Hoe Frum van Egmond ruimte maakt door structuur voor optimale vrijheid

Happyplaces stories (video)

Marcel Kampman
Sep 7 · 35 min read

Toen ik nog midden in Project Dreamschool zat, waarmee we werkten aan onderwijsvraagstukken, het maken van leeromgevingen waarin mensen maximaal ruimte kunnen houden om zich te kunnen blijven ontwikkelen, werd ik regelmatig gevraagd voor allerlei initiatieven die over leren gingen. Ik had een afspraak op de Zuidas voor een mogelijk nieuw project, de initiatiefnemer had naast mij ook Frum van Egmond uitgenodigd. Wat allereerst leidt tot een glimlach vanwege de niet-alledaagse voornaam, maar ik had al over haar gehoord. Frum had namelijk de mogelijkheid gehad een eigen school te starten, wat nogal uniek is. Dat is trouwens ook iets wat mensen makkelijk roepen die ideeën hebben hoe het onderwijs eigenlijk zou moeten zijn, dat ze een eigen school zouden willen starten of hebben. Maar er zijn er weinig die dat dan ook daadwerkelijk doen. Frum wel, in Egmond, nee, Noordwijk, De Noordwijkse School. Inmiddels trouwens veel meer dan die ene school, nu is het een methode in gebruik door tientallen scholen en reist ze de wereld over om haar visie en aanpak te delen.

We hadden een goede meeting en ik leerde in het moment al enorm veel van Frum bij. Wat ik toen simpel heb samengevat in ‘om te kunnen leren heb je een veilige omgeving nodig zodat je nieuwsgierig mag zijn’, en heb dat sindsdien altijd voorzien van Frum’s naam als afzender. Ik heb sindsdien ook wel in projecten geleerd dat het scheppen van die veilige omgeving verschrikkelijk ingewikkeld is, dat die er vaak niet is en dat dat dan ook inderdaad mensen belemmert om hun nieuwsgierigheid achterna te gaan, omdat ze dat niet meer kunnen, durven of mogen. Vaak dan ook steeds minder willen en ontleren. Sinds die ontmoeting hebben we altijd contact gehouden, kwamen we elkaar regelmatig in projecten tegen wat superfijn is, want die inzichten die Frum heeft opgedaan en waarop ze haar methode heeft gebaseerd gaan namelijk niet over onderwijs, maar zijn toepasbaar op alles. We leren immers de hele tijd, altijd, zeker niet alleen op school en andere formele leerplekken. Frum heeft dat denkwerk, haar geleerde lessen en ideeën in praktische ‘denkbubbels’ en een Fundamenteel Leer Model, wat je dan ook veel ruimer kan toepassen dan enkel binnen de muren van een school.


We zijn hier op een plek die ik heel fijn vind, terwijl die ook heel nieuw is. Dit is de surfclub in Noordwijk die ergens begin jaren ’80 door mijn vader is opgericht om surfen op zee mogelijk te maken. Dus eigenlijk om ruimte te creëren voor surfers. Mijn zusje heeft dit gebouw ontworpen. Zij is ook architect, mijn vader is ook architect. Als je het hebt over ruimte, dan is ruimte wel iets waarmee ik ben opgegroeid in letterlijke zin. Want het ging veel vaak over hoe je ruimtes creëert. Mijn vader vertelde me laatst dat in zijn gebouwen die hij tot nu toe heeft gemaakt, structuur voor vorm komt. Dus eerst moet je zorgen dat je een soort frame maakt, dan kun je alle vormen die je kunt bedenken daaraan hangen. Toen realiseerde ik me dat dat ook iets is wat ik gebruik in het ontwerpen van onderwijs. Ik ben opgegroeid in het ontwerpen van gebouwen, van ruimtes, en ik heb onbewust die principes ook toegepast op het ontwerpen van onderwijs.

Ik heb in 2006 een school opgericht in Noordwijk, De Noordwijkse School. Dat gebeurde omdat ik al vanaf een jaar of acht dacht dat ‘later als ik groot ben een school ga opzetten’. Dat was niet een heel diepzinnige gedachte, behalve dat ik zelf ook altijd heel nieuwsgierig was en heel veel wilde leren. Leren was iets waar ik iets mee wilde doen. Dan gaat het leven zoals het gaat… Ik ben Psychologie gaan studeren, Communicatiewetenschap. Ik heb veel trainingen gegeven op het gebied van persoonlijke en sociale vaardigheden. Veel aan kinderen. Ik zag dat wanneer je kinderen daarin al vanaf jongs af aan in begeleidt, dat ze dat een enorme voorsprong geeft in hun leven. Dat je ze dan de mogelijkheid geeft om meer ruimte in te nemen en meer hun eigen ruimte in te nemen. Wat daarin voor mij heel belangrijk is, is dat je een koppeling maakt tussen wie iemand is en hoe die van daaruit zelf kiest om met zijn omgeving om te gaan. Dus het gaat niet over het aanleren van een trucje hoe je iets moet doen, maar om het aanleren van aantal mogelijkheden zodat je kunt kiezen vanuit wie jij bent welke bij jou past.

Nieuw beginnen

Ik heb in Amsterdam gewoond, van mijn 18e tot ongeveer mijn 32ste. Toen ik naar Noordwijk verhuisde had ik inmiddels drie kinderen. Ik had al jaren niet meer gedacht aan dat idee, dat ik ooit nog een keer een school wilde opzetten. Tot het moment dat ik verhuisd was en dat idee plotseling weer boven kwam. Toen ben ik gaan onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om een eigen basisschool op te zetten. Toen bleek wonder boven wonder dat er in Noordwijk een mogelijkheid was om een aanvraag te doen bij het Ministerie om een algemeen bijzondere basisschool op te zetten. Dat is een school die een particulier initiatief is maar wel overheidsbekostiging krijgt. Dat zijn traditioneel gezien ook altijd de vernieuwende scholen geweest, omdat die zijn ontstaan omdat ouders of groepen mensen iets anders wilden in het onderwijs. Ik heb toen een aanvraag gedaan. Dat traject duurt twee jaar, voordat je die vergunning hebt. Dus ik had twee jaar om te bedenken hoe mijn school moest worden. Daar had ik eigenlijk geen spectaculaire ideeën over. Ik dacht: ‘Die methodes, daar is zó lang over nagedacht! Je hebt extra uitdagingen voor kinderen die meer kunnen, extra oefeningen voor kinderen die nog niet zoveel kunnen. Dus ik denk dat het een gewone school wordt met een aantal extra’s.’ Het meest belangrijke voor mij op dat moment waren die persoonlijke en sociale vaardigheden, maar ik had ook bedacht dat de kinderen vanaf vier jaar Engels zouden moeten krijgen omdat steeds meer informatie en communicatie in het Engels is. Kinderen zijn juist heel taalgevoelig als ze jong zijn, dus is het zonde om daar niet meteen mee te beginnen. En ik wilde aandacht voor creatieve vakken, omdat een kind of mens in het algemeen zich creatief moet kunnen ontwikkelen.

