Hoe Jeroen van Erp ruimte maakt met een meercamera perspectief

Happyplaces Stories (video)

Jeroen. Voor mij een vanzelfsprekende keuze om te moeten filmen als ruimtemaker. Omdat hij dat voor mij was. Even terugspoelen in tijd. Ik had bedacht dat ik lang lang geleden videoclips wilde maken voor bands. Maar had geen idee wat daar bij kwam kijken. In eerste instantie dacht ik dat ik veel kon leren van productiebedrijven die dat dagelijks doen. Maar na wat bellen met die clubs bleek als snel dat ze prima wilden helpen wanneer ik precies wist wat en hoe ik het wilde en dan konden ze helpen met het realiseren daarvan. Maar ik wilde alles zelf doen, eerst snappen, begrijpen en kunnen. En naast willen waren de budgetten er ook niet naar om het op die manier te doen. Ik las dat Fabrique de maker was van een muziekvideo, die oorworm van de eendagsvlieg Abel, ‘Onderweg’. Op de website van Fabrique stond Jeroen van Erp als contactpersoon. Dus belde ze op. Jeroen was niet beschikbaar, maar zou me later terugbellen. Right. Dat zeggen ze allemaal. Een regiopannenkoek met een videoclipambitie belt ontwerpbureaubaas en die gaat tijd vrijmaken om zijn bevindingen te delen. Die heeft wel wat beters te doen. Niet veel later telefoon. Jeroen, die excuses maakte dat hij niet beschikbaar was en waarmee hij me kon helpen terwijl hij van Delft naar Groningen reed. Toen hij daar uitstapte was ik bijgepraat met zijn bevindingen. Geniaal. Ik heb sindsdien een heel rijtje clips gemaakt. Nooit met zo’n productiebedrijf. Sindsdien hebben we contact gehouden, veel gekletst over het leven, over creativiteit, ontwerp, projecten samen gedaan, heb ik zelfs nog gewerkt bij Fabrique een tijdje. Mooie tijd, mooie herinneringen en nog steeds een dierbare vriendschap. Jeroen is sindsdien steeds meer ook boegbeeld geworden van de sector en nu zelfs professor.


“Toen ik je sprak had je het over hoe je voor jezelf de ruimte creëert om je eigen dingen te doen maar. Toen dacht ik later dat binnen het vak wat ik uitoefen een totaal tendentieuze vraag. Omdat het er totaal niet toe doet wat ik zelf vind. Als ontwerper moet je maar een doel hebben en dat is het verschil willen maken. Het verschil maak je niet voor jezelf. Als je dat voor jezelf wilt maken, dan ben je een kunstenaar. Je maakt het voor een ander. Daar ligt de grote uitdaging, daarom is het wel belangrijk daar stevig in te zitten. Want elk veranderingsproces, daar hadden we het zostraks nog over bij het boterhammetje, dat is lastig, ingewikkeld. De enige manier om een veranderingsproces teweeg te brengen en dus het verschil te maken is door enorm overtuigend het geloof neer te leggen. Dat dat pad, die punt op de horizon het goede is. Dat raakt wel weer aan een autonome houding in het leven. Maar het gaat om het verschil maken.

