Hoe Jan Pieter van Lieshout ruimte maakt door de dans te zijn

Happyplaces Stories (video)

Dit is mijn wereld

Ik ben een zoon van een aannemer. Mijn vader bouwde bruggen, viaducten en tunnels. Ik kom uit een wereld van beton. Ik kom uit een groot gezin. En iedereen had iets te doen op deze dinsdagavond, behalve ik. Mijn zusje besloot mij mee te namen naar de balletles. Ik vond dat fantastisch! Overigens woon in nu aan de Zuid Willemsvaart in Den Bosch en de balletschool was ook gevestigd aan de Zuid Willemsvaart. Ik denk dat het gewoon een gehuurde sportzaal was, want ik zat daar op zo’n sportbankje. En ik zag die meisjes daar. Die waren bezig met hun préparation pour petit tour, de voorbereiding voor pirouettes. En ik mocht ook meedoen. Ik begon iedereen te vertellen dat ik dat ballet zo fantastisch vond. A la minute begin het pesten. Daar zat geen nanoseconde tussen. Het pesten begin onmiddellijk. En ik heb het ook a la minute losgelaten. Toen is de dans lange tijd niet bij me geweest. Een jaar of drie. Totdat ik met mijn oudste broer, die dj was meeging naar het parochiaal jeugdcentrum. Daar ging ik dansen op James Brown ‘Sex Machine’. Ik had nog niet zoveel verstand van dat onderwerp. Maar blijkbaar heb ik heel mooi gedanst, want mensen gingen aan mij vragen: ‘Goh Jan Pieter, kun je ons dat leren wat je doet?’ Ik vond dat een rare vraag, want ik deed toch maar wat. Dus dat is ook al weer een moment van dans.

Totdat ik op dansles ging. Ik herinner me die eerste dansles nog heel goed. We moesten tegenover elkaar gaan staan. De jongens moesten de handen op de schouders van de meisjes leggen. En dan moest je een pas rechtsvoor maken. Zij moest linksachter gaan. Als ze niet snel genoeg was, dan stond zo’n jongen zo op haar voet. Dat was buitengewoon pijnlijk en embarrassing. Ik begreep er helemaal niks van. Hoe kon je dit nou dansen noemen? Want je had totaal geen vrijheid. Ik begreep dat niet. En ik had ook na die eerste les zoiets van: ‘Ik kon hier nooit meer terug.’ Maar ik werd verleid om die zondag erop mee naar de dansavond te gaan. Ik deed dat. En daar zag ik de wedstrijddansers. Die dansten met name de tango en de paso double. En ik vond het fantastisch. Vanaf dat moment wist ik het: dit is mijn wereld.

Ik denk dat het meesterschap er altijd is geweest, dus dat ontwikkelt zich. En het heeft ook diepe dalen nodig om tot dat dansmeesterschap te komen. Ik zal er het een en ander over vertellen. Allereerst was het zo dat ik op het hts zat. In een stafopleiding in Tilburg, het was de bedoeling om bij mijn vader in het bedrijf te komen. Ik ging depri naar school. Ik vond het helemaal niks. Daarentegen hadden we ’s avonds en in het weekend de danslessen en deed ik mee aan de danswedstrijden. Je had de depri JP en de stralende JP, die net met de bekers van de dansvloer af kwam. Dus dat was een hele mooie tijd. In de nacht van 6 op 7 januari 1973, gaf mijn vader mij toestemming om dansleraar te worden. Een ongelooflijk moment in mijn leven. Ik krijg er nog kippenvel van als ik er aan denk. Want ik durfde dat helemaal niet te zeggen. Mijn vader zei: ‘Als je nou diep in je hart kijkt Jan Pieter, wat wil je dan eigenlijk?’ Mijn hart bonst, maar ik kon het niet zeggen. Hij zei: ‘Als jij het niet wilt zeggen, dan zal ik het tegen zou zeggen. Als jij dansleraar wilt worden, dan moet je dat doen. Maar dan eis ik wel van jou dat je de primus inter pares wordt.’ Nou, zelf wilde ik niet anders. Ik had maar een doel, dat was wereldkampioen worden. En het is juist dat wereldkampioen worden dat mijn leitmotiv werd. Wat de basis is geworden voor het dansmeesterschap.

