trek gekregen.
Ik ging in de rij staan voor een frietkraan, tussen mannen in avondkleding en vrouwen in stola’s.
Het bleek voor Parijs een nouveauté te zijn. Wat heet, de eerste frietkraam in heel Frankrijk volgens de wachtenden. Tout Paris stond er voor in de rij. Ik ook.

Dijon

Na lang zoeken en vragen vond ik een chauffeur die naar Dijon ging en me wel wilde meenemen.
Als tegenprestatie hielp ik hem met het laden van zijn vrachtwagen. Het was al weer licht toen we Parijs verlieten. Om tien uur ‘s ochtends bereikten we Dijon. 
Na een kop koffie met croissants ging ik op zoek naar een Bureau de Tourisme om informatie te vinden over de druivenpluk. Die verwezen me naar het Bureau de Travail, want het bleek dat je in Frankrijk een werkvergunning moest hebben, ook als druivenplukker. De ambtenaar keek me wat meewarig aan, toen ik kenbaar maakte dat ik druiven wilde gaan plukken. Of ik enig idee had wanneer druiven rijp zijn voor de pluk? Dat wist ik niet en ik leerde dat dit op zijn vroegst half september zou plaatsvinden. De teleurstelling moet op mijn gezicht af te lezen zijn geweest, want de man maakte toch een werkvergunning voor me gereed, voorzien van de nodige stempels.
Hij gaf me ook een adres. Van wijnboer Tardy in Couché, een kleind dorpje niet ver van Dijon.
Gelegen langs de beroemde Route des Grand Crus.

Monsieur Tardy

Het kostte me een hele middag, in de brandende zon, om het kleine eind naar Couché te liften.
Toen ik op de poort van monsieur Tardy klopte, zag ik er vermoeid, stoffig en dorstig uit. Monsieur Tardy deed zelf open en bestudeerde het document dat ik van het arbeidsbureau had gekregen aandachtig. “Entrez François”, zei hij, mijn naam op het document negerend. En François zou ik altijd voor hem blijven. 
Ik vroeg om een glas water, maar hij zei dat er in Frankrijk geen water gedronken werd en zeker niet bij een wijnboer. Hij ging me voor, de kelder in en doopte een pipet in de sponning van een groot wijnvat. Deed zijn vinger op de hals van de pipet en liet vervolgens de vingertop weer los boven een wijnglas. De wijn was heerlijk koel en ik dronk gulzig, hoewel ik helemaal niet gewend was om wijn te drinken. Het steeg me ogenblikkelijk naar mijn hoofd.

Monsieur Tardy loodste me weer naar boven en we begonnen een gesprek aan de keukentafel. Hij vertelde me dat de oogst pas ergens in september zou beginnen, maar dat ik alvast welkom was. Hij had in een grote schuur permanente slaapplaatsen (opmerkelijk genoeg noemde hij die bunks) voor de plukkers die elk jaar in groten getale kwamen helpen. Hij vond het interessant om over Nederland te praten, dat internationaal nogal in de belangstelling stond door de Provo-rellen in Amsterdam.

Hij zal zich ongetwijfeld ook wel een beetje verantwoordelijk hebben gevoeld voor zo’n onervaren puber die niet eens wist dat druiven pas in het najaar worden geoogst. 
Ik werd aan zijn vrouw voorgesteld, die behoorlijk krom liep. Ze vertelde dat dit kwam door een leven lang cassisbessen plukken. ‘S avonds mocht ik mee-eten en maakte ik kennis met de zoon des huizes. Die was ergens in de twintig en niet helemaal goed bij zijn hoofd. Overdag trok hij met een geweer de heuvels in om op konijnen te jagen. 
Toen ik al enige tijd bij de familie Tardy logeerde, vermoedde ik dat mijn verblijf en onze gesprekken een gedeeltelijke compensatie was voor het gemis aan een normaal contact met hun zoon. Niet dat dit onderwerp ooit ter sprake kwam. 
De familie Tardy was buitengewoon gastvrij en ik at alle dagen mee. Ik voelde me best bezwaard, maar als ik over een bijdrage in de kosten begon, werd dat onmiddellijk weggewuifd. Ik hoefde ook niet te helpen met andere werkzaamheden.

Club des Jeunes

De scholen in Frankrijk zijn in juli en augustus gesloten, wat betekende dat de jeugd in Couché zich kapot verveelde. ‘s Middags was er een soort ontmoetingscentrum voor de plaatselijke jongeren in de Salles des Fêtes met de toepasselijke naam Club des jeunes
Monsieur Tardy introduceerde me op een middag bij de jeugd, in het vertrouwen dat ik mijn weg wel zou weten te vinden. Naast veel jonge kinderen waren er ook een paar jongens en meisjes van mijn eigen leeftijd. Natuurlijk waren ze nieuwsgierig waar ik vandaan kwam. Van Deventer hadden ze nog nooit gehoord, maar Amsterdam kenden ze allemaal. De kennis bleef wel beperkt tot het Red Light District en de Provo-rellen
Er was vrijwel niets voorhanden om je te vermaken en ik herinner me eindeloze kaartspelletjes. waarvan de regels voortdurend werden veranderd. Die Hollander was makkelijk voor de gek te houden, maar alles was beter dan doelloos voor je uit te staren.

