peter bruyn
Feb 22 · 12 min read

Nieuwe albums van The Irrational Library en Nachtfilter

De flirt van poëzie met pop en rock; een lange traditie

In mijn zoektocht naar taal ben ik heel diep gegaan,’ zegt Jan Damstra in het overtuigende openingsstuk ‘Spreker’ van het album ‘Dat Ik Een Schreeuwer Was’, dat hij maakte onder de naam Nachtfilter. ‘Mijn taal leek een langgerekt ventilatiekanaal,’ heet het een paar regels eerder. Damstra doolt, omgeven door elektronische, vaak donkere ambiëntmuziek, en voelt zich ‘een kwanselaar, een zwartjurk, een preker’, totdat het bevrijdende van de taal zich aan hem openbaart.

Vrijwel tegelijk met het album van Nachtfilter verscheen aan het begin van dit nog jonge tweede coronajaar het inmiddels derde album van The Irrational Library, ‘We…are Doomed’. ‘I believe that writing poetry can be a painkiller, but not the cure for a poisoned world,’ klinkt het Amerikaanse stemgeluid van Joshua Baumgarten tegen een zware ‘rockgroove’ van bas, gitaar en drums.

Het zijn beiden Haarlemmers, Damstra en Baumgarten. Ze kennen elkaar ook. Damstra treedt al decennialang her en der op als ‘performance-dichter’; ook op festivals en avonden die georganiseerd zijn door Baumgarten, de Amerikaan die een jaar of twintig geleden vanuit New York naar Nederland kwam. Beiden combineren poëzie met muziek. En hoe verschillend die muziek, het taalgebruik en de attitude ook zijn, toch voelen beide albums op een bepaalde manier overeenkomstig. Wellicht omdat er meer gesproken dan gezongen wordt tegen een achtergrond van instrumentale muziek. Maar gaat die overeenkomst dieper? En is er mogelijk spraken van een traditie waarin beiden geworteld zijn?

Ik besloot tot een bescheiden tournee door mijn platenkast. Associatief vooral en niet te formeel. En ook zonder vooraf het begrip ‘poëzie’ te definiëren. Daar brand ik hier liever mijn vingers niet aan — zeker niet binnen het bestek van een paar regels of een alinea. Wel is het zinvol om het te onderzoeken terrein eerst even goed af te bakenen. Baumgarten en Damstra zijn beiden dichters die muziek ‘gebruiken’ bij het overbrengen van hun poëzie. Dat is dus iets anders dan ‘poëtische songteksten’, of liedteksten van een zanger die daarnaast ook poëzie schrijft, zoals Leonard Cohen — wiens songs overigens door insiders hoger aangeschreven worden dan zijn gedichtenbundels, maar dat terzijde.

Ook hiphop is nadrukkelijk een andere discipline, omdat daar de rap niet alleen een vrijwel symbiotisch geheel vormt met de beats, maar de tekst ook feitelijk geen bestaansrecht heeft los van die beats. De categorie schrijvers of dichters waartoe ik mij bij mijn platenrondgang beperk, publiceren hun teksten in veruit de meeste gevallen ook schriftelijk — zonder muziek. En die teksten blijven ook zonder die muziek op eigen kracht overeind.

Omdat dit geen academisch studie is begin ik niet eeuwen geleden bij de rederijkers, West-Afrikaanse griots of middeleeuwse troubadours, maar pak ik de cd-boxen ‘The Beat Generation’ en ‘The Jack Kerouac Collection’ uit de kast. De Amerikaanse beatschrijvers en de jazzmuzikanten uit de jaren vijftig, dat ging goed samen. Die hadden een ‘click’. Ze herkenden de ‘American hipster’ in elkaar, zoals Jack Kerouac bij aanvang van het album ‘Blues and Haikus’ uit 1958 zegt, waarop schrijver te horen is samen met de saxofonisten Al Cohn en Zoot Sims. Kerouac leest en beide blazers improviseren achter hem. De tekst staat hier nog centraal en beide jazzmannen beperken zich tot spontane instrumentale omlijstingen. Maar qua sfeer komen die weldegelijk al overeen met wat Baumgarten en Damstra op hun respectievelijke bovengenoemde albums doen.

