Hoe Jeroen den Uyl ruimte maakt door samenwerkende collectieven te bouwen

Happyplaces stories (video)

Excuses voor de wind in de audio :)

Ik maak ruimte door — ik laatst bij een familieopstelling, of eigenlijk een machtsopstelling van Oscar David, die vroeg me: ‘Waar sta jij in de macht?’ Toen moest ik denken aan toen ik zes of zeven jaar oud was. Toen gingen we hutten bouwen met jongens. Dan gingen we tribes maken. En dan gingen we vechten tegen andere groepen enzo. En als je dat met jongens doen, die zeggen dan: ‘Wie is hier de nummer één?’ Ik koos altijd voor nummer drie. Nummer één en twee die hebben dan de macht, die moeten dat onderling verdelen en nummer drie kan lekker buitenspelen. Ik creeër ruimte door niet in de verticale hiërarchie te stappen, maar door een eigen ruimte te zoeken. Dat heb ik mijn hele leven al gedaan. En ik kwam er vorig jaar eigenlijk pas achter dat het een patroon is. En dat is ook de reden dat de paar keer dat ik leiding heb gegeven heb gezien dat dat eigenlijk niets voor mij is. Ik ben toch meer van de ideeën en van de ruimte scheppen, voor mezelf, maar ook in het werk uiteraard. Dat is het eerste stuk van hoe ik ruimte schep, dat is door de plek in het systeem als het ware in te nemen.

Coalities

Ik werk nou tien jaar bij Twijnstra Gudde, ik had nog nooit commercieel advies gegeven, ik was altijd ambtenaar of politicus. Toen ik dat ging doen kwam ik er achter dat ik ook daar weer een plek voor mezelf moest kiezen. Dus wat is consultancy: uurtje factuurtje, wachten op een uitvraag; ik heb daar niet iets op tegen maar het gaf me geen ruimte. Ik vond het heel moeilijk om in zo’n opdracht van zo’n opdrachtgever die ruimte te vinden. Want ik vond niet altijd die vragen even goed. En toch moet je ze dan aannemen, want je moet uurtjes maken wegens declarabiliteit, wat ik op zich legitiem vind, maar niet voor mij. Toen ben ik begonnen met wat ik eigenlijk al deed: proberen in een commerciëlere context zelf te launchen. Dus niet wachten op een vraag, maar ik creëer een vraag. Tien jaar doe ik dat nu en ik ben daar in de eerste jaren mee gaan experimenteren. Toen ik op een bepaald moment partner kon worden bij Twijnstra, dan word je geacht te investeren in het bedrijf. Dat deed in natuurlijk al met mijn uren, maar toen ook met mijn geld. Toen heb ik gezegd: ‘Ik wil best partner worden, maar niet in dat oude model. Ik wil eigenlijk meer zelf-launching zijn, zelf projecten naar voren brengen en daar achter gaan staan.’ Dat hebben ze geaccepteerd, want dat is toch anders dan anders. Het was midden in de crisistijd, dus je verwacht eigenlijk dat je iemand als partner krijgt die voor die grote omzet gaat. Dat lukt ook best wel, die omzet, maar daar gaat het dus eigenlijk helemaal niet om. Althans, niet voor mij. Dat geeft mij die ruimte niet. Mijn ruimte zit in het creëren van een betere wereld op basis van de inzichten die ik zelf heb. Dan zorg ik dat ik maatjes vind. Dat kunnen klanten zijn, dat kunnen coalitiepartners zijn, dat kan een wetenschapper zijn, dat kan een opdrachtgevende overheid zijn. Ik zoek de maatjes en daarmee maak ik eigenaarschap rond het idee. Uiteindelijk wordt het niet mijn idee, maar een idee dat je samen maakt. Dat heet co-creatie.