Odette

Odette, de dochter van een wijnboer uit Couché, bracht leven in de brouwerij. Ze studeerde Engels in Dijon, wat prettig was om eventuele taalmisverstanden in het Frans te duiden. We vonden elkaar aardig en hadden interessante gesprekken over van alles en nog wat. Ze nam me mee naar feestjes in Dijon, waar ik bij haar vrienden en vriendinnen een graag geziene gast werd, louter en alleen omdat ik uit Amsterdam kwam. Ze hadden van de televisie begrepen dat een legerjack hét Provo-uniform was. Ik liet ze maar in die waan, om mijn status als wereldbestormer in stand te kunnen houden. Over de Provo’s kon ik gelukkig boeiend vertellen en ik speelde mondharmonica op muziek van de Rolling Stones. Nu ik Odette kende, was het kaarten in de Club des Jeunes afgelopen.

In zo’n klein dorpje gaat de informatie razendsnel en de vader van Odette had zijn dochter er op aangesproken dat ze heel veel met die Hollandse jongen werd gesignaleerd. En dat moest afgelopen zijn. We waren inmiddels in een wat meer amoureuze fase beland en wellicht had iemand ons hand-in-hand zien lopen of erger nog, ons zien kussen. De andere jongens uit het dorp waren jaloers en hadden ongetwijfeld over ons geroddeld. Onze ontmoetingen verplaatsten zich naar een betonnen bushokje aan de rand van het dorp, waar we ongezien de toenadering tussen Frankrijk en Nederland konden voortzetten.
Vaders en hun dochters, ik had het allemaal al eerder meegemaakt.

Versterking uit Nederland

Ik had mijn ouders een enthousiaste brief gestuurd over de gastvrijheid van de familie Tardy en andere wetenswaardigheden over Couché en deRoute des Grands Crus. Natuurlijk had ik hun mijn adres gegeven en gevraagd om mijn vrienden te vertellen dat ik het reuze naar mijn zin had. Dat de boodschap was aangekomen, merkte ik toen op een dag mijn vriend Geke Speek in Couché opdook. Hij had ene Harry bij zich, die ik niet kende. Geke had toestemming van zijn ouders om druiven te gaan plukken, maar Harry was van huis weggelopen. 
Het was inmiddels eind augustus en de twee jongens mochten van monsieur Tardy ook in de schuur slapen en mee-eten. Buitengewoon genereus. 
Het was prettig om de laatste nieuwtjes uit Nederland te horen en op mijn beurt kon ik ze de weg wijzen in het dorp en de omgeving. Lastig was wel dat Harry geen woord Frans sprak en Geke moeite had om zich zijn schoolfrans te herinneren

Het oogstfeest

Eindelijk brak dan de plukperiode aan. In de aanloop daarvan werd er een groot feest georganiseerd in het dorp. Om de goden gunstig te stemmen, maar vooral ook om nog even te ontspannen vóór het grote werk zou aanvangen.
Wij werden als Nederlandse gasten op het feestpodium genodigd en mochten plaats nemen naast de burgemeester en andere notabelen. 
We voelden ons hierdoor behoorlijk gestreeld: we hoorden er bij! 
Er werd natuurlijk overvloedig wijn gedronken en er kwamen ook heerlijk hapjes uit de keuken van de Salle des Fêtes
De volgende week arriveerden de rest van de plukkers, veel studenten uit Dijon, maar ook verschillende plukkers uit Parijs.

Le vendange

In september kan het nog behoorlijk warm zijn, zeker als je druiven aan het plukken bent. We begonnen dus vroeg en hielden in de late namiddag weer op. 
‘s Morgens kregen we een kom zwarte koffie met een scheut Marc de Bourgogne, reden daarna op een platte kar achter de tractor naar het veld en begonnen om een uur of half acht met de pluk.
Plukken is niet het goede woord, want de druiventrossen werden verwijderd met een kromme schaar, speciaal ontworpen voor het oogsten van druiven. Er waren niet alleen plukkers, maar ook sjouwers die de volle manden naar een kar brachten.

