Hoe Eric van der Kooij ruimte maakt door vorm te geven aan het grijs van de stad

Happyplaces Stories (video)

Ik was in 2013 in Beijing, als creative director voor het Nederlands paviljoen daar in wat liefkozend ‘The Tank’ werd genoemd. In die anderhalve week het epicentrum van het Nederlandse programma tijdens de Beijing Design Week. Zeg maar spreekwoordelijke Holland House van de stad Amsterdam, gaststad van die vierde editie van het evenement. Er waren dus een boel Nederlanders in Beijing, en veel deelden hetzelfde hotel aan de rand van 798 Art Zone, het Dashanzi Art District waar The Tank zich ook bevond, in 751 D-park. Aan de overkant van de straat, tegenover het hotel, zat een rijtje restaurants en game rooms. Restaurants maakt het gelijk een stuk sjieker — het waren eetplekken voor de lokale bevolking, heerlijk eenvoudig en dus ook het beste en echte Chinese eten. En daarmee ook de vaste hang-out ’s avonds voor de Nederlanders in het hotel.

Ik herinner me dat we daar zaten met een groep, grote flessen bier te delen met elkaar, toen er een groep mannen aanschoof. Duidelijk architecten. Ondanks de warmte, toch in colbert, absoluut niet zo uitbundig zoals de rest. Tikje onwennig zelfs. Het bleek te gaan om een groep met inderdaad architecten en stedenbouwkundigen die er waren om hun visie op de urbane toekomst uiteen te zetten. Allemaal timide mannen. Behalve één. Hij droeg een aluminium bril, lachte keihard om niet te goede grappen en stapte op me af en vroeg hoe het met me ging. En vertelde toen een heleboel over mij. In detail. Aan mij. In zoveel detail dat hij dat van iemand moestw eten die ik goed kende. Stilte. Ik. Had. Werkelijk. Geen. Idee. Wie. Die. Man. Was.

Hij stelde zich voor. Opnieuw, bleek later. Eric. Het bleek dat we elkaar een tijd eerder hadden ontmoet op een station. Ik reisde altijd met de trein van Drenthe naar de Randstad naar mijn werk, en hij ook, van Hilversum naar Amsterdam. Ergens hebben we elkaar een keer ontmoet op een station en toen een heel leuk gesprek gehad, van alles uitgewisseld tot aan Hilversum. Vertelde Eric. Hij had het allemaal onthouden. Ik had werkelijk geen idee meer. S-u-p-e-r-g-ê-n-a-n-t. Ik bleek zelf de bron te zijn. Na een boel biertjes in China toen, hebben we sindsdien meer dan veel contact. Maar blijkbaar moet je altijd naar het buitenland om Nederlanders écht te ontmoeten. Het was het allemaal waard. Niet veel later zocht ik hem op in Amsterdam. Om meer van hem te leren hoe je met ruimte om gaat in een stedelijke omgeving.


‘Vind je het nog leuk wat je doet?’ Of: ‘Wat is de essentie van je vak nou.’ Daar ben ik wel altijd me bezig. Zodra ik in mijn vak niet meer de mogelijkheid heb om creatief te zijn of om mijn toegevoegde waarde te zien. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor, stedebouw gaat over de stad en dat doe je voor iedereen maar dat klinkt zo raar, want de burger bestaat ook niet. Als ik dat gevoel niet meer heb, dan ga ik wat anders doen. Als stedenbouwkundige wat doe je dan? Mensen vinden het dan heel belangrijk om als ontwerper te worden neergezet. De rol van het ontwerp is om dingen beter en mooier te maken. Zorgen dat dingen kloppen. De discussie die er op dit moment in Nederland is, is dat door de crisis niemand meer echt mag ontwerpen. Omdat er geen geld meer is, er geen toekomstplannen meer gemaakt mogen worden. Het moet allemaal bottom-up, het moet vanzelf ontstaan. Dus de ontwerpdiscipline zit met een enorm dilemma. Of het nou architecten, landschaparchitecten of stedenbouwers zijn, die klagen allemaal: ‘O, we kunnen het niet meer, we mogen het niet meer.’ En de politiek zegt: ‘Ja maar, ontwerp dat is vies.’ Want ontwerp gaat over wat iemand vindt en doet terwijl het nu heel erg van onderop moet komen.

