Hoe Eric van der Burg ruimte maakt door vrijheid te creëren

Happyplaces Project (video)

Ruimte. Ruimte is een kwestie van creëren, van geven, van nemen. Als ik ruimte in mijn hoofd wil creëren ga ik hardlopen. En de eerste paar kilometer denk ik altijd: ‘Wat ben ik in godsnaam aan het doen?’ Dan protesteert mijn lichaam: ‘Ik vind het helemaal niet leuk.’ Maar op een gegeven moment kom ik een in een cadans, dan stop ik met denken. En als ik stop met denken, dan ga ik dingen bedenken. Dan zou ik eigenlijk een blocnote of een recorder bij me moeten hebben. Want nu moet ik op een gegeven moment gaan onthouden wat ik allemaal bedacht heb tijdens het lopen. Voor mij is hardlopen denk ik de enige manier waarop ik ruimte in mijn hoofd creëer. Omdat als ik niet hardloop, ik mijn telefoon in mijn hand heb en dan ben ik aan het communiceren met anderen. Op welke manier dan ook. Dus dat is voor mij de manier om mijn hoofd leeg te maken en na te denken.

Ruimte geven is ruimte creeëren

Ik geloof ook heel erg dat ruimte iets is wat je inneemt. En ik neem veel ruimte in. Ik ben druk, ik ben aanwezig. Maar het is ook wel ruimte die je moet nemen. Ook in de zin van dat je je mening laat horen. Dat je laat zien dat je verhaal er toe doet. Ik neem ook nadrukkelijk de kansen die er zijn. Iemand heeft ook eens gezegd: ‘De kansen liggen voor het oprapen, je moet alleen wel bukken.’ Dat is misschien iets te makkelijk. Er zijn ook een heleboel mensen die die kansen helemaal niet krijgen, of veel minder dan dat ik ze heb gehad. Ik heb heel veel kansen in mijn leven gehad. Door het simpele feit dat ik hier geboren ben. Dat ik redelijk slim ben, dat ik daardoor kansen heb gekregen. Dat ik weinig slaap nodig en veel energie heb. Maar ik geloof ook dat het wel een kwestie is van de mogelijkheden wel pakken die je hebt. Dat is voor mij ook belangrijk. Ik probeer ook altijd te kijken of ik ruimte kan geven.

Ik geloof heel sterk dat als je ruimte geeft je ook ruimte krijgt. Dus geef ik mensen met wie ik werk, of mensen die voor mij werken, heel veel vrijheid. Ik weet niet of je Karate Kid kent. In Karate Kid zegt op een gegeven moment de leraar: ‘Ga die muur verven.’ En dan vervolgens zegt-ie: ‘Je moet de kwast zo vasthouden. En je moet van boven naar beneden, met deze beweging en van links naar rechts…’ Kortom, het wordt totaal ingekaderd hoe die muur geverfd moet worden. Ik zal dan altijd zeggen: ‘Kun je die muur verven. En doe je het een beetje in de kleur rood? En voor de rest zie ik het wel.’ Ik kan ook tegen mensen echt zeggen: ‘Als jullie tweeën het met elkaar eens zijn, dan ben ik het er ook mee eens. Ik hoef niet te weten wat er is; als jullie het met z’n tweeën eens zijn, dan ben ik het er mee eens.’ Of: ‘Als je het namens mij doet, dan zal ik na de tijd altijd zeggen dat je het namens mij gedaan hebt en dat ik er dus voor sta.’ Dan kan je een keertje op je bek gaan, maar het geeft me ook heel veel ruimte. Want, doordat ik mensen dan de vrijheid geef, ze mogen dingen namens mij doen, kan ik me met andere dingen bezighouden. Kan ik me op andere dingen concentreren. Kan ik ook heel veel dingen loslaten. Want anderen zijn daarmee bezig. Dus ruimte geven is ruimte creeëren.

Ik wil zoveel dingen doen, dat ik altijd te weinig tijd heb. En dat betekent ook dat ik altijd op hoofdlijnen ga zitten. Ambtenaren die mij stukken sturen, die krijgen ook meestal terug: ‘OK.’ Dus niet eens als ‘oké’ geschreven, maar ‘O’ ‘K’. Dus de ‘E’ is de ‘E’ van Eric. Ik ga geen lange verhalen houden. Ik ben niet bezig met de d’s en de t’s. Maar ook niet met de details. Die laat ik graag aan anderen over. Dus ook daarin ben ik bezig met: ‘Als het op hoofdlijnen goed is, dan werken jullie het verder uit. Ga je gang.’ En daarmee gebeuren er ook veel meer dingen. Mijn stijl heeft nadelen. Soms gebeuren er dingen die ik zelf anders zou hebben gedaan. Dat ik achteraf denk: ‘Mwah, dit is het toch niet helemaal.’ Maar 99 van de 100 keer gebeurt het ongeveer wél zoals ik wil. En dat is het zo, omdat die ik stijl heb, er veel meer dingen gebeuren dan wanneer ik voor de ‘mierenneukstijl’ zou gaan. Dan moet ik me met zoveel dingen bezighouden, dan kan ik er maar vijf doen in plaats van vijftig. En ik pak liever vijftig dingen op dan vijf. Toontje Lager, ‘Zoveel te doen’, dat zit eigenlijk altijd wel in mijn hoofd. Ik ben ook altijd aan het multitasken. En ik pretendeer ook dat ik ook als man kan multitasken.

Vrijheid

Ik ben van mijn top tot mijn teen een liberaal. Dus ik geloof heel erg in het creëren van vrijheid. Het creëren van vrijheid voor mensen die die vrijheid aankunnen. En alleen maar kaderen voor mensen bij wie dat niet kan. Kinderen bijvoorbeeld, of mensen met een verstandelijke handicap. Of mensen die om wat voor reden dan ook de wereld niet aankunnen zoals die in vrijheid kan zijn. En ook dat is voor mij, in a way, ruimte. Vrijheid staat ook gelijk aan mensen ruimte geven, vrijheid geven. Ik gebruik letterlijk hetzelfde woord daarin. Dan komen mensen tot wasdom. Dan komen mensen in hun kracht. Ik zie dat bij mezelf — ik zie dat veel mensen dingen ook vanuit hunzelf beredeneren, ik doe dat in ieder geval ook — maar ik zie dat ook bij de mensen om mij heen. En ja, dan zie ik ook dat er mensen zijn waarbij je dat niet moet doen. Want als ze er niet mee om kunnen gaan… En voor een deel is dat ook niet erg hè, ik geloof ook heel erg dat ieder mens het recht heeft om fouten te maken. En als jij domme dingen wilt doen, dan moet je ook domme dingen doen. Als je maar zelf de verantwoordelijkheid draagt van je domme dingen doen. Dus wanneer grijp je in, wanneer grijp ik in, wanneer ga ik afkaderen: als jij domme dingen gaat doen waarvan de effecten of niet alleen bij jou neerslaan, of in merendeel bij anderen neerslaan. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Dan beperk je namelijk de vrijheid van anderen. Dan beperk je de ruimte van anderen.

De stad als ruimtemaker

Zo zit ik ook in elkaar als het gaat om de inhoud van het werk dat ik doe. Ik geloof dus ook heel erg in het creëren van groei. En het grappige is dat, ik ben wethouder Ruimtelijke Ordening en Grondzaken dus misschien zullen mensen wel zeggen: ‘Met jou concept van groei, groei van de stad, beperk je de ruimte.’ En ik heb dat beeld helemaal niet. Ja, ik zorg ervoor dat stukken grond kunnen worden bebouwd. Ja, ik zorg ervoor dat er meer bedrijven zich hier kunnen vestigen en er meer woningen komen. Dus er ontstaat krapte in de openbare ruimte. En tegelijkertijd, denk ik, dat als er één instrument is wat de mens heeft bedacht, een instrument dat ruimte creëert, dan is het wel de stad. Ik geloof heel sterk in de kracht van de stad. Een stad creëert opportunities, creëert mogelijkheden. Want een stad creëert contact. En vanuit contact kan verrijking voortkomen. Omdat jij een idee hebt en omdat ik een idee heb. En die ideeën brengen we bij elkaar en dan komt er een mooier idee uit. Door dingen te concentreren in een stad creëer je op andere plekken weer ruimte. Een compacte stad is goed voor duurzaamheid, zorgt voor minder footprint, minder CO2-uitstoot. Dus creëert in die zin, ruimte op andere gebieden dingen te doen omdat je het hier zo compact en zo efficiënt en effectief hebt georganiseerd. Een stad creëert ruimte om te zijn wie je bent. Niet voor niks zie je dat minderheden naar steden toe trekken. Want in een stad is het veel makkelijker om de uitzondering te zijn. Omdat een stad een bestaat uit een samenleving vol uitzonderingen. Dus of je nu joods bent of moslim, homo of transgender. Of je nu kunstenaar bent of om een andere reden anders bent dan de groep, dat verdwijnt in een stad. En kun je dus meer zijn wie je bent omdat er heel veel mensen zijn zoals jij. Of omdat er heel veel mensen zijn die net als jij heel anders zijn. Ik geloof heel erg dat de stad het beste instrument is voor mensen om zich te ontplooien, om zich te ontwikkelen, om te zijn wie ze zijn, om in hun kracht te komen. Zie ik daar beperkingen in? Ja, die zie ik. Mensen voor wie er teveel prikkels zijn. Mensen voor wie de wereld te snel verandert. Die zijn misschien niet gebaat bij een stad. Die zijn misschien wel meer gebaat bij een omgeving waar zaken misschien minder heftig gaan. Minder snel, minder intens. Het werkt niet voor iedereen. Net als dat alles wat een mens kan bedenken niet voor iedereen werkt. Maar als basisbeginsel is de stad het instrument van vrijheid en van ruimte creëren. Daarom geloof ik ook heel erg in het ontwikkelen van mijn stad, Amsterdam. En ik geloof ook dat Amsterdam het waarmaakt. Niet voor niks hebben we de bijnaam ‘Mokum’, het Jiddisch voor ‘thuis’. Want je creëert daar ook een thuis mee voor mensen. Je ziet hier ook dat heel veel mensen hier ook willen zijn. En als je ook die geestelijke vrijheid geeft aan mensen, dat het ook tot allerlei ontwikkelingen leidt.

Kaders en grenzen

Vrijheid, ruimte creëren, zit eigenlijk in alles… Ik wilde zeggen: het zit in alles wat ik doe. Maar zit het ook in alles wat ik doe? Nee, dat is niet helemaal waar. Want ik heb ook zeer strakke kaders waarin ik mensen, je kan bijna zeggen, geen vrijheid geef. Of gewoon simpelweg geen vrijheid gun. Ik ben een Artikel 1 fundamentalist. Oftewel, ik geloof heel erg in de gelijkwaardigheid van mensen. Ik geef, in mijn hoofd, mensen niet de vrijheid om daarvan af te wijken. Je mag denken wat je wilt. Dat is de ultieme vrijheid. Ik zou niet kunnen bedenken wat je niet mag denken. Je mag alles denken, maar in het uitvoeren zitten er grote beperkingen. Natuurlijk de wet. Je hebt je aan de wet te houden. maar het gaat veel verder dan dat. Als het gaat om mensen die niet uit gaan van het feit dat jij of ik of elk ander persoon gelijkwaardig zijn, beperk ik in hun vrijheid van handelen. Ik reageer allergisch op mensen die mijn vrijheid of de vrijheid van anderen willen beperken, omdat zij vanuit hun levensovertuiging, en dat kan een geloof zijn, vinden dat bepaalde zaken niet mogen. Hoezo mag je niet op zondag werken? Als je vindt dat je vanuit jouw geloof niet op zondag mag werken — zondag mag je uiteraard vervangen door zaterdag, het gaat me dus niet om de dag — maar als jij vindt dat je op een bepaalde dag niet mag werken, doe het dan niet. Maar waarom zou ik het dan niet mogen? Als jij vindt dat jij niet meer dan zoveel uur in de week mag werken, doe het dan niet. Maar pas op met het beperken van een ander. Natuurlijk zit er een grens aan, want ik snap wel dat we een arbeidstijdenwet hebben, en die zegt dat je niet meer dan 36 of 40 uur mag werken. Maar het grappige is: wie stellen die arbeidstijdenwet vast? Dat zijn Tweede Kamerleden. En als je aan Tweede Kamerleden vraagt hoeveel uur ze in de week werken, dan zeggen ze: ‘Ik werk 60, 70 uur in de week.’ En intussen zeggen ze tegen andere mensen dat ze geen 60 of 70 uur morgen werken. Daar zit een contradictie in waar ik een grote moeite mee heb.

Als jij vindt dat je vanuit jouw levensovertuiging hoort te trouwen, prima, trouw dan. En doe geen dingen voor het huwelijk warvan jij vindt dat je die niet voor het huwelijk moet doen. Maar dan mag ik dat nog wel. Dus daar reageer ik dan ook allergisch op. Omdat jij dan mijn vrijheid, en je merkt het, vrijheid en ruimte hebben bij mij een overlap, beperkt. Om te zijn wie ik ben, om te functioneren zoals ik ben. En dat doe je dan, omdat jij het voor jou niet goed vindt, je het mij ook oplegt. Ik noem nu voorbeelden die je vaak ziet in de religieuze zin van het woord. Maar ik merk bijvoorbeeld in de gemeenteraad ook dat partijen die gelieerd zijn aan een vakbond bijvoorbeeld, zeggen dat winkels niet zeven dagen in de week open mogen zijn. Terwijl ik denk: ‘Waarom niet?’ Waarom mogen winkels niet zeven dagen in de week open zijn? Waarom mogen winkels niet 24 uur per dagen open zijn? Ook tijd is ruimte. Ruimte is niet alleen in je hoofd, qua ideeën. Niet alleen fysiek, in de zin van vierkante meters. Ook tijd is ruimte. En als ik wil ondernemen ’s nachts, dan mag dat niet. Althans, dan mag dat bij bepaalde beroepen niet. Want die mensen die vinden dat winkels ’s nachts dicht moeten zijn, omdat je als ondernemer ook recht hebt op weet ik veel wat, die vinden het vervolgens wel best om ’s nachts te gaan stappen. Die gaan wel ’s avonds laat naar de kroeg. Je mag niet ondernemen voor bepaalde zaken, maar voor andere mag je het wel. En natuurlijk zitten er altijd ook dingen in waarbij ik ook denk: ‘Dat klopt weer wél.’ Er zijn altijd grenzen. Maar zodra er moraliteit in komt, of ‘ik weet wat goed voor jou is’…

Keuzes en consequenties

Ik snap dat mensen zeggen: ‘Ja maar Eric, jij doet hetzelfde. Wat jij zegt namelijk ook dat je zoveel mogelijk vrijheid moet creëren voor mensen die het aankunnen. Maar er zijn ook mensen die het niet aankunnen. En dan ga je die vrijheid beperken. Dus je doet het zelf ook.’ En dat is waar. Kijk, bij kinderen is het evident. Het simpele feit dat kinderen nog niet de vrijheid hebben om het zelf te kunnen doen komt voort uit het feit dat ze nog niet voldoende ontwikkeld zijn. Die prefrontale kwab die is pas op je 23ste, 24ste helemaal ontwikkeld. Tot die tijd moet je dus in meer of mindere mate, of je 2, 12 of 22 bent, nog beschermd worden. Gekaderd worden, geholpen worden. Het is ook evident bij mensen met een verstandelijke beperking, of met een psychische ziekte. Of mensen die aan het eind van hun leven vergeetachtig of dement beginnen te raken. Daar zijn we het denk ik allemaal wel over eens. Ik zelf vind, als het om de restgroep gaat, ook in beginsel, dat mensen hele domme dingen mogen doen. Het enige probleem is, en dan ga ik kaderen, wanneer jij domme dingen doet ik de prijs daarvoor betaal. Wij zeggen heel vaak in Nederland, of überhaupt in de westerse samenleving: ‘Je hebt het recht om fouten te maken, maar als jij dingen fout doet, dan nemen wij de verantwoordelijkheid.’ Ik vind principieel dat mensen geen pensioen hoeven op te bouwen. Als jij je pensioen niet wilt opbouwen en al je geld nu wilt uitgeven, ga je gang. Maar als je dan op een gegeven moment stopt met werken, moet je niet aan de samenleving vragen: ‘Ik heb 40 jaar lang geen pensioen opgebouwd. En jullie wel allemaal. Dus ik wil dat jullie een deel van jullie geld geven zodat ik ook dezelfde dingen kan doen als jullie.’ Het lastige is dat we dat niet durven te zeggen: ‘Sorry, je hebt 40 jaar lang gefeest en gebeest, of je hebt 40 jaar andere keuzes gemaakt, we helpen je nu niet.’ Dan zeg ik, dan komt er een verplichte component in. Waarom? Omdat wij niet sterk genoeg zijn om jou te confronteren met de gevolgen van jouw wangedrag. Van mij hoeven mensen geen ziektekostenverzekering te hebben. Principieel vind ik dat je dat zelf moet weten. Alleen, als jij geen ziektekostenverzekering hebt en je bent multimiljonair, dan is er niks aan de hand. Maar als jij geen ziektekostenverzekering hebt. En vervolgens mankeer je wat. En vervolgens moeten wij toch voor jou gaan zorgen… Ja, dan worden wij geconfronteerd met jouw keuzes. En ligt de belasting bij ons. Dus daarom ben ik voor een verplichte ziektekostenverzekering, voor een verplicht pensioen, ben ik voor AOW-afdracht en voor sociale verzekeringen. Maar dat is vanuit het pragmatisme geredeneerd, niet vanuit een principieel standpunt. Want principieel vind ik dat je de vrijheid moet hebben om andere keuzes te maken.

Het veronderstelt ook, dat is ook wel de kanttekening, anders lijk ik wel heel erg hardvochtig, dat iedereen die keuzes kan maken. Want ik snap wel dat ik met mijn wethoudersinkomen, daarvoor een directeursinkomen, veel makkelijker keuzes kan maken. Soms komt voor mij de 23ste van de maand ook veel te laat omdat ik teveel geld heb uitgegeven. Maar er zijn natuurlijk ook mensen die een zodanig laag inkomen hebben, dat als het einde van de maan te ver weg is en ze moeten nu kiezen: leg ik nu geld apart voor over 25 jaar of geef ik het nu uit aan dingen, dan snap ik wel dat mensen sommige keuzes maken. In die zin is het ook goed om te beseffen dat keuzes en mogelijkheden aan elkaar gekoppeld zijn. En dat betekent dat je vanuit pragmatisme ook soms dingen voor mensen regelt.

Noodzakelijke inperking

Sommige inperking is gewoon noodzakelijk vanuit de orde. Er zit geen enkel principe achter het feit van links rijden of rechts rijden. Maar het is wel handig dat we allemaal aan dezelfde kant rijden en niet dat de helft van de bevolking denkt: ‘Ik ga links rijden’, en de andere kant van de bevolking rechts. Dus dat is een ordening, dat is een inkadering, een beperking die noodzakelijk is om te functioneren. En daarmee feitelijk ook weer ruimte creëert. Want we zouden gewoon de straat niet op kunnen als dat er niet is. Wat ik het ingewikkeldste vind, is vrijheidsbeperking om gelijkheid te creëren. daar heb ik de meeste moeite mee. Ik zie dat dat op sommige fronten noodzakelijk is. Kijk, strafrecht is evident. Als wij geen strafrecht zouden hebben, dan zou de sterkste winnen. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Dus ik heb het niet over moraliteit in die zin van het woord. Belastingen.

We gebruiken belastingen om inkomen te verdelen. Daar ben ik geen voorstander van. Ik ben een groot voorstander van de flat tax. Ik vind dat er iets raars in belasting zit. Ik kan de redenering volgen van mensen die zeggen: ‘Jij werkt 10 uur voor €25,00 per uur, dus je verdient €250,00. Ik werk 10 uur voor €2,50 per uur, dat is €25,00. Dat verschil is te groot.’ Dus ik snap de redenering, dat wanneer jij €250,00 hebt met 10 uur werken en ik dan €25,00 heb met 10 uur werken, dat jij dan meer moet betalen aan de collectiviteit. Maar als jij een tientje per uur verdient en ik verdien een tientje per uur, alleen jij werkt 70 uur en ik werk 20 uur, dus jij verdient €700,00 en ik verdien €200,00, waarom moet jij dan meer bijdragen? Je draagt al meer bij door 70 uur te werken, in plaats van 20 uur. ‘Ja,’ zeggen mensen dan, ‘die andere mensen werken misschien naast die 20 uur die ze betaald krijgen ook nog wel meer voor de samenleving.’ Dat kan, maar dat is geen automatisme. Want ik ken heel veel mensen die 70 uur werken en daarnaast nog tien nevenfuncties hebben. Terwijl ik ook een hoop mensen of groepen ken, die dat niet doen. Dus die relatie zie ik veel minder. En ook dat gaat over ruimte. Over ruimte afnemen, of ruimte geven. Ruimte is voor mij geen fysiek begrip is niet waar, ruimte is maar beperkt een fysiek begrip. Het heeft bij mij heel veel dimensies, veel meer dimensies dan het driedimensionale wat normale mensen vaak aan ruimte toedichten.

Fysieke ruimte

Je zou ook veel meer moeten doen met hoe je ruimte bebouwt. Ik ben wethouder Ruimtelijke Orderning en Grondzaken, ‘de bouwboer’, omdat 85% van de grond in Amsterdam van de gemeente is. Ik geloof dat de manier waarop je gebouwen bouwt, de manier waarop je een stad ontwikkelt, heel erg een bijdrage levert aan creëren van vrijheid en ruimte. Niet alleen op straat, maar ook in je hoofd. Die ‘Oostblokpanden’ van 500 meter muur, met daar achter al diezelfde eenheidsworst, daar ga je eenheidsworst van denken. Je doet ook iets met mensen. Als je anders… Een beetje de Publex-methode zou ik zeggen. Publex is op een gegeven moment begonnen met het schoonmaken van de bushaltes. Met als redenering — de een noemt het kunst, de ander noemt het vandalisme en ik val in die laatste categorie — dat wanneer iemand weer iets heeft volgespoten met een of andere tag en je haalt het er niet af, dat dan de hele bushalte er onder komt te zitten. Maar die Publex-methode werkt veel verder.

Sociale woningbouw kan zich 99 van de 100 keer onderscheiden. Gewoon door de bouw van de woning. Nog erger, gewoon door de brievenbussen. Op het moment dat je brievenbussen of ‘deurbelpanelen’ van sociale woningbouw anders gaat ontwikkelen, geloof ik echt dat mensen zich anders gaan ontwikkelen. We hebben in Amsterdam de Amsterdamse School. Dat waren meer mini-paleisjes, natuurlijk was het mini, maar wel mini-paleisjes voor arbeiders. En ik geloof echt dat indertijd, begin 1900, dat een enorme bijdrage heeft geleverd aan aan de arbeidersklasse zoals dat toen nog heette. Ik denk echt dat op het moment dat je…