Meercamera perspectief

Wat fascinerend is, is dat veel mensen in de ontwerpwereld maar één camera hebben. Dat is lastig. En die camera die staat ergens en die kijkt naar de wereld. En ik zeg altijd maar: ‘Het beste perspectief wat je op de wereld kan hebben is een meercamera perspectief.’ Pas dan zie je het hele tafereel en kun je een zo realistisch mogelijk beeld van de werkelijkheid schetsen. Als ontwerper moet je dat ook doen. Wij werken voor klanten. Maar die klanten hebben weer consumenten. En consumenten kunnen eventueel gebruikers worden, of niet, als ze een product wel of niet kopen. Met alles wat we doen moeten we altijd rekening houden met de belangen van de mensen die ons betalen, onze klanten, we moeten rekening houden met die mogelijke consumenten. Die moeten overtuigd worden dat ze iets gaan kopen. En ze moeten ook nog blij blijven als ze het gaan gebruiken. Met onderzoekers heb ik altijd een beetje strijd omdat ze onderzoek doen vanuit de gebruiker. Het grappige is, mijn klanten praten nooit over gebruikers. Maar over consumenten. Hij moeten namelijk eerst overtuigd worden om iets te komen, pas dan gaat hij het gebruiken. En dan wordt het ook ineens een heel ander mens, als hij het al heeft. Ik vind het altijd interessant om al die belangen af te scannen en dan met die Houdini-act te komen. Dat is leuk. Of met een opeenstapeling van ideeën waardoor dat samen die Houdini-act is. Dat is spannend. Maar één camera is eigenlijk totaal oninteressant. Dus wat jij doet met een camera is eigenlijk totaal oninteressant.

Rekening houden

Toen ik je sprak had je het over hoe je voor jezelf de ruimte creëert om je eigen dingen te doen maar. Toen dacht ik later dat binnen het vak wat ik uitoefen een totaal tendentieuze vraag. Omdat het er totaal niet toe doet wat ik zelf vind. Als ontwerper moet je maar een doel hebben en dat is het verschil willen maken. Het verschil maak je niet voor jezelf. Als je dat voor jezelf wilt maken, dan ben je een kunstenaar. Je maakt het voor een ander. Daar ligt de grote uitdaging, daarom is het wel belangrijk daar stevig in te zitten. Want elk veranderingsproces, daar hadden we het zostraks nog over bij het boterhammetje, dat is lastig, ingewikkeld. De enige manier om een veranderingsproces teweeg te brengen en dus het verschil te maken is door enorm overtuigend het geloof neer te leggen. Dat dat pad, die punt op de horizon het goede is. Dat raakt wel weer aan een autonome houding in het leven. Maar het gaat om het verschil maken.

Meercamera perspectief

Wat fascinerend is, is dat veel mensen in de ontwerpwereld maar één camera hebben. Dat is lastig. En die camera die staat ergens en die kijkt naar de wereld. En ik zeg altijd maar: ‘Het beste perspectief wat je op de wereld kan hebben is een meercamera perspectief.’ Pas dan zie je het hele tafereel en kun je een zo realistisch mogelijk beeld van de werkelijkheid schetsen. Als ontwerper moet je dat ook doen. Wij werken voor klanten. Maar die klanten hebben weer consumenten. En consumenten kunnen eventueel gebruikers worden, of niet, als ze een product wel of niet kopen. Met alles wat we doen moeten we altijd rekening houden met de belangen van de mensen die ons betalen, onze klanten, we moeten rekening houden met die mogelijke consumenten. Die moeten overtuigd worden dat ze iets gaan kopen. En ze moeten ook nog blij blijven als ze het gaan gebruiken. Met onderzoekers heb ik altijd een beetje strijd omdat ze onderzoek doen vanuit de gebruiker. Het grappige is, mijn klanten praten nooit over gebruikers. Maar over consumenten. Hij moeten namelijk eerst overtuigd worden om iets te komen, pas dan gaat hij het gebruiken. En dan wordt het ook ineens een heel ander mens, als hij het al heeft. Ik vind het altijd interessant om al die belangen af te scannen en dan met die Houdini-act te komen. Dat is leuk. Of met een opeenstapeling van ideeën waardoor dat samen die Houdini-act is. Dat is spannend. Maar één camera is eigenlijk totaal oninteressant. Dus wat jij doet met een camera is eigenlijk totaal oninteressant.