Parodie van mezelf

Ik ben nooit wereldkampioen geworden. Er zijn allerlei dingen gebeurd die dat verhinderd hebben. Dat is een verhaal op zich. Achteraf ben ik heel blij dat ik het niet geworden ben. Maar het heeft wel de basis gelegd van diep meesterschap. Omdat het me door diepe dalen heeft gehaald. Die er in fysieke zin zelfs tot geleid hebben dat ik een tijdje op de intensive care gelegen heb. Die een enorme worsteling met zich mee hebben gebracht. Die ook een worsteling hebben gebracht in: ‘Wie ben ik nu eigenlijk?’ Want de dans is ook heel erg tricky. Namelijk, als je een onderdeel bent van de wereld van glamour and glitter en je gelooft er zelf in, dan word je als het ware een parodie van jezelf. En dat is mij ook wel overkomen. Waarbij in een wereld waarbij je je ellebogen omhoog doet, je mondhoeken omhoog, en degene met de beste politieke kaarten die wint — niet altijd hoeft de beste danser te winnen — dat is een harde wereld. Dat is ook een wereld waar veel narcisme is. Dat is ook de bedoeling, want je staat in de spotlights, je wordt elke keer gezien. En als je dan een koninkje bent in je eigen rijk, wat de meesten van ons waren, ik ook, dan kun je die parodie van jezelf worden waar ik het net over had. Want je wordt de hele dag bewonderd, je wordt bewierookt, je krijgt elke keer applaus. Dat is allemaal zalig, maar enig relativeringsvermogen is er dan niet meer. En als je dan in een wereld bent waar mensen zo in elkaar zitten, en dat je je daar ook mee aan te meten hebt, dan raakte ik in elk geval heel ver van mezelf weg.

Keurslijf van de dans

Ik had dat zelf niet zozeer in de gaten. Maar mijn zussen wel. Die herkenden mij op een gegeven moment niet meer. En mijn leerlingen vonden het allemaal prachtig. Op enig moment kwam ik in een mannengroep terecht, die niets met dansen te maken hadden, waarbij een van die mannen zei: ‘Jan Pieter, haal nou eens die afschuwelijke grijns eens van je kop. Want ik wil nu wel eens zien wie je nu werkelijk bent.’ Daar schrok ik van, want ik wist niet eens dat ik die grijns had. Ik kan hem nu wel even opzetten. Dan kun je zien hoe onecht dat-ie is. Ik denk dat ik zo dag in, dag uit, liep van: ‘Goedenavond dames en heren! Mijn naam is Jan Pieter van Lieshout. Welkom op de eerste dansles. En blablabla…’ Ik moet hem er nu gewoon even van afwrijven. Anders blijft-ie er over een uur nog op zitten. Ja, ik heb lang in dat keurslijf van de dans gezeten. Merkwaardig toch, hè? Dat je dan dans, wat ogenschijnlijk heel vrij is enzo, dat dat ook dat keurslijf geeft.

Nadat ik de wereld van de stijldans helemaal had losgelaten, vroeg mijn dochter Lilou of ik een nog keertje meeging naar een danswedstrijd. Nou, dat deed ik. Ik werd herkend. Ik wilde een kaartje kopen, maar er was geen sprake van dat ik een kaartje zou kopen want ik werd ineens gebombadeerd tot eregast. Ik werd ook op het toneel gebracht en de presentator van de danswedstrijd noemde ook aan het publiek wie er binnengekomen was. Ik kreeg een drankje aangeboden. En ineens ging ik anders staan. En dat bracht me weer helemaal terug in de wereld van de stijldans. De volgende dag had ik pijn in mijn rug van die houding die toen dagelijks mijn imago was. Wat ik heerlijk af had kunnen leggen. Ik voelde het gewoon fysiek wat voor inspanning dat geeft. En daar heb ik toch wel 20 jaar in geleefd.

Gewoon mezelf

‘Jan Pieter, wees nou gewoon jezelf,’ werd vaak tegen mij gezegd. En dat vind ik heel lastig. Want, A: ik dacht dat ik het al was. En B: doordat dat telkens gezegd werd door mensen die het goed met mij meenden, wist ik ook dat het een sound point was. Dat het echt daar om ging. En het heeft me ook vaak moedeloos en hopeloos gemaakt. Want wat is dat dan? Dat werkelijke zelf? En vooral dat woordje gewoon ertussen. Want, blijkbaar was dat niet zo gewoon voor mij om mijzelf te zijn. Nu, na al die jaren weet ik in elk geval wat het is om gewoon mezelf te zijn. En zie ik ook heel scherp als een ander dan niet is.