Om een uur of half tien kwam de boerin met het ontbijt: vers stokbrood, kaas, paté en nog meer koffie. Tegen die tijd had je behoorlijk trek na twee uur onafgebroken knippen. En pijn in je rug ook, althans de eerste dagen. Maar alles went. 
Als het veld dicht bij het dorp lag, werd de lunch, een stevige warme maaltijd, op de boerderij genuttigd. Maar er lagen ook velden verder weg en dan zochten we de schaduw van een boom op om wat koelte te krijgen. Waar ik vreselijk aan moest wennen was de wijn, die bij de maaltijd werd ‘geserveerd’. Je had door het werken altijd dorst, maar de combinatie van zon en wijn was niet erg geschikt om te werken. Die wijn liet ik zoveel mogelijk staan.

De sfeer was altijd opperbest. Er werd niet geklaagd, maar ook nauwelijks gesproken. Je moest je goed concentreren op je werk. 
‘s Avonds was er weer een warme maaltijd, meestal soep, stokbrood en een groetenschotel of iets dergelijks. De eerste week was iedereen na een dag werken op het veld bekaf en de wijn maakte het er niet beter op. Iedereen zocht bijtijds zijn ‘bunk’ op. Odette zag ik ook nauwelijks. De colleges waren al lang weer begonnen en ‘s avonds was er altijd nog steeds het ‘vaderlijk oog’.

Au revoir

De weken vlogen voorbij en de laatste trossen werden in oktober van het veld gehaald. Het was tijd om afscheid te nemen van de familie Tardy en van Odette. Odette en ik wisselden adressen uit, maar van enig contact is er nooit meer iets gekomen. Dat had ik ook niet verwacht en naar ik aanneem, Odette ook niet. 
Met de familie Tardy lag dat anders. Ik heb ze in de volgende jaren nog vaak bezocht. Ze bleven altijd even gastvrij. Ik mocht dan mijn tentje in de wei opzetten en werd steevast ook op het eten uitgenodigd. Ik zal deze aardige mensen nooit vergeten.

Ik had ook met een paar Fransen vriendschap gesloten en Philippe, een jongen uit Parijs nodigde me uit om langs te komen als ik weer naar het noorden ging. 
Geke en Harry vetrokken ook; naar later bleek kwamen ze in Zuid-Duitsland terecht waar één van hen een vage kennis had. Toen ik ze een jaar later weer tegenkwam, bleken ze als knechten bij een rondreizend Duits circus gewerkt te hebben.
Wat minder vrolijk was dan het leek, want Harry was daar verslaafd geraakt aan de heroïne en stierf kort daarna aan een overdosis.

Parijs

Philippe woonde nog bij zijn ouders in Saint-Denis, een grauwe voorstad van Parijs. Hij was opgeroepen voor de Franse dienstplicht begin januari en had tot die tijd niets te doen. Het herinnerde mij er aan dat ook ik binnenkort opgeroepen zou kunnen worden. 
Philippe vond het leuk dat ik langs kwam, want hij verveelde zich te pletter. Gelukkig vonden zijn ouders het ook leuk en ik werd gastvrij ontvangen. 
Philippe had een neef die iets ouder was dan wij en een baantje had als bezorger van allerlei zoet-zuur artikelen die bij winkels en restaurants moesten worden afgeleverd. In zijn bestelauto was voorin ruimte voor nog twee personen en wij mochten mee Parijs en omstreken in. Af en toe dropte hij ons voor sightseeing en pikte ons dan weer aan het eind van de middag op. Ik bleef een hele week logeren en leerde Parijs kennen door de ogen van zijn inwoners.

Ik leerde ook iets van het Parijse Argot
Toen zijn neef op het Place de la Concorde bijna werd aangereden door een andere automobilist en er een verhitte woordenwisseling ontstond, kapte neef de discussie af en beet de andere bestuurder toe: “pauvre type”. Een dodelijke belediging…

Ik dorst niet té lang hun gastvrijheid op de proef te stellen en vond bovendien dat het tijd werd om naar huis te gaan. Het was inmiddels november en het werd steeds kouder. 
Voorzien van een bordje Pays-Bas liftte ik in één dag naar huis. Mijn ouders waren blij me weer gezond en wel te zien en ik had natuurlijk veel te vertellen. 
Opmerkelijk was dat ik met honderd gulden vertrokken was en met hetzelfde bedrag weer thuis kwam. Ik had als druivenplukker natuurlijk wel wat verdiend, maar klaarblijkelijk schandalig geprofiteerd van al die genereuze Fransen. Laat niemand ooit een kwaad woord over Fransen zeggen. 
Gelukkig kon ik in de jaren daarna die gastvrijheid ‘terugbetalen’. Om eerlijk te zijn deed ik dat niet persoonlijk, het waren mijn ouders die vrienden, vrienden van vrienden, ooms van vrienden of volslagen vreemden op bezoek kregen. Allemaal met een briefje waarop mijn naam en adres stond.
Mijn ouders vonden het erg leuk om op deze manier hun Frans te kunnen ophalen, maar door gebrek aan logeerruimte werden ze allemaal naar de camping verwezen. Het heeft wel tien jaar geduurd voordat die stroom bezoekers opdroogde.

© Frank van Exter