Een dikke vijf jaar na ‘Blues and Haikus’ vormden de ‘tweede generatie beatdichters’ Ed Sanders en Tuli Kupferberg met een handvol muzikanten de groep The Fugs. Op de albums van de band die vanaf halverwege de jaren zestig verschenen zijn echter vooral speciaal voor The Fugs door hen geschreven liedjes te vinden. Brutaal, voor die tijd vaak provocerend, soms op het platte af en gegoten in een basaal folkrock-format. Maar niet de teksten die Sanders en Kupferberg doorgaans op papier publiceerden. Wel bewerken ze op hun derde officiële album, ‘Virgin Fugs’, Allen Ginsbergs beroemde poëtische beatmonument ‘Howl’ tot een folkrockliedje. Maar in feite ‘samplen’ ze gewoon een paar sleutelzinnen en maken daar hun eigen meezinger van. Ginsberg zelf doet trouwens niet mee. Hij is alleen op een latere Fugsplaat te horen waar hij een paar maten ‘Hare Krishna’ zingt.

Zelf begint Ginsberg overigens in de jaren zeventig met het opnemen van zijn teksten met muziek die uiteindelijk in 1982 verschijnt op het dubbelalbum ‘First Blues’. Niet alleen schrijft de beatdichter een handvol liedjes in Dylan-stijl, de legendarische singersongwriter speelt zelf ook mee, net als folkgitarist Happy Traum en later avantgarde-cellist Arthur Russell. Hier zingt Ginsberg, dus eigenlijk kun je ‘First Blues’ het beste een ‘folkplaat van een dichter’ noemen. Maar op een ander album uit deze periode, dat Ginsberg samen met de rockgroep Still Life opneemt, leest hij een drietal van zijn bekendste gedichten, terwijl Still Life een voortdurende rockgroove speelt. Dat komt al behoorlijk in de buurt van wat The Irrational Library doet. Eén van die gedichten, ‘Birdbrain’, neemt Ginsberg in 1981 in een aanzienlijk ruigere uitvoering ook nog eens op voor een single met de groep The Gluons — een versie die Baumgarten op het lijf geschreven lijkt.

In de jaren zeventig staat er weer een volgende generatie Amerikaanse — lees ‘New Yorkse’ — beatschrijvers op die nog nadrukkelijker een connectie heeft met de muziek en rockcultuur. Het bekendste is natuurlijk Patti Smith. Vooral op haar debuutalbum ‘Horses’ uit 1975 en de single ‘Piss Factory’ die daar nog aan vooraf gaat. Hier is de connectie met haar vier poëziebundels die aan haar debuutalbum voorafgaan — Seventh Heaven (1972), Early Morning Dream (1972), A Useless Death (1972) en Witt (1973) — overduidelijk. En andere New Yorkse schrijver die in de jaren zeventig poëzie publiceerde, in 1978 doorbrak met het autobiografische ‘The Basketball Diaries’ en vervolgens begin jaren tachtig enkele platen opnam is Jim Carroll. Maar op die albums — vooral de eerste, ‘Catholic Boy’ is een aanrader! — manifesteert hij zich primair als voordragende rockzanger, en niet als dichters. ‘Catholic Boy’ is ook een echte rockplaat. En het goede, die in de vorm van het nummer ‘People who Died’ een meermaals gecoverde klassieker bevat. De teksten staan afgedrukt op de LP-hoes. Daar zijn ze ook meer thuis dan in een poëziebundel.

