De wat als

“Je bent roepen dat je zin hebt om te zwemmen maar niet in het water springen.”


“Wie ben ik?”, vraag ik, in de veronderstelling dat hij daar sneller en beter antwoord op kan geven dan ik. Het is stil. Tot hij er uit is.

“Je bent die rugtas van je. Een accessoire. Iets leuks waar mensen even mee gezien willen worden. Incidenteel. Wanneer het ze uitkomt. Je bent een trend die voorbij gaat.”

“Sorry, een wat?”

“Een vlucht. Je bent een vlucht. Mensen willen wel verliefd op je worden maar niet van je houden.”

“Au! Jezus zeg! Nee nee, dat wil ik niet zijn.”

“Wat dan?”

“Laat me dan het meisje in de trein zijn met wie je even oogcontact maakt, misschien raakt jouw hand per ongeluk de mijne, of andersom, misschien zijn we minder dan een seconde, maar toch; hopeloos verliefd. En bij de eerstvolgende stop stap ik uit en reis jij verder.”

“Ha! Dat mocht je willen. Weet je wat je bent? Je bent een ‘wat als’.”

“Een wat?”

“Een ‘wat als’. Je bent piano willen kunnen spelen maar het niet willen leren. Je bent roepen dat je zin hebt om te zwemmen maar niet in het water springen. Je bent een optie die eeuwig kan voortbestaan. Je bent een ‘misschien’.”

“Misschien. Maar dan ben jij een ‘ja maar’.”

“Ja maar, …”

“… Dat bedoel ik.”

A single golf clap? Or a long standing ovation?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.