Toen heb ik voor de zekerheid gekeken of het niet gewoon Dalton, Montessori of Jenaplan moet worden. Toen kwam ik er heel snel achter dat er heel veel kennis is over leren, mede door alle onderzoek dat gedaan wordt naar hersenen en ‘hersenen leren’ is gedaan, wat je op de meeste scholen nauwelijks terug ziet. Ik zag ook dat de wereld aan het veranderen is, en dat dat om andere vaardigheden vraagt dan die traditioneel op scholen worden aangeleerd. Dat is op dit moment een hype in onderwijsland, die 21e eeuwse vaardigheden, alle scholen zijn daar mee bezig. Maar in 2005/2006 speelde dat nog nauwelijks. Omdat wij nieuw startten konden we dat meteen in het onderwijs meenemen. In die twee jaar ben ik met de mensen om mij heen scholen gaan bezoeken, naar conferenties geweest, heb ik stapels boeken gelezen, met experts gesproken en zo overal puzzelstukjes verzameld. Het starte als een hele berg puzzelstukjes van dingen die ik allemaal wilde op mijn school en toen we die puzzel gingen leggen kwam daar een heel andere manier van werken uit. Als ik dan aan mensen vertelde dat ik een nieuwe school ging opzetten, dan zeiden ze: ‘Oh leuk, Montessori!’ ‘Nee, nee, niet Montessori.’ Dan zeiden ze: ‘Oh, Iederwijs!’ ‘Nee, nee, niet Iederwijs.’ Toen dacht ik: ik moet het een naam geven anders snappen mensen niet wat het is en dan blijven mensen me lastig vallen met van alles en nog wat. Maar hoe noem je nou zoiets? Uiteindelijk heb ik het maar gewoon naar Noordwijk vernoemd. Dus het heet De Noordwijkse Methode omdat ik daar mijn school heb opgericht.

Op zoek naar grenzen om te kijken hoeveel ruimte er is

Wat daarin misschien wel grappig is, wat ik van kinds af aan met ruimte heb gehad naast dat het in ons gezin een onderwerp was, was dat ik zelf altijd op zoek was naar de grenzen. Om te kijken hoeveel ruimte er is. In dat opzicht vind ik ook dat regels vaak maar ingesleten gewoontes zijn. Maar het is fijn om te kijken waarom ze er zijn en of het misschien anders kan en ze ter discussie te stellen. Dan kun je het misschien ook anders doen. Dat is ook iets waarnaar ik heb gekeken bij het opzetten van De Noordwijkse School. Daarin heb ik wel gemerkt dat het belangrijk is om structuur aan te brengen. Dus wat mijn vader als architect ook zei. Mensen vinden het niet zo fijn als er geen grenzen zijn aan de ruimte. Ik heb daar veel over nagedacht en dan zie ik het beeld van het heelal voor me. Als je denkt aan jezelf in het heelal, dan voelt dat unheimisch, dan voelt dat helemaal niet prettig. Als je een nieuwe school gaat opzetten dat denkt iedereen dat je helemaal niet anders kunt werken dan gebruikelijk is. Want je moet van alles. Van de overheid, van de Onderwijsinspectie, kerndoelen e.d. Mijn ervaring is dat er heel erg veel ruimte is. Je hoeft helemaal geen ruimte te maken, maar je moet gewoon ruimte nemen. En dat er dan ongelooflijk veel kan. Dat bijna alles kan. Dat vond ik zelf wel een heel fijn gegeven. Bij vrijheid hoort ook verantwoordelijkheid. Wat ik in het onderwijs heb gemerkt is dat dat iets is waar mensen in opgeleid zijn. Dus als ik met nieuwe scholen werk dan is dat wat mensen het eng vinden. Dat docenten en leerkrachten het ’t engst vinden om niet meer per se te doen wat het methodeboek zegt, maar om zelf te kiezen wat je gaat leren aan kinderen. Want dan neem je ook de verantwoordelijkheid voor dat het goed is wat je doet.

Kennismaken met de wereld

Het is een beetje een zijsprong, maar in die twee jaar dat we bezig waren met nadenken over hoe De Noordwijkse School moest worden, ben je op alle lagen aan het nadenken hoe iets kan zijn. Het belangrijkste doel van De Noordwijkse Methode en School is om een kind te laten schitteren met zijn talenten zodat hij van daaruit een positieve bijdrage kan leveren aan de wereld om hem of haar heen. Daar zit heel erg mijn overtuiging in, dat als je de ruimte krijgt om te doen waar je goed in bent en kunt doen wat je leuk vindt, dat je dan de meeste kansen en mogelijkheden hebt om iets bij te dragen aan de wereld. Ik vind die combinatie van persoonlijke ontwikkeling én een deel uitmaken van het grote geheel heel belangrijk. Die zit in alle lagen van hoe ik werk. Je kunt er alleen achter komen waar je goed in bent en wat je leuk vindt als je eerst kennismaakt met de wereld. Dat is wat mij betreft een heel belangrijke taak die het onderwijs heeft: om kinderen kennis te laten maken met de wereld zodat je daarmee kennismaakt met jezelf. Dus dat je leert nadenken over wat je tegenkomt in de wereld zodat je van daaruit ook keuzes kunt maken over wat jij wil en wie jij bent. Als je nog nooit iets hebt gedaan, je hebt bijvoorbeeld nog nooit geleerd of gezien hoe je muziek kunt maken, dan weet je ook niet of je daar goed in bent. Dan is de kans ook heel klein dat je daar voor kiest. Als je niet weet wat een architect doet, weet je ook niet of je architectuur wilt studeren.