Dan even de overstap naar Engeland. Daar is ook een traditie van dichters die zich met pop- en rockmuziek bezig houden. Maar die is nadrukkelijk anders dan in de Verenigde Staten. De dichters Roger McGough, Adrian Henri en Mike Evans, ondersteund door een handvol muzikanten, presenteren zich in de tweede helft van de jaren zestig als The Liverpool Scene — geïnspireerd door Allen Ginsberg en met John Peel als grote fan. Ze pendelen moeiteloos tussen poëzie, puur Engelse pop en stand-up comedy en sluiten daardoor ook moeiteloos aan bij de oer-Britse cultuur rond Monty Python en de Bonzo Dog Band. En dat is toch wel een andere sfeer dan die waar de albums van Nachtfilter en The irrational Library zich bevinden.

Ook The Liverpool Scene heeft navolgers, zoals John Cooper Clark, de hyper-neurotische spraakwaterval die eind jaren zeventig ook veel in ons land te zien is en moeiteloos de lachers op zijn hand weet te krijgen met de ene woordentsunami na de andere. Maar ook hij lijkt zijn best te doen om van zijn gedichten ‘liedjes’ te maken, die op zijn albums, vooral in de vroege jaren tachtig, op ritmebox en elektronische klavieren wordt ondersteund door Martin Hannett en Steve Hopkins. De afgelopen decennium omhoog geschoten Sleaford Mods kunnen in diezelfde traditie beschouwd worden, al snijden zij in veel gevallen relevantere maatschappelijker thema’s aan dan Cooper Clarke. Maar in feite is Sleaford Mods toch primair een punkgroep met ‘praatzang’ en niet zozeer een dichter die zijn of haar poëzie voordraagt in combinatie met muziek.

Dan zijn er nog de dichters die uit de schoot van de soul of de reggae voortkomen, of daar nadrukkelijk tegenaan schurken. Voor de op Jamaica geboren Linton Kwesi Johnson geldt — net als voor de beat-dichters, Patti Smith en ook Baumgarten en Damstra, dat hij al poëzie publiceerde voordat hij die met muziek ging combineren. En net als Baumgarten heeft Johnson altijd stevig de vinger aan de pols van de maatschappelijke actualiteit gehouden. Zijn meest befaamde gedichten schreef hij in de tijd dat racisme nog een hot item was in het destijds door Margareth Thatcher hardhandig in een neoliberale richting gezweepte Verenigd Koninkrijk. Maar qua vorm wijkt het op de plaat gezette werk van de Jamaicaan sterk af van dat van de Nederlanders. Johnsons stem is — net als in de hiphop — veel meer een instrument in het totale muzikale plaatje. Hij neemt automatisch de cadans van de reggae aan, waardoor de woorden bijna ondergeschikt wordt aan de ‘riddim’.

Dat is veel minder het geval bij de Amerikaanse Last Poets, al heeft die groep in de ruim een halve eeuw van haar bestaan zoveel verschillende incarnaties beleefd, dat je nauwelijks nog van één stijl kunt spelen. Ze worden de ‘godfathers’ van de hiphop genoemd, maar hebben even zo gemakkelijk affiniteit me de ‘beatgeneration’ en met de rockpoëzie van Patti Smith. Als je bijvoorbeeld Umar Bin Hassan zijn tekst voor hoort dragen in het stuk ‘Homesick’ van het Last Poets-album ‘Holy Terror’ uit 1993, dan is de link met de furieuze performance van Baumgarten op ‘We…are Doomed’ direct duidelijk.

In ons eigen land manifesteerden in de jaren zestig en zeventig dichters als Simon Vinkenoog, Johnny van Doorn en Jules Deelder — aanvankelijk nog Julius the Joint! — zich reeds als ‘performance poets’. Maar muziek speelde daarbij in eerste instantie nog niet zo’n belangrijke rol. Een van de eersten die gedichten opnam tegen een achtergrond van elektronische ‘grooves’ was Ton Lebbink met zijn album ‘Luchtkastelen’ en de single ‘Voetbalknieën’. Lebbink was zondermeer een jongleur met woorden, zoals ook bijvoorbeeld Drs. P dat was. Maar binnen de taalvirtuositeit was er verder niet zo heel veel ruimte voor inhoudelijke diepgang die je vaker naar het album deed teruggrijpen.