Daar hebben de opleidingen last van. Want die denken nog steeds dat ontwerpen altijd moet blijven, dat denk ik ook, maar ik denk dat de rol van ontwerp veel breder is. Dat er veel meer kan. Want uiteindelijk is ‘stede-bouw-kunde’ het ‘maken van de plek’. ‘Stede’ is een plek. Het creëren van plekken, leefomgevingen van mensen, waar mensen in kunnen leven. En het ontwerp helpt daarbij. Om te zorgen dat je een deel van de complexiteit die ontstaat, doordat ineens heel veel mensen op een hele compacte plek moeten wonen, dat je toch zorgt dat de straten goed op orde zijn. Lucky Luke had daar zo’n mooi plaatje van. Hoe zo’n western dorp ontstaat. Dan zie je al die huizen zo bij elkaar staan en dan zie je zo’n tekstballonnetje: ‘Is het toch niet handig dat we eerst straten en wegen gaan maken voordat we de huizen allemaal tegen elkaar aan gaan zetten.’ Dat is de rol van het ontwerp. Zorgen dat dingen kloppen. En het is nog mooier wanneer het als schoonheid wordt ervaren.

Soms vinden mensen dingen logisch en dan komt het omdat het een goed ontwerp is. In die zin vind ik stedenbouw eigenlijk ook onderscheidend van architectuur. Want architectuur kan je subjectief in zijn, of je het mooi vindt of niet. Maar een goede stad is kloppend of niet kloppend. En dat is iets wat ik altijd probeer te vertellen aan mensen. We hadden altijd een poster hangen in het kopieerhok met alle mooie pleinen en gebouwen in Italië. Prachtige gebouwen. Als ik dat aan studenten liet zien en zei: ‘Wat is nou de rol van stedenbouw als je al die gebouwen ziet?’ Ieder gebouw en ieder plein is even mooi. En even bijzonder. ‘Je hebt wat grijs nodig om te zorgen dat die dingen ook mooi kunnen zijn.’ En dat is eigenlijk wat mijn vak is: het grijs zo maken dat dingen bijzonder kunnen zijn. Dat is een hele ondergeschikte rol. Op het moment dat een ontwerper vindt dat hij vorm moet toevoegen aan een stad, dan wordt het vaak problematisch. Dus ik denk, stedenbouw is eigenlijk met maken van het grijs, zodat andere dingen daar bijzonder in kunnen zijn. Soms is dat door heel simpele regels te maken. En ook zorgen dat dingen gewoon werken.

Ik ben op een gegeven moment gaan werken met zwarte ondergronden, omdat wij heel vaak presentaties maken waar je dingen projecteert op een scherm. Je weet als geen ander dat op het moment dat je op een wit vlak een streep zet, dat die streep eigenlijk niets voorstelt. Dat ik eigenlijk een dikkere stift nodig heb om te zorgen dat die streep nog meer betekenis krijgt. Stel dat je hier een inversie van maakt, dan kan ik een heel klein dun lijntje maken wat veel meer betekenis heeft. Het omgaan met betekenis en duiding heeft ook te maken met binnen welke context je dat ziet. Het maken van grijs, is bijna alsof je een sterrenhemel hebt. Die is ook mooi omdat er heel veel zwart is met daarin een paar sterren. En daar hoef je maar heel weinig aan toe te voegen om dat bijzonder te maken. En de omgekeerde gedachte is dat het een wit vel is waar je alles op moet invullen. En dan ga je alles heel zwaar maken. Dat is zoals je naar het vak kunt kijken. Ik heb wel eens bij een hele beroemde architect gestaan die zei: ‘Kijk, ik doe ook aan stedenbouw want al mijn gebouwen heb ik naast elkaar gezet, en ik kan dus ook een stad maken.’ Dat is eigenlijk op een wit vel met een hele dikke stift tekenen. Je hebt maar een paar lijnen nodig. Hoe meer lijnen, hoe complexer het wordt. Terwijl als je echt in het zwart iets maakt, dan heb je maar heel weinig nodig. En iedere kleur heeft veel meer betekenis.

In essentie zou je kunnen zeggen dat dat ons vakgebied het functioneren van de stad, of de stad is. En een goede stad die functioneert als er vanzelfsprekenende samenhang is tussen dingen. Een stad is een soort van natuurlijk groeiproces waar helemaal niet aan ontworpen is, maar wat langzaam groeit. Maar, op het moment dat er tempoversnellingen komen doordat dingen snel worden ontwikkeld, doordat er grote infrastructurele ingrepen komen zoals bijvoorbeeld een trein of een snelweg die dwars door alles heen banjeren, dan ontstaan er breuklijnen in die stad. Die er voor zorgen dat gebieden van elkaar gescheiden worden. En de rol van de stedenbouw is om er voor te zorgen dat dingen niet isoleren. Dus hoe meer een stad delen heeft die geïsoleerd zijn, of het nu de rijken of de armen zijn, hoe slechter het is voor de stad. Dan wordt het ‘wij’ en ‘zij’. Daar zijn in Ierland mooie voorbeelden van. Die zijn op basis van geloof, maar het kan ook zijn op basis van sociale ongelijkheid. Een evenwichtige stad is een stad die zoveel mogelijk menging heeft, zodat daaruit veel meer acceptatie voort komt. Dus het feit dat er heel veel culturen leven en goed met elkaar om gaan, zowel in geloof als in uiting, maakt dat die stad een enorme bruisende cultuur heeft die elkaar ook kan accepteren. En die er ook voor kan zorgen dat er daardoor slimme dingen of innovatie kan ontstaan. Net zoals dat een mens ritme en rust nodig heeft om bijzondere dingen te kunnen doen, heeft een stad dat ook nodig.

Hoe meer er anarchie is in alles overal kunnen plaatsen, hoe lastiger het is om die rust te vinden. En het simpelste voorbeeld is in New York. New York heeft een eenvoudig grid-systeem met een hiërarchie in avenues en streets. Iedereen weet hoe dat werkt. Met een paar eenvoudige regels over rooilijnen en wat je wel en wat je niet mag. En de rust zit hem in het water aan twee kanten en het park in het midden. Dat is voor iedereen heel herkenbaar. En daarbinnen zit heel veel individuele vrijheid. Dus de kunst is eigenlijk om die rust voor die stad zo te creëren dat daar toch bijzondere dingen in kunnen ontstaan.

De burger bestaat niet. Er zijn wel bepaalde typen samenlevingen waarin je iets kunt betekenen. Als we vier typen samenlevingen schetsen: de een kan het goed individueel, de ander kan het collectief, de ander kan het niet individueel en de ander kan het collectief niet. En in die samenlevingen kan je als overheid iets doen. Ik vind dus ook dat de kern van het vak is dat je het publieke belang dient. Daarom werk ik bij een overheid. Het publieke belang betekent dat je er voor moet zorgen dat je zoveel mogelijk probeert om alle groepen in die samenleving zo goed mogelijk te bedienen. Dat zou je als poldermodel kunnen vertalen als ‘niet met je hoofd boven het gras uit, anders word je weggemaaid’, maar dat betekent niet dat je niets bijzonders kunt maken. In een stad waar heel veel mensen zich prima kunnen redden, zullen er altijd mensne buiten vallen die zich niet kunnen redden. In een bepaalde stad kun je dat accepteren tot een bepaald niveau, en dan niet meer. Daar is Nederland weer anders in dan Duitsland of Amerika. Of New York is weer anders dan Atlanta. Omdat ze dat publieke belang anders wegen.

Mooie steden zijn steden, niet waar je eindeloos in verloren raakt, maar waar je een soort vanzelfsprekend gevoel hebt van: hier klopt de schaal, hier klopt de samenhang, hier ben ik vertrouwd in de buurten. Een mooi voorbeeld vind ik Parijs. Parijs is door Haussmann doorkliefd met die grote avenues. Ik heb laatst in Parijs gefietst en wat je dan ontdekt is dat al die dorpjes, de arrondissementen, die zitten juist tussen die boulevards in. En dat zijn eigenlijk allemaal nog kleine entiteiten. Zij hebben allemaal hun eigen identiteit. Maar die samenhang wordt gemaakt door die lange avenues en die grote gebouwen. Ook een vorm die goed werkt. In New York werkt dat weer anders. En in Amsterdam ook. Dat maakt dat een stad voortkomt uit de plek en de mensen die er zijn. Ik vind het altijd heel moeilijk om te bedenken: ‘Ik ga een stad maken voor een miljoen mensen en hij is over tien jaar klaar.’ Dat is ook een probleem met de huidige Aziatische groeispurt. Hoe voeg je daar identiteit aan toe die past bij de cultuur. Amsterdam is ontstaan uit een cultuur, ze laten altijd een plaatje zien van een moeras. We zijn een moerasvolk, Nederlanders. We hebben een moeras moeten beheersen. Dat was eerst tussen de muggen en in de delta was het een beetje handelen. En vervolgens zeiden we dat het allemaal gevaarlijk was. Dus laten we dijken maken. Dan kunnen we dat veen droogmalen. Dan hebben we brandstof, want er groeien toch geen bomen in een moeras. In een moeras groeien bomen nooit hoger dan vier, vijf meter. En vervolgens, als je dat veen hebt gebruikt, dan ontstaat er weer een meer. Dat is weer lastig, want als het gaat waaien dan is dat weer onveilig. Dus we gaan dat leegpompen. En op de bodem, is er ineens een nieuwe zandgrond. Enz. dat doen we wel samen. De cultuur die wij hebben is heel anders dan een cultuur in de bergen waar je ergens tegen een helling aanligt, en zegt: ‘Zullen we hier een kasteel maken dat over de omgeving uit kan kijken.’ Dus Amsterdam kan je niet maken in Zwitserland. De wijze waarop een stad ontstaat moet onstaan vanuit hoe de mensen zijn. je hebt dus nooit een recept voor de stad maken. Je hebt een recept hoe je een stad kunt begeleiden in de groei.

Dat is het probleem van het plannen van een stad. Aan de ene kant moet je vooruit kijken. Grote lijnen, grote gebaren, waarin je niet iedereen kunt bevragen. En dat je ondertussen ziet dat de samenleving veel mondiger is geworden. Mensen willen zelf dingen doen, hebben ideeën. dus die wil je ook een plek geven. Het schisma wat er ontstaat is dat de tijd dat mensen in stofjassen in deze dienst bedachten ‘zo ziet de stad er uit en dat is het beste, dat we daar industrie doen en daar het wonen’. Wat ook in de tijd was dat industrie vuil was, maar intussen hebben we ook ontdekt dat alle creatieve industrie het liefst in de stad wil zijn, waar de mensen zijn. Dingen zijn veel complexer geworden. Hoe breng je nou bij elkaar dat ondernemerschap dat veel meer met die stad wil, en toch die lange termijnopgaven die gaan over bijvoorbeeld doorzettende groei. Hoe zorg je dat je dat op een goede manier doet. Mensen voelen zich daardoor ook een beetje overvallen. Zeker in Amsterdam, waar eigelijk niemand een boodschap heeft aan nog meer mensen in de stad. Moeten we dan tegen de mensen die hier in de stad willen wonen zeggen ‘je komt er niet meer in’?

Dat is een probleem van de democratische verworvenheid die we nu hebben. Dat we mensen zo hebben opgeleid dat ze goed kunnen denken, meedenken, mensen weten wat er in de wereld speelt. Je hoeft niemand meer iets te vertellen. Mensen hebben overal toegang toe. Maar ze hebben ook een belang. De kunstenaars in de binnenstad zitten helemaal niet te wachten op nog meer kunstenaars. Maar tegelijkertijd komen er allerlei nieuwe mensen bij. Hoe ga je dat faciliteren? Het faciliteren van die groei is anders geworden dan in grote stappen de stad uitleggen. Daar komt ook nog bij dat er slimmere oplossingen beschikbaar komen, veelal gestuurd door bewustzijn. Zoals duurzame manieren van omgaan met leven, autodelen, beter omgaan met voedsel op een andere manier slimmere oplossingen mogelijk maakt. Er is nu bijvoorbeeld een enorme energievraag om woningen warm te houden die slecht geïsoleerd zijn. Daarnaast staat een datacentrum dat enorm veel energie aan het maken is door al die data die daar verwerkt wordt. Dan zou je dat eigenlijk met elkaar moeten verbinden, toch doen we dat niet. Dat zijn de nieuwe zoektochten die we moeten doen. Dat is heel lastig om dat op een burgerparticipatiemanier te doen, maar het zijn wel de vraagstukken waar je je als stad mee bezig houdt.

En de rol van het ontwerp is om dan niet het ontwerp te maken, om te verhelderen en te verbeelden. Om te zeggen: ‘Het zit zo in elkaar.’ En het is aan jullie om er iets mee te doen. Dus naast de eerste rol, de belangenbehartiger van de openbare ruimte is er een tweede: die van helpen verbeelden hoe die complexiteit van de stad in elkaar zit. Dat kan je omdat je ruimtelijk kunt tekenen en verbeelden. De rol van de verhelderaar. Dan heb je nog een derde rol, die van de onderzoeker. Die eigenlijk zegt: ‘Ja maar, hoe zit dat systeem van energiegebruik en energievraag in elkaar? Waar slaat dat ruimtelijk neer? Welke fabriek, stroom of leidingen hebben er mee te maken?’ Hij onderzoekt eigenlijk hoe het ene systeem verband houdt met het andere systeem. En dat kan per definitie alleen maar met kaarten. En met tekeningen die dat verbeelden. En dat is ook de kracht van de rol als ontwerper. Daar zit ook heel veel verwantschap in met wat andere ruimtelijke verbeelders ook kunnen. Ik vind het zelf heel interssant om naar de reclamewereld te kijken omdat zij heel erg goed in een heel kort tijdsbestek een hele heldere boodschap kunnen over brengen met heldere beelden. Dus de rol van verhalenverteller is wat ook past bij de stedenbouw. Waar wij veel meer van kunnen leren, uit de commerciële wereld.

Ik zat met mijn kinderen laatst The Good, The Bad and The Ugly te kijken. Daarin wordt ingezoomd op de ogen van Clint Eastwood, dat eindeloze shot, een beeld dat heel langzaam inzoomt. En met z’n drieën hebben we dat gespeeld. Als je dan naar de huidige videoclips kijkt, daarin komt zoveel informatie voorbij, en het kunnen hanteren van die intensiteit van beeldsequenties is iets waar wij bijna al achterlopen op de Oosterse cultuur. Mijn vader, die heeft ook veel gereisd, die maakte mij daarop attent. Wij hebben 26 letters en daar maken wij woorden van. Dat proberen we dan te begrijpen. Dat is ons alfabet. Chinezen hebben 3000 leestekens en als kinderen op de middelbare school terecht komen kennen ze er 300 waar ze alles mee kunnen doen. De Oosterse cultuur maakt veel meer gebruik van beelden en tekens dan wij. En als je een animatiefilm bekijkt, zijn de mensen die de uitwerking doen bijna allemaal Aziaten. Die kunnen dat veel sneller en beter. Ik vind het heel interessant om te onderzoeken hoe met beeldinformatie een boodschap kunt overbrengen waarmee je mensen kunt overtuigen. Er zit ook een verhaal in hoe je complexiteit zichtbaar maakt. En vroeger was het heel simpel. Je had gewoon de stad. Daar gebeurde van alles. En het stonk. Dat moest schoon. Daar had je een rioolsysteem voor nodig. En bouwhoogtes. En huizen van stro. En huizen van steen. Dat ging allemaal goed. Er kwam industrie. Dat was vuil. Dat deden we aan de rand van de stad. Toen kwamen er grote auto’s. Snelwegen. Die moest je ook ordenen. Maar die nieuwe stad van de toekomst die heeft allerlei vormen van data. Die de stad slimmer kunnen maken. Die heeft allerlei vormen van dingen die je niet ziet, maar wel bijdragen aan kwaliteit van leven. Dat is niet alleen een zonnepaneel op je dak. Dat is ook een elektrische fiets. Of een slimme manier van je fiets opbergen onder de grond. Het zijn allemaal vormen die het leven in de stad slimmer maken. Dus, mensen laten snappen hoe al die dingen met elkaar samenhangen, gaat meer vergen dan dingen een plek wijzen. Maar juist over bij elkaar brengen. En dat kunnen we niet meer zelf. Daar hebben we die cumulerende kennis bij nodig om daarbij te helpen. Die rol van onderzoeker, daar zit ook veel meer die rol in van het leren van andere disciplines.

De stad gaat complexer worden. Omdat meer mensen in toenemende mate bezig zijn om allerlei nieuwe dingen te ontdekken. En innovatie een heel belangrijke rol gaat spelen in het kunnen verbeteren hoe de stad werkt. Dat zie ik een beetje als de rol van mijn vakgebied. Dat je ook sneller kunt schakelen tussen tijd, tussen belangen, tussen stakeholders, tussen allerlei verschillende facetten en actoren. Dat is nog een hele opgave. We moeten vooral veel vrienden willen worden met andere disciplines. En ook de vraag niet zozeer moeten stellen: ‘Zullen we het zo gaan doen?’ Maar: ‘Hoe kunnen we helpen?’