Hersenruimte

Als je het hebt over het kennis maken met de wereld, wanneer ik daar over praat, dan laat ik een plaatje zien van een boom in de vorm van een hoofd. Je zou je hersenen kunnen zien als een boom met takken. Elke keer als je iets nieuws leert, dan komt er een takje bij. Je kunt alleen iets nieuws leren waneer je ale en grote tak hebt waar je iets aan kunt hangen. Want als je iets nieuws tegenkomt en je hebt niet al in je hoofd een referentie waaraan je het kunt koppelen, dan komt het niet eens binnen. Ik geef altijd als voorbeeld dat je een kleuter een wiskunde formule kunt geven, maar dan gebeurt er gewoon niks. Want die kleuter heeft totaal geen aanknopingspunt, die herkent het niet eens. Dat is bizar genoeg wat je hersenen dan ook doen, dat wanneer je iets tegenkomt dat je niet herkent, dat het dan niet binnenkomt. Daarom is het voor mij een heel belangrijk doel van het onderwijs om kinderen te helpen om een zo groot mogelijke kennisboom te ontwikkelen, zodat ze ook na schooltijd en later in hun leven zo optimaal mogelijk kunnen profiteren van nieuwe dingen die ze tegenkomen. Daarmee creëer je ook ruimte omdat je anders een heel deel van de werkelijkheid mist als je niet al heel veel weet.

Onbekende wegen naar Rome, Zuid-Frankrijk en Utrecht

Een ander beeld dat hij leren en hersenen hoort dat ik vaak ook vertel is dat je de hersenen zou kunnen zien als een wegennetwerk. Bijvoorbeeld de stad Utrecht, daar komen ontzettend veel wegen naartoe. Snelwegen, b-wegen die ook weer verbonden zijn met allerlei lokale wegen, dorpspaadjes en van alles. Je zou Utrecht kunnen zien als een onderwerp waar je heel erg veel vanaf weet. Bijvoorbeeld over je familie, of over je hobby of over werk wat je al heel lang doet. Daar ken je alle nuances van, daar heb je alle associaties bij, dat kun je op allerlei verschillende manieren benaderen. Elke keer wanneer je iets nieuws daarover leert, dan komt er een nieuw weggetje bij. Als je dat steeds vaker doet, dan wordt die weg steeds sneller, dan krijg je snelwegen in je hersenen. Dat zijn de vaardigheden of de kennis die je in een keer om kunt roepen, die automatisch gaat, waar je niet meer over nadenkt. Volwassenen hebben op heel veel vlakken al snelwegen en dat je dan net als wanneer je naar Zuid-Frankrijk rijdt over de Route du Soleil, je dan alle mogelijkheden mist die in alle dorpjes en alle weggetjes je zouden geven. Die zie je niet meer. Zo werkt het ook met leren. Op een gegeven moment heb je snelwegen, dat is heel handig want dat is efficient, maar je mist daardoor alle creativiteit om eens andere mogelijkheden te onderzoeken of denkwijzen te bekijken. Daar moet je heel bewust mee bezig zijn, maar je kunt kinderen ook trainen om het aangeboren vermogen voor een deel te behouden. Of om steeds op zoek te gaan naar onbekende wegen.

Wat ik ook interessant vind aan een wegennetwerk als metafoor voor je hersenen, is dat er heel erg veel wegen zijn naar Rome, maar dus ook naar Utrecht. Leren kun je op ongelooflijk veel manieren doen. Sommige kinderen vertel je één keer iets en dan ligt er een snelweg, of kunnen ze het. Met andere kinderen moet je lang zoeken, omwegen zoeken en dan uiteindelijk is er een soort van b-weg. Als je iets voor het allereerst leert, dan komt er een nieuw bospaadje. Stel je leert een nieuw woord, dat hoor je één keer en je snap waar het over gaat, dan komt er een klein verbindinkje. Wanneer je daarna dat woord nooit meer hoort, dan verdwijnt dat ook weer. Dat raakt weer overgroeid. Als je dat woord vaker hoort, dan wordt het een uitgesleten paadje, wanneer nog vaker, dan wordt het een weggetje. Wanneer je het in verschillende contexten gaat gebruiken, dan komen er meer wegen om datzelfde punt heen. Dit zijn allemaal ingrediënten die voor mij belangrijk waren in het nadenken over hoe leren er dan op school uit zou moeten zien.

Tijdloze en flexibele basisprincipes

Ik noemde ook al die veranderende wereld, dan kun je hele lijstjes maken over internationalisatie, reizen naar Mars die op stapel staan, maar ook het verschuivende machtsevenwicht in de wereld, artificiële intelligentie: de meest veelomvattende die misschien wel het meest onbekend is bij veel mensen. Allemaal redenen om het onderwijs anders te doen. Al die ontwikkelingen zijn er, maar dat in de 15 jaar dat ik nu inmiddels bezig ben met leren en De Noordwijkse Methode, ik steeds meer tot de conclusie kom dat er universele leerprincipes zijn die tijdloos zijn. Die dus ook niets te maken hebben met de mode waar we nu inzitten. Als je het hebt over kritisch denken, dat nu wordt benoemd als een belangrijke 21e eeuwse vaardigheid ‘want er is overal informatie’, dan denk ik: ‘Ja, hartstikke leuk, maar de Grieken en de Romeinen die zijn er groot mee geworden, dus dat kritisch denken deden ze toen ook al. Lang daarvoor waren ze heus daar ook al wel mee bezig.’ Ook dat idee van een gezonde geest een een gezond lichaam en dat bewegen belangrijk is voor je leren, dat was ook in de oudheid al bekend. Dat muziek een heel positief effect heeft op je hersenontwikkeling wisten zij ook al. Wat voor mij een drijfveer is om mijn onderwijs te willen vormgeven, is dat het tijdloos is. Dat je het kunt toepassen in alle mogelijke contexten, dat het uit gaat van de basisprincipes van hoe mensen leren en hoe je dat zo optimaal mogelijk kunt vormgeven, zodat je het kunt aanpassen aan de mogelijkheden die er zijn. Dan is het belangrijk dat het heel flexibel is. Op het moment dat je het weer vastzet, dan beperkt je de ruimte en de vrijheid weer. Dan wordt niet het leren het allerbelangrijkste, maar de structuur ‘omdat we bedacht hebben dat het zo moet’.

