
Kameleonkoorts
“Hey, Lennert.”
“Hey.”
“Je ziet er goed uit. Slaap je ondertussen weer wat beter?”
“Dat gaat.” De deur klikte in het slot. Het echode.
“Of eerder, het komt en gaat.”
“Waar wil je het vandaag over hebben?”
“Mijn pa.” Barend schrok. De doorbraak leek dan toch opeens klaar te zitten, popelend op het puntje van zijn tong, brandend in zijn mond.
“Heb jij ooit op je pa zijn bakkes geslaan?” Barend wachtte en zweeg. “Het is eigenlijk best ingrijpend. Je deelt al eens een slag uit in je leven, geen punt. Maar je pa is toch anders. Ik zal me zijn gezicht nooit meer anders kunnen voorstellen. Het is alsof alle herinneringen daarvoor, alle goeie herinneringen, want die waren er ook, daar ben ik zeker van, alles werd overschreven. Een heel leven, poef, gewoon helemaal weg, door die ene avond. De avond dat ik mijn pa op zijn bek gaf.” Barend bewoog niet.
“Als iemand het verdiende, was hij het wel hoor. Daar heb ik nooit echt mee gezeten. Hij was al een tijdje op weg om een smeerlap te worden. Maar het was wel nog altijd mijn pa. Hij kon er nog wel mee door, dacht ik. Maar ik was de laatste om in te zien dat dat niet waar was. Dat dat moment voorbij was.”
“Denk je vaak aan hem?” Opnieuw een stilte. Adem. Tijd om zijn antwoord af te wegen.
“Dat valt wel mee.” Barend leunde wat achterover in zijn stoel. Hij haalde zijn handen van de tafel en liet ze in de zakken van zijn jasje glijden. Lennert keek op van de tafel en stak zijn kin opzij, richting het hoge smalle raampje, het enige in de kamer.
“Weet je nog, die oude tv’s, Barend? Toen er nog geen afstandsbediening bestond, en je moest opstaan om ze aan en uit te zetten? Toen je nog…toen je…” Hij slikte.
“Toen je nog vlakbij het scherm stond telkens het beeld verdween?” Barend knikte.
“Vlak voor het scherm uitdoofde en nog wat naknisperde, was er altijd zo een flits, weet je dat nog? Zie je het voor je? Zo een witte streep die uit de vier hoeken naar het midden trok, alsof je je programma net aan warp speed zag wegschieten, de ruimte in. Wel, Barend, weet je wat? Telkens ik mijn ogen sluit, telkens ik nog maar knipper, man, elke keer opnieuw zie ik in een flits hoe ze daar stonden. Hoe ze daar alletwee gewoon stonden te kijken, met hun dwaze…” Barend liet hem bekomen. Hij was helemaal op dreef, en het moest en zou er uit komen vandaag.
“Ze konden geen woord over hun lippen krijgen. Ze bedekten zich niet of bewogen zelfs niet. Hoe dan ook. Elke keer weer zie ik ze voor me. Hij kan me niet meer schelen. Hij heeft zijn bekomst gehad. Maar zij… Aan haar kon ik niet raken. Ik zou het nog altijd niet kunnen. Dat zij daar stond, zo, met hem, dat was er teveel aan. Je zou voor veel minder, toch? Met mijn pa! Van alle klojo’s die ze had kunnen krijgen, van alle smerige klootzakken…moest ze uitgerekend met mijn eigen pa…” Lennert sloot zijn ogen, onderging de zoveelste projectie van zijn vader en zijn meisje, en ademde uit. Hij was zijn eigen aan-en-uit karakter ondertussen wel gewoon, maar toch schrok hij toen plots ‘Shot through the heart! And you’re to blame!’ door zijn brein galmde. En hij had Bon Jovi godverdomme nooit graag gehoord.
* * *
Nadenken deed Barend meestal in absolute chaos.
“Na tachtig meter, maak een scherpe bocht naar links. Daarna, ga de snelweg op.”