Zoiets kan ook gezegd worden van het singletje dat Bart Chabot in de voege jaren tachtig opnam met Robert Jan Stips. Chabot stort een vrijwel onverstaanbare stroom woorden over de luisteraar uit, een beetje in banen geleidt door de muziek van Stips. Wie wil weten waar de dichter het over heeft, kan beter zijn bundel ‘Popcorn’ uit 1981 erbij pakken, want daar staat het gedicht in kwestie, ‘De Dag Dat De Derde Wereldoorlog Ook Aan Ons Land Niet Onopgemerkt Voorbij Ging‘, integraal in gepubliceerd. Hoewel bij Jan Damstra op het ‘Nachtfilter’-album het frivole ‘entertainment’ van Lebbink en Chabot ontbreekt, laat de muzikale omlijsting van zijn gedichten door Paul en Otto Janszen, waarbij eveneens met veel klavieren en elektronica een soort ambiëntdecor wordt opgetrokken, weldegelijk overeenkomsten horen.

En dan is er uiteraard nog de en passant al even genoemde Simon Vinkenoog, die zijn leven lang met iedereen heeft samengewerkt, maar pas begin deze eeuw, in de laatste tien jaar van zijn leven, serieus met muzikanten heeft opgenomen. Er zijn mooie opnemen met de groep van saxofonist Bo van de Graaf gemaakt, bij de viering van de tachtigste verjaardag van de dichter in het Bimhuis. Een een erg goede plaat met het Spinvis Combo. In alle gevallen doet Vinkenoog nadrukkelijk geen enkele moeite om de ‘zanger’ of ‘popartiest’ uit te hangen, maar leest gewoon zijn teksten, waar de musici dan een instrumentale lijst omheen timmeren die de tekst versterkt, maar ook zonder die tekst de moeite waard is om te beluisteren.

En dat is in feite ook het geval bij de twee albums waarmee ik dit verhaal begonnen ben. Aan de Nachtfilter-cassette is goed af te horen dat Damstra al lang met poëzie bezig is. Hij weegt zijn woorden zorgvuldig, vermijdt luie gemeenplaatsen en heeft storende slordigheden weggepoetst. Daarbij is hij altijd goed verstaanbaar, wat ongetwijfeld te maken heeft met zijn theater-achtergrond.

Of zijn dichten iedereen aanspreken is een tweede. Dat hangt natuurlijk ook voor een groot deel van de lezer af. De teksten van Damstra zijn zowel naar binnen als naar buiten gekeerd. Hij is bepaald geen ‘knuffeldichter’ die alle pijn, verdriet en wanhoop wil bedekken met dekens van zelfgesponnen troostwol. Daarvoor in de plaats regels als ‘In jouw ogen stroomt blauw. Het is een koud verlangen’.

Hoestekening van de Nachtfilter-cassette, van de hand van Desmond Tjon-A-Koy

De muziek sluit daarbij aan. Een soort elektronische ambiënt die stevig verbonden is met de jaren tachtig. Associaties met groepen als Cabaret Voltaire. Soms een trompet of saxofoon als extra accent. ‘Er staat een nihilist in de gang. Van zichzelf verdwaald en bang’, zegt hij ergens in een ander gedaicht, waarna in de verte een trompet klinkt. Zo’n Miles-achtige ‘natte straten trompet’ uit de late jaren vijftig. ‘Elk nabij contact gestrand’.

De instrumentale bedding van de stukken is gevarieerd. Met elektronica als basis, maar ook oriëntaalse invloeden en stukjes ketelhoempa, zoals ook Tom Waits die gebruikt. Kenmerkend blijft echter dat de teksten en voordracht van Damstra centraal blijven staan. Hij laat zich niet meeslepen door de muziek of verleiden tot de rol van ‘sprekende popzanger’.

Dat is ook een essentieel verschil met Joshua Baumgarten en The Irrational Library. Omdat die groep veel meer een rockbasis heeft en voor ieder stuk een nadrukkelijke ‘groove’ als basis neerlegt, wordt de dicht vanzelf meer in de rol van frontman bij een ‘rockband’ gedwongen. Zijn kwaliteit is echter dat hij primair ‘dichter’ blijft en zich niet heeft laten verleiden tot het schrijven van ‘liedjes’. Daardoor hoeft hij niet de concurrentie aan te gaan met al die miljoenen andere ‘songschrijvers’, maar blijft hij authentiek.