Kennis, inzicht, vaardigheden

Een van de dingen die in al het onderwijs altijd terugkomt zijn drie elementen: kennis, inzicht en vaardigheden. Ik heb dat als volgt ingevuld: Kennis, zeker op de basisschool gaat over de basiskennis van taal en rekenen. Want wat je ook wilt doen in je leven, dat heb je gewoon altijd nodig. Maar daarnaast is het belangrijk dat je een hele brede ontwikkeling hebt zodat je duiding kunt geven aan nieuwe dingen die je tegenkomt. Vervolgens is het belangrijk dat je dat je tot inzicht komt, dus dat je nadenkt over de nieuwe kennis of informatie die je bent tegengekomen en dat reflecteert, maar ook over jezelf reflecteert. Dat je bekijkt wat het nou is, waar het allemaal mee te maken heeft, wat de verschillende perspectieven zijn die er bij horen. Of er andere oplossingen mogelijk kunnen zijn. Is het belangrijk? Maar ook: ‘Wat betekent het voor mij? Wat wil ik er mee? Wat vind ik hier van?’ Dus dat inzicht gaat over ‘wie ben ik’ en ‘wat wil ik’ en ‘wat kan ik’ nu. Het vaardigheden stuk gaat over dat je iets nieuws hebt gezien, dat je er over hebt nagedacht en hoe je dat dan kunt toepassen in je leven en in de omgang met de mensen om je heen. Die drie elementen vormen de basis van het ontwerpen van al het leren.

Hoe doen we dat dan op onze scholen? Ik ben in 2006 gestart met De Noordwijkse School. Ik heb daar vijf jaar bestuur en directie gedaan. Het was geweldig om te zien wat het doet met kinderen als ze op een andere manier leren. Dat werkte zo goed, dat ik heb besloten om een stichting op te richten om ook andere scholen te helpen innoveren door met De Noordwijkse Methode te werken. Ik heb er nu zo’n 25 die er helemaal mee werken en een paar honderd die met elementen werken. Waardoor ik hoop dat ik op heel veel plekken ruimte creëer om kinderen blijer en gelukkiger te worden en meer te weten.

In de praktijk zitten kinderen ’s ochtends in hun eigen groep, met hun eigen juf of meester. Het maakt niet uit of ze verschillende leeftijden hebben of niet. Die groep is hun thuis, met een leerkracht die hun ontwikkeling ook bijhoudt. In de ochtend werken ze vooral aan de basisvakken zoals taal en rekenen, krijgen ze persoonlijke en sociale vaardigheden les, Engels. Dat doen ze zoveel mogelijk vanuit de doelen en is er veel ruimte om op verschillende manieren te leren. Dus niet van ‘dat is nou eenmaal het boek dat we hebben gekocht om jou rekenen te leren dus als je het niet kan, dan ga je nog een keer oefenen en nog een keer’. Maar het boek geeft uitleg over bijvoorbeeld vermenigvuldigen, maar als die voor jou niet zo goed werkt, dan kijken we hoe je het op een andere manier misschien beter kunt leren. Als we maar weten, dat je het leert. Dus de ochtend is niet zo spectaculair, maar de middag is echt anders. Dus de ochtend is voor basisvakken, maar in de middag krijg je een heel breed aanbod van vakken. ‘Vakateliers’, met gespecialiseerde leerkrachten, aan de hand van een overkoepelend thema. Daardoor weet je dat alles met elkaar te maken heeft. Dus niet dat je dan allemaal geïsoleerde vakken hebt, waar je het bij aardrijkskunde het hebt over de grondsoorten in Nederland en bij geschiedenis over de middeleeuwen bij biologie over wat er leeft in het tropisch regenwoud, maar de vakken lopen in elkaar over, waarbij onderwerpen elkaar verdiepen.

Gedeelde verwondering

Vanuit de visie, wat ik eerder vertelde, dat kinderen ontdekken waar ze goed in zijn, dat ze dingen kunnen doen die passen bij hun talenten, als je dat wil voor de kinderen, dan moet dat ook voor de leerkrachten gelden. Dat is een heel belangrijk uitgangspunt in alles wat ik doe, dat het op de verschillende lagen moet kloppen. Dus als je bijvoorbeeld wilt dat kinderen eigenaarschap krijgen, eigen verantwoordelijkheid en ruimte om eigen keuzes te maken, dan kan dat alleen als je er als management er voor zorgt dat de leerkrachten de ruimte krijgen om vanuit hun talenten te werken, om dingen te doen die aansluiten bij die ze graag willen. Want anders kunnen ze nooit, wanneer ze zelf strak zitten, dat met kinderen doen. In de vakateliers krijgen leerlingen de vakdocenten, wat de leerkrachten uit de ochtend zijn die hun eigen specialisatie hebben voor de middag. Die kiezen zelf een vak wat ze het leukst vinden en waar ze ook al expertise in hebben. Het idee is: als je zelf een vak geeft wat je zelf leuk en interessant vindt, dan vind je het ook fijn om daar zelf meer over te leren. Daar meer de diepte mee in gaat, waardoor je samen met de kinderen aan het leren bent. Dat noem ik ‘gedeelde verwondering’, dus dat je niet degene bent die voor de klas staat en vertelt hoe de wereld er uit ziet, maar dat je samen de wereld gaat ontdekken. Dat je samen het avontuur aangaat vanuit nieuwsgierigheid en je ervaart hoe gaaf het is om dat allemaal te weten te komen.