Gedeelde dromen

Ik ben er ook achter gekomen dat ik altijd heel veel mening heb, heel veel visie. Maar je komt niet echt verder als je niet echt co-creëert. Co-creëren is dat je samen een gedeelde droom hebt. Een gedeelde droom is eigenlijk ook een beetje loslaten van wat je zelf vindt. Dat is een proces dat ik steeds meer ben gaan leren. Ik ben nu wat ouder, dus ik denk dat ik dat nu zo langzamerhand wel kan. Ik heb nog heel veel mening, maar ik kan wat beter aansluiten denk ik tegenwoordig. Ik heb ook meer geduld, ik heb ook wat meer relativeringsvermogen om het dan met een ander te bespreken. Gek genoeg, geduld zeg ik wel, maar ik heb eigenlijk helemaal geen geduld. Ik wil dat het gaat beginnen. Maar ik heb wel geleerd dat ik dat samen moet doen en niet alleen.

Gemeenschappelijke ruimte

Als je het hebt over ruimte, dan denk ik eigenlijk dat er teveel ruimte is. Mensen hebben eigenlijk teveel ruimte om te doen wat ze zelf belangrijk vinden. En daarmee niet of nauwelijks rekenschap hoeven te geven aan wat hun buurman, collega of een andere consument eigenlijk zou willen. Dus ik denk dat ruimte eigenlijk beperkt moet worden. Ruimte zou eigenlijk sociaal moeten worden. Niet meer een individuele consumptieplek, maar een plek waar je samen iets moet maken. Conceptueel gezien ben ik heel sterk betrokken op het maken van ruimte voor collectieven. Niet voor individuen, maar voor collectieven. En ik ben dat eigenlijk al sinds 1991 toen ik bij Binnenlandse Zaken werkte. Toen met Ien Dales de toenmalige minister die sociale vernieuwing deed in contact kwam en ging zien dat het niet ging over de overheid en het individu, maar over de overheid en het collectief. Dat is wat ik al heel lang nu doe: hoe creëer je collectieven die samen ruimte innemen? Samen ruimte bouwen. Vroeger in de polder deden we dat, kun je zeggen. Anders hadden mensen geen droge voeten, dat zouden ze met elkaar verzuipen als ze niet die dijk gezamenlijk zouden opbouwen. De polder is een geweldig goede plek om mensen te dwingen, tot op zekere hoogte, om samen die ruimte te scheppen. Dat betekent dat ze zich moeten relateren tot de ander, dat ze moeten snappen dat ze dat met die vervelende buurman met wie ze dat dijkje moeten ophogen toch moeten gaan doen. Want die buurman heeft ook een schep en ik heb ook een schep, dus moeten we samen dat zand tegen die dijk aanpleuren. Dat doe je dus met z’n tweeën of met z’n velen. En daarvoor heb je met elkaar een verhouding aan te gaan. Dat is voor mij ruimte. Dat je snapt waar je zelf voor gaat, hoe belangrijk het is waarvoor je samen moet optreden, wat je moet inleveren op je individuele kracht of individuele ‘behoeften’ en wat je er voor terug krijgt, namelijk een relatie. Je legt een relatie aan door. een collectieve ruimte te creëren. Dat is niet alleen in een polder, dat zie je. op talloze plekken. Zie ziet het in zelfsturende teams. Bij Jos de Blok in zijn Buurtzorg. Daar creëert hij een bepaalde taak waar het collectief voor aan de lat staat. Waar ze niet aan een baas kunnen vragen om iets te doen maar ze het met elkaar moeten rooien. Dan dwing je die individuen met elkaar die ruimte van het zelfsturende taakgebied in te namen. Je ziet het op regelvrije verkeerspleinen. Op de straat er voor zijn ze nog gewoon gebruiker van de toebedeelde verkeersruimte, of je nu voetganger, fietser of automobilist bent. Maar op dat plein ben je gelijk en moet je samen eruit zien te komen en samen die verkeersveiligheid realiseren. Ik heb heel veel van dit soort ‘regelkringen’, heel veel plekken waar gemeenschappelijk ruimte wordt gecreëerd.

Als ik kijk wat het ook betekent voor jezelf, het individu, dan heb jij je te relateren tot die ander in die desbetreffende ruimte. Dan gaat het ook over hoe jijzelf als individu ruimte durft in te nemen ten opzichte van de ander, of niet. In hoeverre kan je accepteren dat een ander die ruimte inneemt, dat niet te koste doet van jou. Dus het gaat over leiderschap, wat jijzelf wilt in de ruimte waarin je hebt plaatsgenomen.