
De Prins en de plataan
In de ramen die hij passeerde, rolden mercuren parels van zijn regenscherm. Vanaf de dakgoten stortten ze gedempt op het zwarte strakke doek, als een roffelend vuurwerk in de verte. De fijnere sprankels knetterden er vaag doorheen, in het licht van de zon die nergens te bespeuren was, maar niettemin het schouwspel een magische glans verleende. Na een kort traject langs de baleinen vielen de kleinoden te pletter op de stoep. Vincent toog van zijn residentie naar het paleis, waar hem het dagelijkse bestuur wachtte.
Victoria was in goeden doen. Ze was al volop besluiten aan het ordenen op de grote eiken tafel in hun werkkamer. Ze kuste hem kordaat en proclameerde de orde van de dag. Hij knoopte zijn jas open, liet ze van zijn schouders glijden en drapeerde ze netjes over de kapstok. Hij maakte zijn manchetten los en stroopte zijn mouwen op om aan de warmte van de kamer tegemoet te komen. De marmeren vensterbank voelde koel aan. Victoria legde haar hand op zijn arm.
‘Luister je wel, Vincent ?’
* * *
Het hele domein was omzoomd met tuinen. De inrichting was niet te strak, hun beider aard ten spijt. Het gazon werd evenwel minutieus onderhouden, en de groendienst ruimde dorre takken telkens keurig op. Bladval op de perken werd met mate getolereerd, om de illusie in stand te houden dat dit een oord van ongemoeide, spontane schoonheid was. Eén van de platanen was grotendeels hol, aan de noordwestkant, weg van het paleis en uit het zicht van eenieder die zich aan de grindpaden hield. De stam was immens. Rondom het rot was de boom evenwel gezond. Hij droeg katjes en bladeren, en viel niet uit de toon temidden van zijn kompanen. Na tien uur, wanneer Victoria sliep, zocht Vincent hem graag op, om te staren naar het dode hout. In zijn gezelschap hing een zweem van rust.
* * *
Sommige stoeptegels begonnen vanaf het midden uit te drogen. Hier en daar gulpte nog vuil water van tussen de spleten onder druk van zijn gewicht. Het wenkende groene mannetje liet Vincent nog even wachten. Er kwam een tram aangereden, die stopte voor de voetgangers. De lucht hing nog steeds zwaar over de hoofdstad, maar eindelijk brak de zon nog eens door.
Een vrouw van eind de dertig stak de straat over in de tegenovergestelde richting. Ze droeg open schoenen, een witte linnen broek en een wit T-shirt. In deze zeldzame opklaring hadden de saffranen spirelli die in alle richtingen aan haar hoofd ontsproten veel weg van koper. Ze verdween uit het zicht.
De zwarte vijvers genoten de laatste tijd Vincents voorkeur als lunchplek. Ook vandaag was hij present, al at hij deze keer niet. Bij de post zat vanmorgen een gratieverzoek van een crimineel die naar eigen zeggen onschuldig geïnterneerd werd. Victoria noemde de weigering een formaliteit; Vincent zag er een doodvonnis in. Hij ging zitten op een bankje en probeerde het grote geheel te zien. Het algemeen goed.
Hij sloot zijn ogen en visualiseerde zichzelf als een keitje, dat uitzonderlijk was vrijgesteld van de zwaartekracht. Hij zweefde langzaam weg van de aarde, de wijde hemel in. Naarmate hij hoogte won, verstomde het aardse tumult, en bood de atmosfeer een aangename klare kijk op het vernuft van het heelal. Het was een toestand die hem vreemd was, maar in zijn verbeelding merkwaardig genoeg vertrouwd aanvoelde.
Toen hij zijn ogen opende, hinkte voor hem een kraai langs. Meestal komen hele kruimeleskadrons de parkbezoekers afdreigen, maar aangezien hij deze keer niets eetbaars bij zich had, bleven ze weg. Behalve deze mankepoot. Hij had maar één oog nodig om dwars door hem heen te kijken.
* * *
‘s Ochtends deden twee agenten vaststellingen bij de grote poort van het paleis. Vroege pendelaars hadden een levenloze man met hardhouten pluggen in zijn oorlellen gesignaleerd. Geen duidelijke sporen van geweld. De man werd vrij snel geïdentificeerd als Mario De Prins, een chronisch zieke. Op zijn lichaam werd een vluchtig uitgeschreven aanklacht aangetroffen tegen Big Farma. Voor de pers nam Vincent zich voor om naar aanleiding van het voorval een werkgroep rond toegankelijke gezondheidszorg samen te stellen, maar eerst moest hij nog een hele dag diplomatieke plooien gladstrijken met voorname handelspartners. Tegen de avond was de dode man oud nieuws, en de werkgroep een loze belofte.
Victoria vermoedde dat De Prins op Vincent’s gemoed woog. Ze visualiseerde hem als een keitje in de ruimte, onttrokken aan de atmosfeer en blootgesteld aan radiogolven vanuit de verste uithoeken van het heelal, niet in staat om zich naar één enkel signaal te richten.
Op het gras in de paleistuin, na tienen, maakte Vincent die nacht tijd voor een korte herdenking. In de holte van zijn favoriete plataan speurde hij naar een passend stukje duisternis om aan De Prins op te dragen. De hemel stond hem minzaam bij met gulle sloten regen. Vincent werd een gedenksteen, een man in een moment. Het bliksemde. Eerst dichtbij, toen vlak boven zijn hoofd. Een schicht verzegelde de plechtigheid met een knal en genoeg vonken om de hele tuin een seconde lang te verlichten. De plataan overleefde het salvo niet. Vincents oren tuitten.
* * *
Een dove royal was de media duidelijk meer waard dan een man die zijn leven opgaf wegens onbetaalbaar. Te meer omdat experts beweerden dat zijn gehoor perfect hersteld kon worden met een relatief eenvoudig apparaatje. Vincent zou elke behandeling of hulpmiddel weigeren, en volgens welingelichte bronnen vertikte hij het bovendien om gebarentaal te leren. Hij stond ietwat verdoken bij het raam, net herkenbaar genoeg voor de persmeute die joeg op dat ene perfecte plaatje. Vincent staarde onbewogen naar de flitsen op de stoep. De stilte van de regen deed niets af aan zijn magie.
© copyright Joris De Brucker
Lees verder: