De constateur

Alleen de koelkast stond aan. Lukas legde pen en papier op tafel, en wond de constateur op, die hij op een rommelmarkt aan de Ljubljanica had gekocht. De duivenklok deed hem denken aan nonkel Fons, en aan De koets en de klok, van één of andere keuterdichter uit Aalst. De naam ontschoot hem. Maar het effect was er niet minder om. Luisteren naar het tikken van de klok is het ultieme niet-zijn. Het is een essentieel, spiritueel onderdeel van tijdsmeting. Zonder dat transcendente ritme besef je niet dat de tijd jouw maat neemt, in plaats van andersom.

Nu ze van Slovenië hun nieuwe uitvalsbasis gemaakt hadden, werd het voor Lukas en Sibrich tijd om aan nieuwe nummers te werken. De punk scene was hier dol op hen, maar als hun beginperiode met Brent hen één ding had geleerd, was het wel dat niets bleef duren. Nummers schrijven hadden ze nooit eerder gedaan. Hoe pakte Brent dat aan? Wat was de bron geweest voor die hoekige rapsodie waarmee hij een hele generatie moeiteloos onder de knoet had gekregen? Het antwoord lag voor de hand, maar Lukas was ook maar een mens. En mensen hebben nog steeds moeite met hun -evolutionair gesproken- recent verworven vaardigheid om ook op interne stemmen te reageren. De oplossing bleef hem dan ook te vlug af tot hij de vraag luidop had gesteld.

“Wat was Brents inspiratiebron voor Silly Billy Boy?”

“Het nummer ging over hemzelf natuurlijk.” Hij zette zich aan het tafeltje dat uitgaf op de rij kastanjebomen langs de rivier, en klom in zijn pen. Wat later kwam Sibrich terug van de kapper.

“Lukt het niet, Lukas?”
“Ik heet Kassam nu, Brich. En kom niet weer aanzetten met die bullshit dat het alleen maar een artiestennaam is.”

(Ze hadden deze discussie vorige week al gehad, toen ze samen van de rommelmarkt kwamen. Hij met een logge, oude duivenklok, zij met een parelmoeren operakijker. Hij had haar toen al uit de doeken gedaan dat een nieuwe naam en een nieuw imago hem zouden helpen om te groeien in zijn nieuwe rol; die van tekstschrijver en lead singer. Hij speelde ook met het idee een baard te laten staan, maar daar was hij nog niet uit. Ze liet hem in zijn wijsheid. Als hij maar een nummer schreef. Zijn naam deed er immers weinig toe, en ruzie was wel het laatste waar ze nood aan had.)

Sibrich ging op zijn schoot zitten en aanschouwde de lyrics die hij had willen neerpennen, maar uiteindelijk het papier op vloeiden als een gestileerde pin-up.

“Oude vlam, Kassam?”
“Ja.” Hij keek haar even aan.
“Bizar hoe een alliteratie me de kast op jaagt en eindrijm mijn veren weer glad strijkt.” Ze greep hem zacht bij zijn kruis.
“Hm. Ja, bizar. Gaan we een nummertje maken?”
“Goed dan, omdat je zo aandringt.”

De volgende ochtend ging Lukas ontbijt halen en zat Sibrich peinzend in de dikke ochtendmist te turen. Een gelijkaardige ondoordringbaarheid trok haar ook in Lukas aan. Ze greep naar de operakijker, alsof die de mist zou kunnen doorboren, maar haar zicht over de stad bleef even beperkt. Lukas daarentegen, kwam haar door de lenzen plots kraakhelder voor.

Hij was eigenlijk nog maar één keer echt verliefd geweest. Op een celliste. Op slag. Op het obsessieve af. Het was het meisje dat hij gisteren had getekend. Maanden had hij destijds lopen smachten naar die verschijning waar hij ooit één kort, zinderend gesprek mee had.

(“Een grande met gemberschilfers?”
“Nee, een venti. Mokka. Met slagroom.”