Om daar een voorbeeld van te geven, neem bijvoorbeeld het thema ‘communicatie’, dat is een thema dat nu op een aantal van mijn scholen gedaan wordt. Wat leren de kinderen dan? Bijvoorbeeld gaat het bij geschiedenis dan over hoe de mensen vroeger communiceerden, met een dorpsomroeper die van dorp naar dorp moet rennen om een nieuwtje ver verkondingen, of met rooksignalen, tot de postkoets en de postduif, morse en natuurlijk de communicatie nu met internet en satellieten. Dus een communicatietijdlijn. Maar ook over de eerste tekst die ooit in het oud-Nederlands is gevonden, ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan, hinase hic enda thu?’ en om van daaruit te kijken hoe taal zich evolueert. Bij aardrijkskunde kun je het dan hebben over wat voor talen je in de wereld hebt en hoe het komt dat er in zoveel landen Spaans wordt gesproken en in zoveel landen Engels. En waarom spreken ze Nederlands op Curaçao? Hoeveel talen zijn er in de wereld? Wat is een wereldtaal? Daar kun je dna weer topografie aan koppelen. Bij biologie kun het hebben over hoe dieren met elkaar communiceren. Of hoe we als mensen communiceren. Bij kunst kun je het hebben over wat de bedoeling van een kunstenaar is en wat hij wil zeggen met een kunstwerk. Of wat een kunstwerk jou zegt, hoe die communicatie bij jou binnen komt. Wat daarin heel belangrijk is, is dat de kinderen de mogelijkheid krijgen om bij de verschillende vakken zelf richting te geven aan wat ze interessant vinden.

Bronnen van kennis

Leerkrachten zijn bijna bang voor de kerndoelen. Van: ‘Je moet heel erg veel doen en daardoor is er geen ruimte om kinderen nog zelf te laten kiezen of als leerkracht zelf nog iets te doen naast dat boek dat uit moet.’ De enige mogelijkheid die ik dan ook zag om dat veranderen, is om iets te vinden dat in plaats van dat systeem kan. Wat ik daarbij heb geprobeerd en wat we ook doen, is dat we juist de kinderen kennis willen laten maken met de wereld en wat normaal iets is wat extra is wat bovenop de reguliere les is zoals een excursie of een gastles van een ouder, om dat gewoon onderdeel te maken van de les. Want dat is een bron van nieuwe kennis waar je vervolgens mee aan de slag gaat in plaats van een boek. Als je kijkt wat de basis is van het traditionele systeem als je kijkt naar kennis, inzicht en vaardigheden, dan komt de kennis grotendeels uit het tekstboek. Als we een geschiedenis tekstboek als voorbeeld nemen, dan heb je de kerndoelen; dat zijn de doelen die door de overheid zijn vastgesteld, dan het de onderwerpen zijn die moeten worden behandeld op de basisschool, dan heeft een methodemaker vanuit die doelen een boek geschreven waarin hij over die onderwerpen vertelt. Een juf of meester denkt dan: ‘Dit boek is kerndoeldekkend. Dus als ik dit doe, dan voldoe ik aan de eisen. Dan weten de kinderen wat ze moeten weten.’ Dan vergeten ze vaak dat in zo’n hoofdstuk over bijvoorbeeld de middeleeuwen er misschien maar drie punten zijn die de kinderen echt moeten weten en dat de rest daar omheen misschien wel interessant en zinvol is, maar gewoon is bedacht door iemand die een verhaal over de middeleeuwen moest maken voor dat boek. Dus je kunt ook heel andere dingen doen in plaats van dat boek.

Vragen geven inzicht

Inzicht is iets wat nauwelijks wordt gekoppeld aan de lessen in een traditionele setting. Want je gaat vanuit het lezen van dat boek naar het werkboek; dat is de werkvorm. Dus dat is de vaardigheid die je heel goed leert, om in de tekst informatie op te zoeken en om die te verwerken in je werkboek. Daarna is er een proefwerk om te testen of je weet wat er nou ikn dat hoofdstuk stond. Dan krijg je een cijfer en dan is het onderwerp klaar. Ik chargeer hiermee meteen, want natuurlijk zijn er heel veel leerkrachten die er dingen omheen doen en meer vertellen, er filmpjes bij pakken, maar dat zijn altijd extra’s en niet de basis. Plus, de vaardigheid die je kinderen leert is eigenlijk om zo efficient mogelijk informatie uit een hoofdstuk te halen om een redelijk cijfer op de toets te halen. Het leert ze niet om zo diep mogelijk het onderwerp in te gaan of om het te associeren met allerlei dingen die ze al weten om zoveel mogelijk te leren. Daar krijg je ook helemaal geen beloning op. Vaak is er ook helemaal geen tijd voor omdat je het hoofdstuk af moet krijgen en er dus doorgewerkt moet worden. Dan is er niet nog tijd om hele andere dingen te doen. Sommige kinderen halen dan een tien voor het proefwerk. Dan kun je er wel van op aan dat ze weten wat is bedacht dat ze moesten weten. Maar er zijn ook kinderen die een vier halen. Meestal wordt er dan gewoon verder gegaan met het volgende onderwerp in de hoop dat het dan beter gaat. ‘De middeleeuwen heb je dan misschien verprutst, maar de renaissance komt eraan en misschien dat het daar beter gaat.’ Maar dan hebben de kinderen dus helemaal niet het doel behaald dat de opdracht is van de overheid.

Daar heb ik een ander model voor ontwikkeld, dat noem ik het ‘Fundamenteel Leer Model’. Dan laat ik normaal een plaatje zien, maar ik zal het nu vertellen. Dat is opgebouwd in Legoblokjes. Ik spring een beetje van de hak op de tak, maar het Fundamenteel Leer Model zegt dat als je zelf kinderen ruimte wilt geven, je ook moet weten wat de ingrediënten zijn zodat je zelf ook kunt bedenken hoe het moet worden.

Het traditionele model is tekstboek, werkboek, proefwerk. Als je kennis, inzicht en vaardigheden wilt, wat heb je daar dan voor nodig? Het Fundamenteel Leer Model is een alternatief voor het traditionele waar je dat veel meer een plek kunt geven. Daarin is het belangrijk dat je de leerkrachten de Legoblokjes geeft waarmee ze lessen kunnen opbouwen. Dat als je eigenaarschap wilt en dat leerkrachten verantwoordelijkheid gaan nemen, dan moeten ze wel weten wat ze moeten doen en waar de ruimte is, waar ze vrijheid kunnen nemen. Ik noem dat ‘de structuur voor optimale vrijheid’. Die kun je alleen nemen wanneer je die Legoblokjes in je handen hebt en weet wat er nodig is.

Het eerste Legoblokje waar je mee moet beginnen is het doel. Je hebt een onderwerp, neem bijvoorbeeld the thema ‘oceanen’, en je geeft biologieles. Wat moeten de kinderen nou weten over oceanen en biologie van de overheid? Dan blijkt dat ze daar niets over hoeven te weten en dat de kerndoelen daar over zeggen dat ze het verschil moeten weten tussen een zoogdier, reptiel, amfibie, insect en een vis. Dus dan weet je al dat je als leerkracht heel veel vrijheid hebt. Kan kan het doel bijvoorbeeld zijn dat je stelt dat je wilt dat de kinderen het verschil kennen tussen een reptiel, een zoogdier, een vis een een geleedpotige. Dus dat ze een aantal dieren kennen die in de zee, de oceanen leven. Als je dat helder hebt, kun je vervolgens kiezen hoe je de kinderen kennis laat maken met wat er leeft in de zee. Dan kun je natuurlijk een tekstboek pakken, maar je kunt ze ook een film laten zien of een excursie doen naar het Sea Life in Scheveningen of een verhaal vertellen. Of ze zelf iets laten ontdekken. Allemaal verschillende manieren waarop je kinderen kennis kunt laten maken met de wereld.

Stel dat je in dit geval een film gaat kijken, een documentaire van de BBC over wat er in de oceanen leeft, dan is dat de nieuwe kennis. Daarmee dek je het stuk van hoe kinderen tot nieuwe kennis komen. Vervolgens wil je dat er inzicht komt. Dat betekent dat je vragen gaat stellen over die film die ze hebben gezien. Door het stellen van vragen prikkel je de nieuwsgierigheid van kinderen en gaan de hersenen nieuwe weggetjes maken en nieuwe takjes verbinden. We hebben een set vragen ontwikkeld die we ‘denkbubbels’ noemen, die alle aspecten van ontdekkend leren dekken. Tot nu toe denk ik dat we daar alles mee afdekken — als iemand denkt dat er nog vragen bij horen, dan is dat fijn want dan voegen we die toe. De eerste vraag is: ‘Waar gaat dit over?’ Dat gaat over onthouden en begrijpen. Dus je hebt die film gekeken, maar: ‘Wat heb ik nu eigenlijk gezien?’ Ze hebben dan allemaal dezelfde film gezien, maar dan merk je al dat ze er allemaal andere dingen uit halen. Dan is de volgende vraag: ‘Hoe weet je dat het klopt?’ Klopt het nu wat jij daar over denkt? Heb je wel informatie gekregen die klopt, of is het nepnieuws? Is het een mening in plaats van feitelijke informatie? Dat is de denkbubbel die gaat over informatieverwerking en onderzoek. En ‘waar heeft het dan allemaal mee te maken?’. Bijvoorbeeld, er verdwijnen allemaal tropische vissen. Dat heeft te maken met het verdwijnende koraal. Wat heeft dat dan weer te maken met het opwarmen van de aarde? Bij het leggen van die verbanden ga je kijken naar de nieuwe informatie vanuit zo’n film en hoe je dat kunt koppelen aan de kennis die de kinderen al hebben, hun bestaande kennisboom. Maar ook hoe iemand anders er tegenaan kijkt, een ander perspectief nemen, een onderwerp vanuit verschillende invalshoeken bekijken. Ook creatief denken: ‘Hoe kan ik hier een oplossing voor verzinnen? Hoe zou ik willen dat het is?’ Dan nog een die ik heel belangrijk vind is persoonlijke relevantie: ‘Wat vind ik hiervan? Wat is mijn mening hier over?’ Maar ook: ‘Wat heeft dit onderwerp te maken met de actualiteit? Wat betekent dit voor mijn familie? Voor mijn leven? Voor de mensen om mij heen?’ Dan de laatste vraag over waardebepaling: ‘Is dit belangrijk?’ Zo ja, waarom en voor wie?

Dus je hebt een doel waarvan je weet dat de kinderen het moeten weten, je biedt ze nieuwe inspiratie aan zoals in dit geval een film, en dan ga je die vragen stellen. Het mooie en het fijne is dat als je als leerkracht vragen gaat stellen, dat leerlingen ook vragen gaan stellen. Daardoor worden ze steeds nieuwsgieriger en gaan ze steeds meer vragen stellen over de wereld om hen heen. Doordat je weet wat ze moeten doen, wat heel beperkt is, namelijk een paar verschillende diersoorten kennen, weet je ook waar de ruimte zit in wat ze mogen doen. Dan kun je dus heel erg meebewegen in je vakatelier in de richting die de kinderen op gaan. Want of ze het nou hebben over de rol van de walvis is het ecosysteem, over het verdwijnende koraal of het willen hebben over de ontdekkingen in de diepzee die nog gedaan kunnen worden of de plastic soep en wat dat voor gevolgen heeft voor de zee; dat maakt niet uit. Al die richtingen die kun je kiezen waardoor de kinderen dus ook echt de diepte in kunnen gaan vanuit hun eigen interesse.

Vaardige verbindingen maken door toe te passen

Na het stellen van de vraag, het inzicht, kom je bij de vaardigheden. Daar leer je om er iets mee te doen, om het toe te passen. Waar het traditioneel het werkboek is waar je een vraag beantwoordt over een tekst, wat eigenlijk een taaloefening is. Nu kun je hier de koppeling maken tussen het inhoudelijke onderwerp, in dit geval biologie en oceanen, naar allerlei andere vakken. Naar taal, maar ook naar rekenen door bijvoorbeeld uit te rekenen hoeveel dieren er op een bepaalde plek leven of hoe lang het duurt om de zee weer schoon te kunnen krijgen, of wat dan ook. Maar ook muziek en kunst, waarbij je muziek en een tekening maakt die hierbij hoort waarmee je laat zien en horen waar het over gaat. Met ICT leren hoe je een PowerPoint-presentatie maakt over wat er leeft in de oceanen. Hier kun je een verbinding maken met allerlei andere vakken waardoor je die integreert en waarbij je als leerkracht kunt beslissen wanneer je kinderen de ruimte geeft om daar allerlei kanten mee op te gaan. In dit geval zou je een opdracht kunnen geven om een presentatie te maken waarin je zes verschillende diersoorten kiest die leven in de oceaan, waarbij kinderen in groep 3 er een plaatje bij plakken. Als het ze lukt kunnen ze er bij schrijven hoe het dier heet. Kinderen die al veel meer kunnen, bijvoorbeeld in groep 8, die moeten acht dieren doen en die moeten ook aangeven wat hun habitat is en welke plek het inneemt in de voedselkringloop, etc. Waarbij je dus op heel verschillende niveaus met hetzelfde bezig kunt zijn en er dus heel veel vrijheid en ruimte is om te doen wat je leuk vindt als leerkracht. En je toch weet dat er een duidelijke structuur zit in dat wat je doet waarbij je steeds kunt kiezen hoe je dat invult.