Het Engelstalige ‘We…are Doomed’ is overigens reeds het derde album van The Irrational Library en verscheen behalve op vinyl en als cd ook in boekvorm, in combinatie met het schitterende werk van tekenaar/cartoonist TRIK, dat een vergelijkbaar engagement kent met dat van Baumgarten. Je hoort die ervaring ook terug in de muziek die op zichzelf staat zonder de teksten weg te duwen.

The Irrational Library

The Irrational Library heeft ervoor gekozen om op dit derde album niet nog ‘ruiger’ uit te pakken dan voorheen, maar om te verbreden. De blik van Baumgarten is in zijn teksten meer naar buiten gericht dan bij Damstra het geval is. Hij is niet bang van scherpe one-liners en slalomt graag strak langs slogans en zelfspot. Als je het titelstuk hoort kun je eigenlijk alleen maar tot de conclusie komen dat we uiteindelijk allemaal maar sukkels en sloebers zijn. Hij richt zijn pijlen even gemakkelijk op de schreeuwende vuistenzwaaiers als op de bomen-omhelzende softies die op hun yogamatje wonen.

In het heftige en rake ‘The Algorithm’ klinkt Baumgarten furieus als de reeds eerder genoemde Umar Bin Hassan in het beruchte ‘Niggers Are Scared of Revolution’ van het allereerste Last Poets album. Dat contrasteert weer mooi met het veel meer ingetogen ’11 X’s in the Sky’ waarin er in muzikaal opzicht een hoofdrol is voor Mishal Zeera die een prachtig subtiele en toch permanent aanwezige baspartij speelt en Baumgarten benadrukt dat Corona niet de enige ziekte is die dreigt: ‘Mental illness now a pandemic’.

Wat Nachtfilter en The Irrational Library — Damstra en Baumgarten — gemeen hebben. Is dat ze zich door het gebruiken van muziek niet opeens als pop- of rockmuzikanten gaan gedragen. De tekst, zoals die op papier stond, blijft centraal. Dat hebben ze gemeen met bijvoorbeeld Ginsberg, Smith en Vinkenoog. En dat maakt dat de poëzie voorop blijft staan. Het verschil tussen de twee is dat de muziek van de Irrational Library zich juist goed leent voor de live-presentatie van Baumgartens poëzie en aan zijn optreden de dynamiek van een rockconcert meegeeft — zonder dat het een rockconcert wordt — terwijl de omlijstende muziek bij Nachtfilter luist de beluistering van het album een meerwaarde geeft, terwijl de teksten als ze live voorgedragen worden ook prima zonder muziek werken.

Je zou kunnen zeggen dat Baumgarten wat ‘aardser’ schrijft en Damstra een tikkeltje meer met het zich vervreemd voelende individu speelt, maar dat zijn nuances. Voor beiden geldt in ieder geval dat ze ver weg blijven van de waan van de dag en de vluchtigheid de popcultuur, maar tegelijk niet kunnen of willen nalaten om er toch een beetje mee te flirten.

Peter Bruyn

FRNKFRT

Peter Bruyn en Theo Ploeg delen hun passie voor pop, media…

Medium is an open platform where 170 million readers come to find insightful and dynamic thinking. Here, expert and undiscovered voices alike dive into the heart of any topic and bring new ideas to the surface. Learn more

Follow the writers, publications, and topics that matter to you, and you’ll see them on your homepage and in your inbox. Explore

If you have a story to tell, knowledge to share, or a perspective to offer — welcome home. It’s easy and free to post your thinking on any topic. Write on Medium

Get the Medium app

A button that says 'Download on the App Store', and if clicked it will lead you to the iOS App store
A button that says 'Get it on, Google Play', and if clicked it will lead you to the Google Play store