Ze glimlachte en ontketende met haar ogen een schaamteloos spervuur van vrijpostige insinuaties. Nog voor hij zijn stem terugvond, had ze zich omgedraaid, en paradeerde ze met een cello-valies in de ene en een kartonnen bekertje in de andere hand zijn leven uit. Een ongeduldige klant duwde hem uit zijn trance. Pas nu drong het tot hem door dat ze haar hand even langs zijn lende omlaag had laten glijden. Hij tastte in zijn schort, en haalde een papieren zakdoekje tevoorschijn.
“bel me mooie jongen,” had ze erop geschreven. De stokken van de b en de l staken kaarsrecht omhoog. De m startte wijd en drie keer hoger dan de overige letters, en daalde met elke boog steil af naar de o die er op volgde. De j en de g hadden sensuele, Arabische staarten. Geen hoofdletter. Geen leestekens. Geen nummer.)

Sibrich legde de kijker neer. Hij had haar de ontmoeting ooit wel eens beschreven, maar de emotionele impact was nooit tot Sibrich doorgedrongen. Volgens haar was het vast een zakkenrolster geweest, en zat de valies vol gestolen portefeuilles. Maar de kijker toonde haar nu het volledige verhaal. Maanden lang had hij de cultuurpagina’s van alle kranten uitgepluisd, op zoek naar symfonische orkesten, strijkensembles en solistes. Telkens het belletje aan de deur rinkelde, keek hij op van zijn toog. Hij had zich suf gegoogeld. Tevergeefs. Het was de meest dramatische valse start van een relatie die Sibrich zich kon voorstellen. Het zat haar behoorlijk dwars, en ze wist niet eens goed waarom. Lukas en Sibrich hadden evenmin een relatie; ze hadden eerder krachtmetingen. Impulsieve, zelfzuchtige, geile clashes. Ook net nog, voor Lukas de deur uitging en voor Sibrich de kijker had uitgeprobeerd, was ze maneuvers aan het uitvoeren om hem uit zijn tent te lokken en te scoren. Ze speelde met haar haar, leunde naar hem toe, keek enkel van zijn ogen weg om zijn lijf van boven naar onder te keuren.

Lukas kwam terug met ontbijtkoeken, en halverwege haar appelflap kon Sibrich het niet langer laten.
“Weet je nog, dat meisje met de ballon? Hoor je soms nog iets van haar?”
“Nee. En jij? Hoor jij nog van die vent?”
“Nee. Die vogel is ook gaan vliegen.”

This is what it sounds like when the doves cry, dacht Lukas, en meteen daarna schoot zijn nonkel Fons door zijn gedachten met de wijsheid: Duiven vliegen niet weg of landen niet; ze worden gelost, en ze vallen. Sibrich kreeg het vaak op haar heupen telkens wanneer Lukas quotes uit obscure liedjes, films of jeugdherinneringen haalde in plaats van zelf iets te zeggen. Dus hij deed er voor één keer het zwijgen toe.

Sibrich ruimde de tafel, zonderde zich af en nam de kijker een tweede keer. Ze legde aan en dook terug in Lukas’ verleden. Hij had gedronken, zat in een typische tienerdepressie over de grote, tijdloze, existentiële vragen; voornamelijk “waarom ziet ze mij niet staan?” en “waarom stap ik er niet gewoon op af?” Lennert, zijn toenmalige maat voor het leven, gaf gratis therapie:
“Wat zit je nu te lullen, man?”
“Jij bent in alles beter,” zei Lukas.
“Toch niet hoor,” zei hij, “jij kan je veel beter inhouden.” Het was een analyse van hooguit drie seconden. Lennert had geen enkele psychologische opleiding genoten, maar hij zat er wel boenk op: De vaardigheid die Lukas onderscheidde van de massa was inertie. En het was nog altijd waar.

Sibrich zoomde verder in. Nu zag Lukas er goed uit, ouder, maar in balans. Opeens dook ze uit het niets weer op, de celliste, met haar schaamteloze handschrift vol subversieve elegantie. Ze stuurde hem een nummer op, een “rauw idee” waar ze zijn briljante geest op los wilde laten. Opnieuw gaf ze geen naam of geen contactgegevens. Ze tekende met “je muze”. Haar z had een staart waar je een haiku in kwijt kon.