Rekening houden

Er is nooit één heilig startpunt. Ik noem altijd bij mijn klanten, in het rijtje dingen waar je rekening mee moet houden omdat ik mijn klanten een beperkte bandbreedte hebben van acteren, betekenis geven, zijn en doen: ik kan wel naar je consument gaan en vragen: ‘Wat wil je?’ Of ik kan met die consument gaan praten en er achter komen wat hij wil. Vaak kan hij dat zelf niet eens uitleggen. Maar dat wil niet zeggen dat mijn klanten, de mensen die mij betalen dat ook kunnen. Een blauwe supermarkt wordt nooit een gele supermarkt. En andersom. Dus je doet voor allebei iets heel anders om uiteindelijk consumenten naar je toe te krijgen. Je moet wel degelijk met allebei rekening houden. Punt. Sterker nog, soms sneuvelt een topidee, omdat het soms niet bij mijn klant past of door mijn klant gedaan kan worden. Gebeurt heel vaak.

Misschien nog wel veel belangrijker

Het is een ingewikkeld ding om de vraag te stellen ‘wanneer ben je nou jezelf, wanneer ben je nou tevreden, wanneer heb je nou voldoening’. Als mensen mij nu vragen wat mij nu het meeste voldoening geeft, dan zeg ik altijd dat het gaat over het feit dat we/ik hier 100 mensen aan het werk hebben. Die verschrikkelijk leuk werk hebben, met ontzettend leuke collega’s, met hele mooie klanten ook nog eens prachtige projecten doen. Dat is uiteindelijk het geluk van die mensen, niet alleen die hier nu werken maar ook die hier in het verleden hebben gewerkt, daar kijk ik echt met de meeste trots, plezier en voldoening op terug. Dat is groter dan die 150 prijzen en awards en dergelijke. Dat is de optelsom van dingen. Dat is ze aandacht geven, kijken naar wie ze zijn, wat ze kunnen, wat ze doen. Het gaat niet alleen over inhoudelijke inspiratie, het gaat over veel meer dan dat. Ik kan mensen bij elkaar roepen om naar leuke dingen te kijken… Maar dat is het niet, het is veel meer dan dat. Het is ook mensen opbellen als je weet dat ze al anderhalve week ziek zijn, of er niet zijn en dat er gedoe is. Ook dat. Misschien nog wel veel belangrijker.

Team

Je ziet dat wat wij moeten doen, of wat ons gevraagd wordt of waarvan dat ik vind dat moet gebeuren, dat dat steeds complexer wordt. Dat het zelden nog een geïsoleerd ding is wat je doet. Het is altijd verbonden met allerlei andere zaken die zich afspelen bij onze klanten. Het zijn veel vaker interventies of incrementele verbeteringen in plaats van radicale veranderingen. Het is bijna altijd teamsport. Dat is een enorme verandering. Waarbij in die teamsport ook nog eens de disciplines naast elkaar en door elkaar werken. Dat is iets wat onomkeerbaar is. Ik zeg ook wel eens: ‘De ontwerper is hartstikke dood, lang leve het ontwerpteam.’ Dat kun je eigenlijk niet genoeg onthalen. Ik vind het heel gek dat heel veel opleidingen focussen op persoonlijke ontwikkeling en je eigen ding doen en niet op een waanzinnige teamspeler zijn. Dat is wel eens frustrerend.

Je hebt ook mensen die het alleen doen. dat zijn wat mij betreft de uitzonderingen. Dat is niet de kritische massa. En de mensen die dingen alleen doen, die doen dat vaak als een soort, die hebben vaak gelegenheidsteams om zich heen. Maar de mensen die dat alleen kunnen die zijn gewoon uitermate zeldzaam. Die dan ook nog eens goed zijn en ook blijven. Want vergeet niet als je in een team werkt, of continu met mensen om je heen werkt, met meerdere klanten werkt, dat je dan elke seconde dat je bezig bent leert. Zie je nieuwe dingen, zie je andere dingen. Dat is echt zo totaal anders dan wanneer je in je eentje opereert.

Lat hoger

Er zijn negen topsectoren. Waarvan de creatieve industrie er één is. Natuurlijk kun je argumenteren dat creativiteit overal in moet zitten. Tegelijkertijd is het zo dat het anders werkt als je het een eigen status geeft. Het is algemeen bekend dat de creatieve industrie heel goed is in zogenaamde cross-overs: dingen doen in andere sectoren waardoor het verschil wordt gemaakt. Waardoor er ook innovaties ontstaan. Waarom is het nou zo belangrijk dat de creativiteit ook een eigen wereld heeft? Omdat je daarmee onafhankelijker en autonomer bent en niet meegezogen wordt in bijvoorbeeld interne processen van grote bedrijven. Probeer maar eens iets te doen bij bijvoorbeeld Rijkswaterstaat, een groot bouwbedrijf of een supermarkt. Die werelden zijn weerbarstig. Als je daar altijd bent en je krijgt een creatief petje op, dan bereik je minder dat wanneer het een externe partij is die er anders tegenaan kijkt en eigenlijk elke dag met dat soort veranderingsprocessen bezig is. Ik geloof dat je als bedrijf, als instelling wel degelijk creativiteit in eigen huis moet hebben. En dat we ook een heleboel moeten stimuleren en ontwikkelen. Maar ik denk dat het slim is om met externe creatieven te werken om zo grenzen te kunnen verleggen. Eat het goede is aan dat de creatieve industrie topsector is, is dat het eigenlijk als een soort bom is ingeslagen van: ‘O wow, we horen allemaal bij elkaar.’ Alle 107.000 bedrijven die je hebt in de creatieve industrie. En je ziet dat de organisatiegraad pijlsnel omhoog gaat, dat het saamhorigheidsgevoel pijlsnel omhoog gaat, we doen ontzettend toffe dingen als we samenwerken en het meest indruk maken van allemaal. Dat is leuk, dat is goed. Dat legt de lat hoger. En daar moeten we dan weer wat mee. Daar houden we van.

Draagvlak

Als het gaat over ruimte maken voor innovatie en ruimte voor verandering, dan kun je er allerlei theoretische modellen op los laten. Dan kun je organisatiepsychologen aan het werk zetten. Maar uiteindelijk is het mijn ervaring dat er maar één ding telt, nee twee dingen. Of er is een mandaat of een directe eis van de directie die zegt dat er wat moet, er bewogen moet worden en welke kant op. Dus iemand heeft daadwerkelijk op zijn lijstje staan dat hij een bepaalde verandering moet doorvoeren. Of het is het individuele enthousiasme van iemand binnen een organisatie, het liefst zo hoog mogelijk die zegt: ‘Hier geloof ik in, hier ga ik voor.’ Grote organisaties gaan anders niet achter jouw ideeën staan. Dat doen ze niet. Het moet of part of a bigger plan zijn, of iemand moet zeggen: ‘Ik vind het zo’n goed idee, ik ga het eens uitzoeken.’ vandaar dat het ook zo ontzettend slecht werkt als jij ene heel goed idee hebt, waarvan de hele wereld vindt dat bedrijf X dat moet gaan doen omdat we ervan overtuigd zijn van dat bedrijf X er beter van wordt, dat vaak bedrijf X daar geen zin aan heeft en dat niet doet. Dat het blijft liggen. Het staat nergens in een plan, dus is niemand eigenaar. En als je ook die enthousiaste directeur niet weet te vinden, dan heb je een probleem. IK denk ook dat, des te sterker je ideeën zijn, des te beter je weet hoe je ze moet uitvoeren en des te beter je ook kunt verbeelden wat het effect van die ideeën is, des te makkelijker je mensen kunt vinden die enthousiast zijn om het te dragen. Maar ik geloof niet dat je op organisatorisch niveau eerst je kamer moet gaan opruimen om dan je huiswerk te gaan maken. Daar geloof ik niet in. Je moet je huiswerk willen maken en dan kan het ook in een rommelige kamer.”