Ik ben de dans

Ik vind het eigenlijk heel aanmatigend om te zeggen: ‘Ik ben de dans.’ Maar als ik het zeg, dan raak ik de essentie. Ik ben de dans. Het kost me moeite om het te zeggen. maar de momenten dat ik de dans los heb gelaten gedurende mijn carrière, bijvoorbeeld na de verkoop van de dansschool in 1997, toen heb ik een sabbatical year genomen. En ik heb echt een jaar niet gedanst. Ik kreeg pijn tussen mijn schouderbladen. Ik zei dan gekscherend: ‘Mijn vleugels zijn er afgevallen.’ Niet wetend hoe precies dat het was wat er gebeurd was: ik danste niet meer. Ik sloeg mijn vleugels niet meer uit. Ik had mezelf daarmee vleugellam gemaakt. In die tijd had ik een gesprek met mijn toenmalige danspartner Angelina van Zandbeek. Met wie ik in de amateurtijd een Nederlands kampioenschapje gewonnen heb. En zij zei: ‘Ik raad je aan om naar Findhorn te gaan, in Schotland. Een leefgemeenschap. En daar is iets voor jou te vinden.’ Nou, ik heb daar niet over nagedacht, ik ben gewoon naar Findhorn gegaan. Ik zat in het vliegtuig van Londen naar Inverness. Ik zat zo met mijn schouders zo tegen die stoelleuning te schuren: ‘Oh, mijn vleugels, wat doen ze toch zeer.’ Ik kwam in Findhorn. Daar hebben ze een enorme zaal, the Universal Hall. Daar werd plenair gedanst. Ik was eigenlijk niet van plan om mee te dansen, maar ik deed zo onopvallend mogelijk mee. Er werd elke dag gedanst. Ik onttrok me daar niet aan, dus in ging wel gewoon mee dansen. Toen kwam ik tot de ontdekking toen ik daar drie dagen was, dat ik al drie dagen lang meer last had gehad van mijn vleugels. Toen dacht ik: ‘Misschien, misschien, ben ik dan toch de dans. En kan ik niet zonder dans. En is het de bedoeling dat ik ook dans. Want mijn lijf voelt nu zoals het zou moeten zijn.’

En toen heb ik mijn focus verlegd na drie dagen. En ik ben me gaan concentreren op die dans die ze daar deden. Er was één dans die me toen geleerd werd. Dat was de dans Awakening, nou, ik ik gebruik hem bijna altijd in mijn werk. Zeker in de Dancescan. Die dans die greep me zo aan, dat ik in trance ben gekomen van dans. Alle mensen stonden langs de kant en stonden te kijken, terwijl we met z’n allen aan het dansen waren, ineens stond ik alleen op die dansvloer. En ik was mij daar niet eens van bewust. Toen kwamen de mensen van Findhorn ook naar me toe. Ze vroegen: ‘Wie ben je, waar kom je vandaan? Wat doe je?’ Dat was het begin van een nieuwe danscarrière. Als ik niet dans, dan ben ik mezelf niet. Ik kan niet zonder dans. De momenten zonder dans, dan ben ik, één van mijn vrienden zou het genoemd hebben, dan ben ik van god los. Dan merk ik iets zeurderigs in mezelf waarbij ik ontevreden word over mezelf. Dan ga ik ook minder goed voor mezelf zorgen. Als er te weinig dans is in mijn leven, dan is er geen leven. Pas wanneer er dans is in mijn leven haal ik het beste uit mezelf. Dan zorg ik ook goed voor mezelf. Dat heeft ook iets te maken met zijn zelfwaarde. En zonder de dans glijd ik makkelijk af. Het is de dans die maakt dat ik voel dat ik leef. De dans brengt me tot zelfrespect, tot zelfwaarde. En nog steeds vind ik het aanmatigend om te zeggen: ‘Ik ben de dans.’ Maar ik ben het! Als ik niet dans, dan had ik net zo goed dood kunnen zijn.


‘Wij zetten die dans in als taal. Als een andere manier van communiceren. Ondanks dat we dat allebei op onze eigen manier doen, gebruiken wij de dans in essentie om informatie vrij te maken die je niet krijgt als je alleen maar praat met elkaar. Een van de belangrijkste dingen die Jan Pieter toen ik hem voor het eerst ontmoette zei tegen mij was: ‘Weet dat het mogelijk is. Weet dat het mogelijk is om met dans verandering te bewerkstelligen, op plekken waar de dans zeker niet vanzelfsprekend is. Weet dat het kan.’ En dat zinnetje, dat blijft altijd bij me. Dat als je er echt in gelooft, als je er achter komt wat jij te doen hebt, als je daar gewoon voor gaat staan, er in gaat staan, dat er een plek voor je is. Dat het leven van je vraagt dat je het volledig leeft.’