Een mens zou van minder gaan trippen.

* * *

Terwijl Lukas’ ogen over de tekst en de muziek rolden, dobberde zijn hoofd stuurloos tegen het plafond aan. Hoe hard je ook probeert om informatie je bewustzijn in te proppen, soms is het er al zo eng dat het gewoon niet lukt. Op zo een moment heb je twee keuzes: je geest verruimen of je geest leegmaken. (Wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt.) Er zijn talloze manieren om je geest te verruimen. L-dopa, techno, zintuiglijke deprivatie, extreme dorst. Maar zo ver hoef je het meestal niet te zoeken.

Soms volstaat stilte.

Tijd.

Kamertemperatuur.

En zo was het dat de zoemende koelkast in de keuken afsloeg, de duivenklok de teugels vierde, en hij dobberend tegen het plafond zijn bovenkamer ontdeed van alle ballast. Hij maakte plaats voor de celliste, voor de onweerstaanbare tristesse die uit haar vingers vloeide, voor de weergaloze esthetiek van haar letters. Haar armen hingen aan onzichtbare marionettentouwtjes in de lucht, en vormden samen met de klankkast een exoskelet voor de leegte die ze trillend in de lucht volume gaf. Hij strekte de kamer een meter of drie uit, zodat ze midden in een mooi naakt vierkant zat vóór het tapijt dat tegen de bank aanlag.

Hij maakte ook plaats voor die vreemde nieuwe sensatie die je krijgt wanneer je het puntje van je tong langs dat plekje binnenin je wang haalt, waar je tijdens de lunch inderhaast op beet. Hij liet die keer toe dat hij in een moment van ultieme overgave Sibrichs oksel had gelikt; de afstotelijke smaak van haar deodorant hield hij op een afstand.

Het nummer had geen potentie, geen ziel en geen vaart. Maar zijn hoofd, dat hing te dobberen, en Mokum stond in lichterlaaie. Zo noemde Sibrich dat. Hij gaf het geen naam. Of toch niet luidop. Hij duidde het met burleske metaforen in zijn hoofd.

Ook Sibrichs hoofd zat er vol van, van beelden en verbeelden, van krinkels en karikaturen: een rood fluwelen zitje in een theaterzaal, haar voeten uit alle macht tegen de achterkant van het stoeltje voor haar geduwd, haar onderrug onder heilzame druk. De wetenschap dat je zonet hebt geraden waar een scène heen gaat, en dat er niet genoeg tijd is om dat met iemand te delen. (Tenzij je telkens de film onderbreekt om te pochen, maar wie houdt zich daarmee bezig?) Dat kortstondige geluk wanneer je de lege verpakking van je chocolade wafel wil weggooien, en er onverhoopt nog een laatste hapje in zit. Het geluid van een leren kussen dat langzaam weer lucht opzuigt nadat iemand pas is opgestaan.

De celliste bleef niet achter. Zij liet zich in al haar treurnis inspireren door de verlamming die bij haar toesloeg op opa’s bank terwijl hij vanop zijn bed zijn laatste adem lijdzaam hoogwaarts blies. De rillingen die je bekruipen wanneer je lichaamswarmte wordt opgeslokt door de schaduw van een voorjaarswolk. De recurrente droom waarbij ze op een wervelend carnaval aankomt en tot haar diepe schaamte ontdekt dat zij als enige niet verkleed is. De koelkast die wakker schrikt en weer begint te zoemen.

Uit het niets spatte de antieke operakijker uiteen tegen de muur. Sibrich wist niet goed of zij hem daadwerkelijk had gegooid. Het leek eerder een geval van plotse, wederzijdse afstoting. Alsof ze beiden voor hun transgressie werden bestraft.

“Gaat het, Brich?”

“Het gaat, Kassam. Ik ben gewoon een lomp kanon.” Hij keek haar even aan, vergewiste zich ervan dat ze ok was, en legde pen en papier op tafel.

© copyright Joris De Brucker

Teken nu in op Half Gaar

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.