Reflectie zet vast en zekert

De laatste stap is reflectie. Dat is een heel simpele waar je aan het van de les aan de kinderen vraagt wat ze vandaag hebben geleerd. Of het al dan niet leuk was, moeilijk, makkelijk, of ze er meer of minder over zouden willen leren. Omdat dat het moment is waarbij je die takjes die allemaal nieuw zijn ontstaan van de informatie die nieuw binnen is gekomen vast haakt aan die kennisboom. Waardoor de kinderen als ze naar huis gaan niet nog hun hoofd nog vol dwarrelende takjes hebben en allerlei afleiding van andere dingen, dan heb je het al vastgezet voordat ze weer iets heel anders gaan doen.

Het tweede deel van reflectie is checken of de kinderen hebben geleerd wat ze moeten leren. Daarin hoef je alleen te checken of ze het leerdoel weten, dus dat ze wat verschillende dieren in de zee kunnen benoemen. Ze hebben veel en veel meer geleerd, maar dat hoef je niet eens te toetsen. Dus als je zegt dat je wilt dat kinderen acht dieren kunnen benoemen en ze hebben er maat zes benoemd, dan moeten ze nog even door. Dan is de opdracht nog niet af. In dit systeem gaan we er ook van uit dat alle kinderen alle doelen halen die je met ze stelt. Hiermee maak je op heel veel manieren ruimte om veel meer aan te sluiten bij wat er leeft bij kinderen, bij hun nieuwsgierigheid maar ook geef je leerkrachten veel meer ruimte om hun vak vorm te kunnen geven op een manier die ze zelf het beste vinden passen. Juist door ze een heel heldere structuur te geven, waarbij ze steeds kunnen checken wat ze aan het doen zijn.

Altijd een ingang die aansluit

Wat ik hier zelf heel mooi aan vind is dat kinderen hier heel erg blij van worden, met veel meer plezier weer zelf gaan leren en zichzelf ook veel meer verantwoordelijk voelen voor wat ze leren dan wanneer dat allemaal op één uniforme manier moet. Doordat ze met verschillende leerkrachten werken ben je ook niet afhankelijk van één iemand of je daar toevallig een klik mee hebt of dat die een lesstijl heeft die bij je past, maar kun je met allerlei verschillende mensen leren. En op allerlei verschillende manieren. Dus als je dyslectisch bent en moeite hebt met teksten, dan zijn er ook een heleboel andere manieren waarop je toch kennis tot je kunt nemen. Dus hoef je niet altijd te worstelen met lezen als je iets nieuws gaat leren.

We hebben zo’n dertig thema’s waaraan je van alles kunt koppelen, daarin zie je ook dat onderwerpen heel vaak terug kunnen komen op andere manieren. Je kunt het over de oertijd hebben vanuit voeding en gezondheid, waarbij je gaat kijken wat mensen aten in de oertijd en wat dat zegt over de manier waarop ze leefden. Maar in het thema kunst kun je het er ook over hebben, dan kunnen je het hebben over wat voor grottekeningen ze maakten en wat dat zegt over de manier waarop ze leefden. Waardoor kinderen ook vanuit allerlei verschillende invalshoeken met een onderwerp bezig zijn, waardoor de kennis veel beter beklijft en ze het veel beter onthouden.

Leren doet niet aan leeftijd

Hoe kinderen leren is helemaal niet anders dan hoe volwassenen leren. Als ik innovatietrajecten begeleid op scholen, dan doe ik dat met dezelfde stappen van het Fundamenteel Leer Model. Dan noem ik het anders, ‘Het Horizontaal Innovatiemodel’. Als je iets wilt vernieuwen in je school of organisatie, dan begin je ook met vaststellen van wat het doel is. Wat het probleem is waar je tegenaan loopt dat je wilt oplossen, en wat het doel is dat je daarbij kiest. Dat lijkt heel erg voor de hand liggend, maar heel vaak als organisaties of scholen gaan vernieuwen, dan gaan ze iets doen. Dan kiezen ze een middel wat ze dan inzetten, vaak zonder exact te weten wat ze er precies mee willen bereiken. Dus omdat ze bijvoorbeeld willen innoveren, halen ze de muren weg tussen twee klassen om ‘groepsdoorbroken’ te werken. Maar waarom dan? Je moet eerst kijken naar dat waarom, om te kijken of je wel het juiste middel te pakken hebt of dat je het op een andere manier moet doen. Dus je begint met het vaststellen van het doel.

Daar waar je bij kinderen ze inspiratie biedt bij een kerndoel, kies je bij innovatie met elkaar een doel en heb je ook inspiratie nodig. Dan is het nodig om op andere scholen te gaan kijken om inspiratie op te doen, of moet je een cursus gaan doen om nieuwe dingen te leren, of moet je boeken lezen of met collega’s praten, allemaal belangrijk om nieuwe kennis te krijgen. Vervolgens is het belangrijk dat je daar over na gaat denken, er inzicht over ontwikkelt of dit past bij jouw school, jouw situatie, wie jij bent, wat voor soort kinderen je hebt. Dus niet: ‘We gaan iets nieuws doen, we doen een cursus en dat gaan we invoeren in de klas’, nee, je doet een cursus of nieuwe kennis op en dan ga je er over nadenken hoe je die kunt inpassen in een ontwerp dat passend is voor jouw situatie.

Daarna kun je gaan doen, kom je bij de vaardigheden: ‘Wat heb je nodig om dat te kunnen doen in jou klas, in jouw school?’ Dan ga je het uitproberen in de praktijk. Daarna heb je de reflectie, waarbij je kijkt of het werkt, of je een nieuw doel kunt stellen, of het ontwerp moet worden aangepast, of dat het op een kleinere schaal moet worden uitgeprobeerd. Dus kun je al die stappen weer doorlopen. Daarin zit ook die congruentie die ik steeds benadruk, dat het belangrijk is dat je op alle lagen moet schakelen. Dat geldt voor kinderen én voor volwassenen.