Hij probeerde het tafereel dat Lennert had beschreven uit op zijn eigen netvlies. Hij haalde zich Rowena voor de geest, en zijn jongere zelf, toen ze nog pril en ongeremd waren. Als hij haar toen met zijn pa zou betrapt hebben, zou het waarschijnlijk niet bij een pak rammel gebleven zijn. Hoewel, Rowena was destijds al een oase van rust en kalmte. Zij zou hem wel voor het ergste behoed hebben. Lennert’s meisje zal wel een ander type geweest zijn. En had Barend een ander meisje gehad dan Rowena, dan had hij misschien zelf in Lennert’s verknipte schoenen gestaan. Er tuimelden zoveel hypothesen over elkaar heen, dat Barend zichzelf tot de orde moest roepen om de weg niet helemaal uit het oog te verliezen.
“Daar komt Shanghai in zicht.”
De overeenkomst tussen Lennert en Barend lag voor de hand. Hun beider gedachten gingen regelmatig met hen aan de haal. Ze verschenen uit het niets, raasden in woeste horden door hun hoofd, en even plots als ze gekomen waren, lieten ze hen dan weer achter, bestoft en totaal uit hun plooi.
“Het is niet omdat je een boel auto-onderdelen op een hoop gooit, dat je een auto hebt,” zei Rowena ooit tegen Barend. Als schrijver zag ze in hem een enorm potentieel, maar het gebrek aan discipline en geduld stonden zijn succes in de weg, de Jack Kerouacs van deze wereld ten spijt. Hij hield er lang twijfels aan over, toen ze dat gezegd had. Maar zowel Barend als Lennert kon je beschrijven als een losse hoop onderdelen, die misschien stuurloos waren, maar met vlagen wel lekker plankgas konden geven.
“Na twee kilometer, houd links aan.”
Al van de eerste afspraakjes was het Rowena niet ontgaan dat Barend er aanleg voor had. Ontsporen. Crashen. Onderuit gaan. Het maakte hem wie hij was. Het was onvoorspelbaar, gevaarlijk. Ze hield ervan. Ze keer ernaar, van dichtbij, en snoof de spanning ervan op. Ze wees hem ook telkens op de signalen die aangaven dat hij aan het wegglijden was. Als ze samen op café gingen, en Barend na een paar pinten het zegel moest breken, zei hij nog ‘ik moet naar de wc’. Na nog een paar rondjes werd dat ‘ik moet pissen’, en je wist pas goed dat hij de remmen kwijt was wanneer hij ‘de patatten ging afgieten’. Hij vond het vervelend dat hij voor haar zo doorzichtig was. Meestal was hij degene die andere mensen betrapte op onthullende taalpatronen. Maar van Rowena kon hij het verdragen. Zij verstond de kunst hem als een case te beschouwen. Ze nam gewoon afstand en bekeek hem als een taalgebruiker onder invloed. Een genie aan de drank. Niet de onbeschofte veertiger waar ze mee ging.
Maar ook dat slijt, na een tijd. De afstand was ondertussen al te permanent geworden. Ze observeerde hem nog steeds, verdiepte zich in zijn psyche, maar hij kon zich moeilijk voorstellen dat ze zich nog steeds in hem kon verliezen, na al die jaren. Barend voelde zich nog steeds dezelfde. Afwisselend onbezonnen en intelligent, maar zelden op het juiste moment. Hij zou voor haar nog steeds door een vuur gaan, als het moest. Zonder te twijfelen. Hij zou zijn pa ter plekke door het venster gekegeld hebben, moest die met zijn vorte poten aan Rowena durven komen. Dan mag zo een rechter op zijn kop staan; zoiets wreek je toch? Dat kan je een man toch niet verwijten? Als zo een ouwe knar met zijn fikken aan het lief van zijn bloedeigen zoon zit? Die jongen was zelf een slachtoffer. Van zijn pa, van zijn lief, van de maatschappij die het lef heeft om te beweren dat een mens zichzelf ten allen tijde moet kunnen controleren.