De psychologie van een plek

Een ander voorbeeld, maar wat hier wel aan raakt. De mooiste scholen in Nederland, dat zijn de gymnasia. Die herken je meteen. De lelijkste scholen in Nederland, dat zijn de vmbo’s en ROC’s. Zullen we dat nou eens omkeren? Zullen we nou eens gewoon in de mooiste gebouwen van Nederland de vmbo’s en de ROC’s stoppen? En dan stoppen we in de lelijkste gebouwen die we hebben de gymnasia. Ik ben er echt van overtuigd dat als je aan leerlingen laat zien, wij geloven in jou, wij investeren in jou, wij geven jou het beste van het beste, dus ook het beste gebouw, dat dat iets doet in de hoofden van mensen. Als jij op krakkemikkige meubels zit, ga je er slordiger mee om. Op het moment dat jij in een gebouw zit wat er niet uit ziet, ga je er anders mee om. Maar ga je ook anders met elkaar om. We weten uit de psychiatrie al dat je met kleurencombinaties in gebouwen mensen rustiger of drukker kunt maken. Dat kunnen we toch ook loslaten op scholen? Dat kunnen we toch ook loslaten op daar, waar mensen zich moeten ontwikkelen? Je ziet dat als je het hebt over een stad bouwen, of een omgeving bouwen want het hoeft geen stad te zijn, dan maakt het echt uit of je kiest voor mooie, echt geïnvesteerde sociale woningbouw. Ik ben VVD’er. Ik ben voor minder sociale woningbouw dan we hebben in Nederland. Maar ik ben er niet voor om er minder geld aan uit te geven. Alleen zeggen we: we doen minder in kwantiteit, maar meer in kwaliteit. Als we meer investeren in schoolgebouwen, dan verdient zich dat terug in de ontwikkeling van mensen.

Contact

Ik heb zelf het grootste deel van mijn leven, bijna 40 jaar, 39 en een beetje, gewoond in Amsterdam Zuidoost. Wat heel veel mensen kennen als de Bijlmer. Ik heb in de Bijlmer gewoond, in zo’n typische hoogbouwflat van 400 meter. Ik woon nu ook in een flat, die is geen 400 meter, maar is wel een typische galerijflat. Ik vind, één van de redenen waarom ik in een flat wonen fijn vind, is juist de anonimiteit. Wat voor een deel ook te maken heeft met mijn functie. Ik ben de hele dag bezig met mensen die me aanspreken, dus het is ook wel eens fijn om niet aangesproken te worden. Maar de keerzijde van die anonimiteit is geen contact. En daarmee geen verbinding. Ik geloof dat wanneer je het hebt over stedenbouw, en je gaat meer voor ranke flat waarbij je met z’n vijven of met z’n zessen uit komt op één liftdeur en een soort pleintje, dat je daarmee dus meer contact en meer relatie en dus meer verbinding creëert.

Ik ben sowieso een pleinenmens. Ik vind dat wij in Nederland het belang en het nut van pleinen niet inzien. We hebben het Museumplein en de Dam in Amsterdam. Ik vind de Dam een fantastische plek. Het Museumplein, daar zou nog veel meer mee kunnen. Maar het heeft niet de grandeur van sommige andere pleinen. Terwijl plein ongelooflijk belangrijk zijn in de ontwikkeling van een samenleving. Omdat het een plek is van protest, een plek is van vieren, een plek is van rouwen. Niet voor niets verzamelen mensen zich als ze blij of verdrietig zijn. Of als er eenheid moet komen. Dan verzamelen mensen op pleinen. Dus ik geloof dat je met stedenbouwkundige ontwikkeling contact heel erg kunt bevorderen. Dat je dus met het creëren van fysieke, stedenbouwkundige, ruimtelijke ordeningsruimte, ruimte in de hoofden van mensen kunt creëren, vrijheid kunt creëren.

Sturing

Als je kijkt naar hoe wij bouwen, dan bouwen we ook heel erg vanuit het functionele. Maar dan wel beperkt functioneel: kunnen we zoveel mogelijk mensen op een hectare kwijt? Kunnen we het huis zo efficiënt mogelijk inrichten? Kunnen we mensen in een pand zo snel mogelijk van A naar B begeleiden? Dat is allemaal functioneel, maar beperkt functioneel. Ik ben een groot voorstander van de kantoortuinen die je nu steeds meer ziet ontstaan. Omdat in die kantoortuinen veel meer contact is. Als er contact is, dan leidt dat tot wrijving. Dat is niet erg, daar kunnen heel mooie dingen uit komen. Of het leidt tot verrijking. Omdat jij en ik nou eenmaal meer weten dan jij of ik. Dus creëer niet alleen pleinen op straat, maar creëer ook pleinen in gebouwen. Of pleintjes in een flat waar je je buren kunt ontmoeten. We slagen er nog steeds niet in om openbare ruimte in te richten zoals jij en ik het willen gebruiken. We laten ons heel vaak kaderen, maar heel vaak ook niet. Olifantenpaden zijn daar natuurlijk een goed voorbeeld van. Jij en ik ontwerpen als landschapsdeskundigen dat mensen van A naar B via deze lijn moeten lopen. En vervolgens constateer je na een tijd dat we wel zelf onze route hebben bedacht.

We slagen er nog steeds niet in, en we worden er wel beter in op sommige punten, om in die zin de openbare ruimte werkend te maken. We verwachten nog steeds dat mensen zich gedragen naar het ontwerp, in plaats van dat het ontwerp zich gedraagt naar mensen. En tegelijkertijd, er zitten altijd twee kanten aan een verhaal, kun je juist ook weer met de inrichting van de stad sturen. De openbare ruimte kun je ook sturen. Op het moment dat je aan het eind van een weg donkerte creëert, gaan mensen stoppen. Op het moment dat je aan het eind van een weg licht creëert, gaan mensen naar het licht toe. Als je water ziet, zullen mensen een beweging maken naar het water toe. Dus je kunt dingen doen om mensen ook anders door een stad te laten bewegen. Of door een gemeente te laten bewegen. In die zin kun je de inrichting van de ruimte ook gebruiken om bepaalde doelen te halen.

We hebben net ook een boek uitgegeven, ‘De beweegvriendelijke Stad’. Hoe kunnen we de stad nu zo inrichten, nou is het de vraag hoe je het zegt, dat het aanzet tot bewegen (de sturende overheid) of dat het mensen meer de vrijheid en de mogelijkheid geeft om te bewegen? Beide is denk ik waar. Sommige mensen wil je aanzetten tot bewegen, omdat het gezond voor ze is — de sturende, manipulerende overheid. Andere mensen willen heel graag, maar die durven niet. Omdat het bijvoorbeeld eng en donker is. Die kunnen niet, omdat ze een handicap hebben en in een rolstoel zitten en de verkeerde paaltjes tegenkomen, of omdat ze de helling niet meer kunnen nemen. Of omdat ze het eng vinden vanwege de bossages. Vanuit beide kanten geredeneerd merk je dus dat je met de inrichting van de stad, de inrichting van de openbare ruimte mensen kunt beïnvloeden. Ook daar ben ik mee bezig. daarin ben ik ook absoluut sturend bezig. Want ik wil dat mensen graag gaan bewegen omdat ik zie dat het heel belangrijk is voor de individu en de samenleving als totaal. Op zich mag je zelf uitmaken of je veel of weinig beweegt, alleen als jij te weinig beweegt dan word jij ongezond. En als jij ongezond wordt, dan betalen wij als samenleving de prijs. Dan meld je je meer ziek. Dan stop je eerder met werken. Dan maak je meer gezondheidskosten en die kosten die mogen we allemaal met elkaar betalen. En dan komt weer de sturende kant in me naar boven die zegt: ‘Jij hebt de vrijheid. Jij mag je ruimte nemen. Maar neem je hem verkeerd dan beperk je daarmee mijn ruimte. Dan beperk je daarmee mijn vrijheid.’