Aandacht als fundament

Wat onder alles ligt dat ik doe op mijn scholen is aandacht. Om tot leren te komen is het belangrijk dat je je goed voelt, welbevinden, en dat je betrokken bent, nieuwsgierig. Dat je wilt leren, dat je wilt nadenken over iets nieuws. Om nieuwsgierigheid en betrokkenheid te krijgen, is aandacht belangrijk. Aandacht is het middel dat je nodig hebt om überhaupt tot leren te komen. Dat zit onder alles. Wat daarin belangrijk is voor ruimte, is aandacht voor jezelf. Dat is ook meteen de eerste.

  • Aandacht voor jezelf gaat over: ‘Wie ben ik? Wat heb ik nodig om te kunnen leren? Wat voor iemand wil ik zijn?’ Heel veel van het gedrag dat we vertonen is reactief. Iemand scheldt jou uit, dus je scheldt terug. Neem je dan je eigen ruimte in of reageer je dan gewoon op een ander en spiegel je dat? Is dat iemand die je wilt zijn? Wil je iemand zijn die scheldt? Of niet? Als je het niet wilt zijn, dan is het goed dat je op school ook handvatten krijgt hoe je het op andere manieren kunt oplossen. Maar bij aandacht voor jezelf hoort ook weten welke manier van werken het beste bij je past. Of je een kwartier kunt concentreren, waarna je een rondje moet lopen. Of vind je het fijn om in een groepje te werken? Of heb je het nodig om eerst na te denken over een onderwerp voordat je er iets over gaat zeggen? Dat je dat soort kennis over jezelf hebt.
  • De volgende manier van aandacht is die van de leerkracht voor de kinderen. Die gaat er vanuit de kinderen altijd om dat je je veilig voelt en altijd hulp krijgt. Dus als het niet lukt, dat er een vangnet is. Vanuit de leerkracht gaat dat over of je de didactische en pedagogische vaardigheden hebt om te luisteren en te kijken wat een kind nodig heeft, samen met het kind, en of je vervolgens ook de vaardigheden hebt het juiste aanbod te geven wat past bij dat kind.
  • Wat daar ook bij hoort, is aandacht van de kinderen voor de leerkracht, die wordt heel vaak overgeslagen. Dat zie je veel op scholen, dat kinderen gewoon gaan zitten, op middelbare scholen nog meer dan op basisscholen en denken: ‘De leraar staat voor de klas. Vertel maar. Ik kijk wel of ik het leuk vind en of ik nog mee wil doen en als ik het saai vind ga ik wat anders doen.’ Dan sta je als leerkracht enorm je best te doen, gaan de kinderen er als een soort van consument bij zitten. Daarom zeggen wij ook dat beleefdheidsvormen belangrijk zijn, dat kinderen beseffen wat dat voor iemand anders betekent en dat je ook respect moet hebben voor degene die zijn best doet voor de les en dat je samen verantwoordelijk bent voor of die les zinvol is of niet. Dus als je er gewoon een beetje bij gaat hangen of gaat lopen klieren, dan kun je geen leuke of zinvolle les hebben. Het dus van belang dat je kinderen ook eigenaarschap geeft, zodat ze onderdeel kunnen zijn van de doelen die er zijn. Zodat ze weten wat ze willen leren en weten wat er op het programma staat en kunnen bepalen hoe ze het gaan leren. Zodat ze ook zichzelf daarin aan gaan sturen en niet alleen maar iets gaan doen als de leerkracht weer aanduwt, om daarna weer stil te vallen.
  • Dan is er nog aandacht van kinderen voor elkaar, wat meer gaat over traditionele sociale vaardigheden. Over hoe je elkaar helpt, hoe je om gaat met verschillen, hoe heb je respect voor dat de een anders is dan de ander, hoe je een ruzie oplost, hoe je goed samen speelt, dat soort dingen.
  • De volgende gaat over aandacht voor je omgeving. Dat is natuurlijk ook hoe je alles schoon, heel en netjes maakt. Maar veel meer gaat die nog over hoe je er voor zorgt dat de school een ruimte is die ondersteunend is aan het leren. Dat je daar allerlei verschillende plekken hebt waar je verschillende dingen kunt doen. Dat je kijkt hoe je er mensen van buiten bij betrekt. Of dat het een prettige plek is om te zijn. Dat je bijvoorbeeld de doelen waaraan gewerkt wordt zichtbaar maakt zodat je ook visuele ondersteuning hebt voor wat je aan het leren bent.
  • De laatste vorm van aandacht, is aandacht van en voor de ouders. Zodat je ook de ouders betrekt bij het leren. Dat gaat er met name om dat als je wilt dat ouders iets komen doen op school, dat het dan ook belangrijk is dat je ook de ouders aandacht geeft. Dat je weet hoe de ouders heten, dat je weet wat er speelt in een gezin, dat je weet wat voor beroepen de ouders hebben zodat je ze ook kunt vragen om een les te komen geven op school. Waardoor je de mogelijkheden van je onderwijs enorm verruimt, omdat je ook de ouders vanuit hun talenten in gaat zetten.

Als ik nu kijk wat wat voor mij belangrijk is in wat ik doe, dan wil ik met De Noordwijkse Methode een structuur bieden voor optimale vrijheid door de Legoblokjes zo te geven, zodat leerkrachten en kinderen zelf hun lessen kunnen ontwerpen of samenstellen, waardoor het leren veel efficiënter, effectiever maar vooral ook leuker wordt. Dat kinderen en leerkrachten veel meer vanuit hun talenten kunnen werken. En zo dus de wereld een beetje beter kunnen maken en dat we er allemaal onze plek in kunnen vinden.



Happyplaces Stories

A library of perspectives from the Happyplaces Project, a playful research project to better understand all dimensions of space to eventually create happy places.

Marcel Kampman

Written by

Owner at Happykamping, astronaut at Happyplaces Project.

Happyplaces Stories

A library of perspectives from the Happyplaces Project, a playful research project to better understand all dimensions of space to eventually create happy places.

Welcome to a place where words matter. On Medium, smart voices and original ideas take center stage - with no ads in sight. Watch
Follow all the topics you care about, and we’ll deliver the best stories for you to your homepage and inbox. Explore
Get unlimited access to the best stories on Medium — and support writers while you’re at it. Just $5/month. Upgrade