“Meisje van Shanghai, vang je de maan voor mij?”
Barend reed eigenlijk nog te snel voor de bebouwde kom. Wanneer een fietsende tweeling met lange, bleke benen en haar tot op de onderrug zijn pad kruiste, moest hij hard in de remmen. Vijftien, zestien jaar waren ze. De eerste keek, maar voelde zich te goed om hem die voldoening te gunnen. De tweede keek ook. Ze bleef kijken. Ze vond het duidelijk niet vervelend dat hij naar haar keek, maar ze flirtte ook niet terug. Je zag wel dat ze er mee bezig was, met die blik van een man. Die blik die interesse toont. Ze reden links van hem weg.
“U heeft uw bestemming bereikt, aan de rechterkant.”
* * *
Barends innerlijke redactie had veel weg van een partijtje Buzkashi. Authentieke herinneringen en alternatieve verzinsels streden met alle mogelijke middelen om zijn voorkeur. Hij herinnerde zich nog vrij goed hoe de avond was begonnen: opwinding over de doorbraak met Lennert, Wim De Craene op de radio. Breek uit jezelf. Aankloppen bij Lennerts pa, hoog oplopende ruzie. Nee, hij was niet thuis, en hij zou later opnieuw proberen. Bier, een paar whiskeys, en een griet die veel te jong voor hem was. De wasinstructies hingen over de zoom van haar broek, en hij had ze teruggestopt. Of nee, hij had zo lang naar haar kont staan staren dat hij de tijd rijp achtte er zijn visitekaartje achter te laten. Zoiets. Toch?
Hij keek even rond, en zag geen spoor van haar aanwezigheid. Wat hem wel opviel, waren lelijk toegetakelde handen, bloed op zijn hemd, en het gevoel dat hij tegen hoge snelheid tegen een lijnbus was aangeknald. Dat kon wel eens kloppen. Het vervolg van zijn reconstructie was veel donkerder gekleurd en zat vol gaten. Barend deed zijn best om zijn gedachten te recupereren. Er stonden jonge kerels rond die griet. Had hij met een jaloers vriendje gevochten? Of klonk dat gewoon goed in Barends gebruikelijke verhaallijn?
Opnieuw keek Barend naar zijn vuisten. Bovenaan zijn middenvinger zat zowaar nog een afgebroken tand verankerd. Die had hij alvast niet gedroomd. Hij sloot zijn ogen en deelde in gedachten een linkse hoek uit om zijn geheugen te triggeren. Het lukte pas goed na een tweede ingebeelde klap; een rechtse directe deze keer. In een plotse uitbarsting kwamen de beelden opgeborreld. Zijn linkerhand als een vijzel rond de nek van Lennerts vader, en zijn rechter die als een razende mortier het gezicht tegenover hem verpulverde. Slag na vernietigende slag. Het bleef maar komen. Telkens weer. Het koste Barend moeite om zijn ogen weer open de sperren en te ontsnappen aan de wenkende onheilsspiraal die zijn geheugenpaleis was geworden.
Misschien is het niet zo ongewoon voor auteurs om de creaties van hun onderbewustzijn te verwarren met de tropen in hun eigen pulpverhaal van een leven. Het is vast zo een ziekte waar nog geen naam voor bestaat. En wie beter dan Barend om er eentje te verzinnen? Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en las zijn gedachten van het plafond af. ‘Pyrexia chamaeleonidarum,’ dat zou nog eens een aandoening zijn om een zelfhulpgroep mee te imponeren. Het klopte helemaal. Je vastklampen aan een tak die misschien wel je eigen staart is. Op alle verkeerde plaatsen naar jezelf op zoek gaan tot je scheel ziet. Het onvermogen om je eigenheid te distilleren uit de jungle die je heeft uitgespuwd. Die je herbergt. Die je opslokt.
© copyright Joris De Brucker
Lees verder: