Hoe Koen Frenken ruimte maakt door te verhelderen

Happyplaces Stories (video)

Ik werk bij de Universiteit Utrecht als hoogleraar innovatiestudies en wij leiden onze studenten op om na te denken hoe je innovatieprocessen kunt managen. Niet alleen binnen bedrijven, maar ook in de samenleving als geheel en welke rollen overheid, maatschappelijke organisaties en burgers daar ook in hebben. Eigenlijk bestuderen wij hoe mensen ruimte proberen te creëren voor nieuwe initiatieven. Dat kan zijn dat mensen met nieuwe producten, met nieuwe artefacten op de proppen komen of praktijken ontwikkelen, nieuwe organisatiemodellen. En heel vaak gaat dat met strijd en controverse gepaard omdat die nieuwe initiatieven botsen met heersende opvattingen en soms ook heersende regels die we hebben afgesproken met elkaar.

Regels en ruimte

Een voorbeeld waar ik me de laatste jaren heel veel heb bezig gehouden is de deeleconomie. En bij deeleconomie gaat het bij mij om consumenten of burgers die onderling elkaar spullen lenen of verhuren. En een broertje ervan is wat inmiddels de ‘kluseconomie’ is gaat heten. En dat is het fenomeen dat mensen elkaar ook steeds vaker informeel diensten verlenen, soms ook tegen vergoeding. Dat deden we natuurlijk vroeger ook al, maar toen was het een praktijk die zich beperkte tussen vrienden, familie en buren. Nu hebben we platformen gekregen, websites op internet die jou in staat stellen om aan volstrekt vreemden je spullen te gaan verhuren, je huis te gaan verhuren, bijles te gaan geven of wat je ook maar met elkaar wilt gaan doen. Dit is voor mij een fantastisch onderwerp vanuit innovatie. Echt een radicale innovatie omdat niet het niet alleen een nieuwe dienst is, of een nieuwe website waar mensen gebruik van maken. Maar omdat het eigenlijk een praktijk faciliteert en steeds groter maakt, die botst met de huidige regels. Omdat strikt genomen een heleboel van die activiteiten die mensen doen, waar ze ook nog geld voor vragen, aan regels gebonden zijn waar mensen zich niet aan houden. Aan de andere kant ziet iedereen wel in — zelfs bedrijven die laast hebben van deze praktijk, bijvoorbeeld hotels die hun omzet zien terug lopen vanwege Airbnb of taxichauffeurs die het niet eens zijn met ‘snorders’, mensen die zonder vergunning taxidiensten aanbieden via Uber, wat inmiddels verboden is — zelfs die mensen, die hun belangen bedreigd zien, die snappen wel dat dit een een trend is die voor de meeste mensen voordelen biedt. En die het heel laagdrempelig maken voor mensen om op de een of andere manier te participeren, betaald of onbetaald, in de maatschappij. En wat ik heel interessant vind is dat we in Nederland niet niet in een stuip zijn geraakt, niet op de rem zijn gaan trappen. Maar dat we juist door publiek debat, door overleg, door een overheid en gemeentes die meedenken, dat we proberen dit in goede banen te leiden. In die zin vind ik het wel typisch Nederlands dat je iets in het begin gedoogt, dat je dus ruimte geeft aan nieuwe initiatieven. We hebben toch een traditie in Nederland, die gaat terug tot de late Middeleeuwen, dat burgers door zelforganisatie een hele hoop regelen met elkaar. En pas de laatste eeuw is de overheid daar bovenop gekomen. Maar dat maatschappelijk middenveld, dat private initiatief, dat lokale gebeuren is nooit weggegaan. En dat zie je nu weer terugkomen in nieuwe vormen met die internetplatformen. Ik vind het heel mooi dat we dat in Nederland in beginsel toestaan. En heel pragmatische kijken van: ‘Oké, zijn er echt regels nodig? Of moeten we toch de bestaande regels handhaven? Of kunnen we nieuwe regels bedenken?’ Dat bestudeer ik als wetenschapper. Daar geef ik ook colleges over, hoe dat in allerlei sectoren nu vorm krijgt.

Dingen zijn gaan schuiven

We kennen nu allemaal de voorbeelden van Airbnb en Uber. Het is niet zo raar dat iedereen die twee voorbeelden kent, want die zijn veruit het grootste. En Airbnb maakt ook al flink winst. Bij Airbnb hebben we gezegd: ‘Dat mag, zolang je het niet het hele jaar door doet want dan ben je niet meer je eigen huis aan het verhuren op de momenten dat je er even niet bent, maar dan ben je eigenlijk een illegaal hotel aan het runnen. En daar zijn vergunningen voor nodig.’ Beroemde regel in Amsterdam is dat je dat dan niet meer dan zestig dagen per jaar mag doen. Bij Uber Pop hebben we eigenlijk gezegd: ‘Dit is een praktijk waar mensen gewoon zelf hun auto inzetten als taxi. En daar geld voor vragen is eigenlijk precies hetzelfde als wat een gewone taxichauffeur doet, dus dan heb je het echt over oneerlijke concurrentie.’ Omdat je echt precies hetzelfde doet dan wat al bestaat en gereguleerd is. Dat kon de overheid niet toestaan. Hoewel het best lang heeft geduurd voordat men het daar over eens was. Maar naast die twee beroemde voorbeelden zien we dat in de zorg met liften, dus niet Uber maar Blablacar. In kledinggebruik. Je kan boeken delen. Je kan je huis als co-working space openstellen, dat mensen daar kunnen werken. Babysitten. Ouder-/kind crèches die mensen zelf runnen. je ziet het eigenlijk nu overal ontstaan. Ook bijles geven trouwens; onderwijs leent zich heel goed voor platformen. Dat steeds meer mensen denken dat die platformen niet zo maar, hoe moet je het zeggen, zo maar een extra technologische ontwikkeling is boven op dat wat er al is, maar eigenlijk in potentie onze maatschappij op een hele nieuwe manier gaat organiseren. Nou ben ik niet iemand die gelooft in revoluties en ook niet in dat alles opeens allemaal anders wordt, maar tegelijkertijd moeten we ook niet onze ogen sluiten voor dat er door het internet wel een aantal dingen zijn gaan schuiven. En dat hebben we in de geschiedenis ook gezien met de opkomst van de telefoon, trein of de auto of de lopende band. Dat dat ontwikkelingen waren die eerst in een bepaalde sector ontstonden, maar dan op een gegeven moment overal effecten gingen sorteren.

Nieuwe digitale ruimte, nieuwe regels

En wat is dan precies een internetplatform? En waarom heeft die eigenlijk ruimte nodig? En waarom heeft die nieuwe ruimte nodig waarin die kan ontwikkelen? Een platform is eigenlijk een nieuwe manier van dingen organiseren. Omdat je met elkaar economische of sociale activiteiten onderneemt in een digitale ruimte die beheerd wordt door één partij. En heel vaak is dat een commerciële partij. Die commerciële partij zorgt er niet alleen voor dat die website draaiende wordt gehouden, maar die probeert er ook geld mee te verdienen door bijvoorbeeld de gegevens die mensen vanzelf achterlaten door actief te zijn weer door te verkopen aan adverteerders of aan andere bedrijven. maar ook door er voor te zorgen dat er bepaalde normen, bepaalde omgangsvormen op zo’n platform worden gerespecteerd. En als mensen zich in de ogen van dat platform niet goed gedragen, dus als je iemand oplicht, of als je discrimineert of als je in hun ogen geen goede kwaliteit levert, dan kunnen ze jou van het platform kieperen. Want zij bepalen gewoon welk IP-adres, welke internetgebruiker, mee mag doen en wie niet. Dus wat je eigenlijk ziet is dat het ruimtes zijn waar heel veel mensen gebruik van maken, denk ook aan sociale media, die eigenlijk een soort van publieke functie vervullen. Net zo goed als buiten op straat publiek domein is, zo zijn er digitale ruimtes, websites, waarin eigenlijk iedereen wil participeren. Maar waar niet zo maar iedereen wordt toegelaten. Degene die dat bepaalt is niet de overheid, want die hebben wij traditioneel de macht gegeven om bepaalde mensen toegang te ontzeggen tot bepaalde ruimtes. En ook bij overtredingen in te grijpen. Maar dat zijn dus private partijen en dat is dus iets heel nieuws. Daarom is ook niet iedereen heel optimistisch en heel erg blij met die platformen omdat ze in korte tijd een enorme machtspositie in de maatschappij hebben ontwikkeld. Zonder echt de verantwoordelijkheid te nemen die bij een machtspositie hoort in een democratische samenleving.

Bijvoorbeeld Facebook heeft, misschien zonder daar helemaal bewust van te zijn, verkiezingen beïnvloed door gegevens aan bepaalde politieke partijen te verkopen zodat die partijen specifieke advertenties konden plaatsen op zo’n Facebook pagina om mensen waarvan bekend was dat ze nog twijfelden op hun partij te laten stemmen. En er kan zelfs verkeerde, misinformatie bij zijn. Maar het zit wel in het businessmodel van Facebook dat ze dit doen. Nu worden ze er op aangesproken dat ze de verspreiders kunnen zijn van misinformatie en daarmee ook democratische processen beïnvloeden. Dat is maar één voorbeeld. Een ander voorbeeld is Airbnb. Die zelf bepaalt wanneer mensen in hun ogen niet meer een goede host zijn. Niet meer een goede verhuurder zijn. En dan kan zomaar jouw advertentie worden verwijderd van dat platform en dan gaan ineens je inkomsten enorm omlaag. En een derde voorbeeld zijn eigenlijk alle platformen die worden gebruikt om mensen in te huren. Je kunt een taxichauffeur inhuren. Je kunt een schoonmaker inhuren. Je kunt een fietskoerier inhuren als je een pizza bestelt. En die mensen werken voor zichzelf, freelance. Bepalen zelf wanneer ze werken en niet werken. Bepalen zelf welke opdracht ze wel of niet uitvoeren. Maar ook voor hun geldt, dat als het platform niet tevreden is, bijvoorbeeld omdat ze slechte review krijgen, dat ze dan van het platform verwijderd kunnen worden. Dus dan krijg je een groep mensen die al niet heel hoog is opgeleid en die voor een groot deel van het inkomen afhankelijk zou kunnen raken van zo’n platform, die opeens ontslagen kunnen worden zonder dat ze ontslagbescherming hebben, want ze zijn geen werknemer. Intussen zijn dus allerlei instanties, de vakbond als je het hebt over de ontslagbescherming, tot de overheid en de publieke omroepen als je het hebt over news en fake news, die nu aan het nadenken zijn of er toch niet bepaalde regels moeten worden opgelegd aan die platformen. En hoe doe je dat? Dat is eigenlijk wat in bestudeer.

Als je het wat breder trekt, is dit een ontwikkeling die echt bottom-up is zou je kunnen zeggen. Want mensen gaan gewoon gebruik maken van die platformen. Die platformen die vragen niemand om toestemming, die checken niet wat de regels zijn. De platformen beginnen gewoon met een website, zonder daarom toestemming te vragen. Dat vind ik op zich heel mooi, dat die innovatie bottom-up is en daardoor vrij goed aansluit bij wat mensen eigenlijk willen. En daarmee creëren ze eigenlijk een nieuwe ruimte voor zichzelf, zonder precies te beseffen — en dat kan niemand in het begin van zo’n proces — welke consequenties zo’n nieuwe praktijk en zo’n nieuw platform heeft. Ik denk dat we nu nog in een fase zijn waarin dat nog alle kanten op kan gaan. Ook, bij wijze van spreken, een utopische kant op kan gaan. Maar dat er eerst wel heel veel besef moet komen en inzicht moet komen wat we eigenlijk met z’n allen aan het bouwen zijn. En wat we eigenlijk allemaal aan het doen zijn op het internet.

Vroeger maar dan nu

Om dan een wat meer utopisch geluid te laten horen: er zijn ook initiatieven zichtbaar waarin mensen zelf het platform bouwen dat ze vervolgens gaan gebruiken. Dat zijn mensen die niet met een commerciële partij in zee willen die vervolgens een hoop van de inkomsten die je genereert op zo’n platform afroomt met een commissie. Maar die zelf een app bouwen. Zo moeilijk is dat niet. Om die vervolgens met elkaar gaan gebruiken om geen 10/12/30% kwijt te zijn aan commissie, maar dat alle inkomsten ook weer terug gaan naar degene die de dienst verleent of degene die de producten verhuurt. Je hebt dergelijke initiatieven in de VS, in Amerikaanse steden met taxichauffeurs die niet meer voor Uber willen werken maar voor zichzelf en met z’n alleen een platform zijn gaan oprichten en daarmee hun diensten aanbieden. Het moois is dat deze laatste ontwikkeling, die eigenlijk onderdeel is van een aantal mensen die het idee van een platform wel omarmen maar de manier waarop die tot nu toe is ontwikkeld door grote bedrijven, althans bedrijven die heel snel groot werden.

Zelf doen

Het mooie van deze ontwikkeling is dat het eigenlijk terug grijpt op hoe vroeger ook op innovaties werd gereageerd. Namelijk, met de oprichting van coöperaties. Een sector die ik toevallig erg goed ken omdat ik daar onderzoek naar heb gedaan is de zuivelindustrie. Waar Nederland nog steeds hartstikke groot in is. In de zuivelindustrie kreeg je op een gegeven moment de stoommachine waarmee melk- en kaasproducten op een industriële wijze konden worden geproduceerd in een fabriek. Wat betekende dat alle boeren in de omgeving hun melk moesten verkopen aan die ene fabriek en eigenlijk overgeleverd waren aan de prijs die die fabriek hun gaf. Want je kon moeilijk 100 kilometer verder rijden om aan een concurrerende fabriek je melk te verkopen. Dus dan zie je dat er één machtige partij ontstaat en een hele hoop kleine partijtjes en dat er dus een machtsongelijkheid ontstaat. Dus wat gingen die boeren doen? Die dachten: ‘Wij gaan gewoon zelf een fabriek stichten. daar worden we allemaal eigenaar van. En dan hebben we ook een betere opbrengst van onze melk.’ En de melk werd er ook beter van omdat de boeren er nu ook een belang bij hadden om de hoogste kwaliteit te leveren aan die fabriek. Terwijl ze daarvoor nog wel eens water bij de melk wilden doen. En dat kon toch niet worden gecontroleerd om dan toch wat meer te verdienen. Dus die coöperatieve vorm die lost eigenlijk machtsverschillen op in een economische activiteit. En dat zie je nu ook gebeuren met het internet. Dat is een beetje het utopische van die platformen, want dan zouden mensen zelf eigenaar zijn en ook op een democratische wijze kunnen beslissen over hoe ze het platform willen runnen en hoe het verder kan worden uitgebreid. maar of het zo ver komt is maar de vraag, omdat coöperaties ook wat minder makkelijk te besturen zijn omdat iedereen er een zegje in heeft. Dus voor innovatie is het niet per se het beste vehikel. Het is nog even afwachten in welke sectoren we de coöperatie weer zullen gaan zien in de vorm van coöperatieve platformen, en in welke sectoren dat niet gaat lukken. Overigens zie je het ook bij restauranthouders die zelf een reserveringswebsite gaan starten om het monopolie van Iens te breken. je ziet het ook bij de kranten die zelf een digitale service met z’n allen beginnen dat je per artikel kunt betalen, waarmee ze het monopolie van Blendle willen doorbreken. Je ziet eigenlijk een logische tegenbeweging ontstaan. En dat bestuderen wij ook.

Wetenschap in praktijk

Als ik het wat persoonlijker trek, heb ik natuurlijk als hoogleraar ook een rol in het hele innovatieproces. Je kan wel processen bestuderen, maar dan word je ook wel eens gevraagd om daarop te commentariëren. En daar een bepaalde rol in te spelen. Dat is best lastig, want ik ben een wat klassieke wetenschapper. Ik probeer een onafhankelijke positie in te nemen. Het is niet aan mij om keuzes te gaan formuleren. Uiteindelijk zullen de gebruikers van die platformen, of als je het hebt over andere innovaties, de gebruikers van medicijnen of de gebruikers van de stad, met elkaar en met bedrijven en overheid moeten beslissen waar ze naartoe willen en hoe ze technologie willen inzetten of niet. Om hun leven te verbeteren, of om problemen op te lossen. Maar wat we wél kunnen doen is op basis van onderzoek of een soort ervaring die we hebben opgedaan met andere innovatieprocessen, te verhelderen wat het proces is wat gaande is, welke opties er zijn en soms van te voren nadelen van opties opsommen. En daarmee betrokkenen ondersteunen in hun besluitvorming. Dat is voor mij een nieuwe rol. Want totdat ik de deeleconomie en die platformen ging bekijken deed ik veel meer statistisch onderzoek en dat raakte nooit aan hele concrete politieke discussies. En ook niet aan media uitingen. Maar toen ik me bezig ging houden met de deeleconomie vijf jaar geleden, werd ik letterlijk van de één op de andere dag benaderd maandelijks om commentaar te geven op wat er aan de hand was. Het was zo nieuw en het ging zo snel, dat er geen wetenschappers waren die hier mee bezig waren. En ik was er toevallig een klein beetje mee bezig. En werd ik plotseling een soort spokesperson namens de wetenschap. Dat vind ik ontzettend leuk, omdat ik nu eindelijk al die jaren onderzoek ook in de praktijk kan brengen. En ik ook wel echt geloof dat je in zo’n complex vraagstuk een rol kunt spelen. Ik ben bijvoorbeeld veel meer in het Nederlands gaan schrijven, veel meer opinie artikelen gaan schrijven, veel meer blogs gaan schrijven. Daar krijg ik ontzettend veel reacties op. Eigenlijk veel meer dan op mijn traditionele werk. Tegelijkertijd merk ik ook bij studenten dat het een onderwerp is dat aanslaat. Dat heeft een enorme verandering betekend in mijn werk en ten positieve.

Wetenschappelijke beperking

Het heeft me ook duidelijk gemaakt dat de wetenschap niet heel goed is om heel snel in te springen op nieuwe ontwikkelingen. Omdat wij op een bepaalde manier zijn georganiseerd die het niet mogelijk maakt om heel snel van onderwerp te veranderen. Dat heeft er simpelweg mee te maken, dat waar je vroeger en vrij groot budget had wat je autonoom mocht besteden, moet je nu eigenlijk bijna al je onderzoeksgeld via subsidieaanvragen op nationaal of Europees niveau zien te krijgen. Er is heel veel concurrentie. Daar komt nog bij, dat de onderwerpen waar je subsidie voor mag aanvragen ook altijd een paar jaar achterlopen. Want dat is ook weer een heel proces: wat willen we eigenlijk ook weer onderzocht hebben? En voordat eindelijk iets op de agenda is, ben je al weer een paar jaar verder. Dus tot op de dag van vandaag zijn er eigenlijk geen subsidies voor onderzoek naar deeleconomie. Terwijl de kranten er al tien jaar mee vol staan. Dus dat laat zien dat, in ieder geval in de sociale wetenschappen, er geen snel mechanisme is om goed onderzoek van de grond te trekken over een nieuw en plotseling ontstaan fenomeen. De oplossing is dat je toch weer wat meer geld direct aan universiteiten geeft die dat naar eigen inzicht kunnen besteden. Dat zou ook een hele hoop tijd schelen, waar je niet voor wordt gecompenseerd, voor het schrijven van al die subsidievoorstellen terwijl misschien één op de tien het haalt. Dus dat is een heel inefficiënt bureaucratisch geheel wat we met z’n allen hebben opgetuigd. Dat laat zien dat universiteiten wat meer ruimte voor zichzelf moeten maken. En eigenlijk, juist om meer met de samenleving en sneller op de samenleving te kunnen inspelen, wat meer autonomie moeten hebben. Dat lijkt een paradox, maar hoe autonomer een universiteit en hoe minder concurrentie en prestatie voorop staat — dat zou wél altijd een rol moeten spelen in de wetenschap maar het moet niet het enige criterium zijn — hoe meer wetenschappers ook met actuele vraagstukken aan de gang kunnen gaan die ook de studenten interessant vinden. Dat heb ik in elk geval nu van nabij meegemaakt. Dat ik eigenlijk in mijn vrije tijd dit onderwerp moest ontwikkelen en op een enkele subsidie na, het onderwerp nog steeds niet op de agenda staat.

Nieuw fenomeen gevat in oude taal

Ik vergelijk een platform wel eens met de auto. Toen de auto opkwam, toen hadden we er geen woord voor. Toen noemde men het ook in het Engels ‘the horseless carriage’, de koets zonder paard. Want als zoiets nieuws ontstaat kan je het alleen maar in de oude taal vatten. En duurt het even voordat er taal met nieuwe categorieën en nieuwe normen en waarden ontstaat waarmee je er over kunt praten. In dezelfde fase zitten we volgens mij met platformen. Ik heb nog geen nieuwe taal om over platformen te praten. Maar ik kan wel uitleggen wat het is in onze oude taal. En dan maak ik gebruik van wat sociologen noemen ‘institutionele logica’s’. Veel sociologen zien de maatschappij opgebouwd uit zeven organisatieprincipes, zeven manieren om activiteiten te organiseren. Je kan het in en hiërchische organisatie doen, vooral een bedrijf of kerk. Op die laatste kom ik later terug, maar bedrijven hebben we daarvoor de laatste 200 jaar vooral voor ontwikkeld. Markten. Natuurlijk ook een allocatiemechanisme om dingen te verdelen en dingen te organiseren. De overheid, dus de staat. De beroepsgroep. Beroepen hebben vaak ook een bepaalde autonomie en spreken onderling regens af wat wel en niet mag en hoe dingen moeten. Dan hebben we nog de gemeenschap, communities. We hebben religie. En we hebben de familie. Binnen de familie wordt natuurlijk ook een hele hoop georganiseerd, gedaan, gezorgd, geconsumeerd, etc.

In mijn ogen hebben we de laatste 200 jaar met de industriële revolutie, het kapitalisme, steeds meer via bedrijven en markten georganiseerd. dat gaat nogal met wat ongelijkheden en ruwe uitkomsten gepaard. Dus de overheid is daar op ingesprongen. Vooral de natiestaat, om dan met een sociale zekerheid, de welvaartsstaat dat een beetje te pacificeren en in goede banen te leiden. Dus dat zijn eigenlijk de drie belangrijkste organisatieprincipes geworden. En bij sommige praktijken speelt de beroepsgroep nog een grote rol. Bijvoorbeeld wetenschappers die bepalen bijna alles onderling. De medici bepalen ook nog een hele hoop onderling. Religie, familie en de gemeenschap zijn eigenlijk teruggedrongen. Ze bestaan nog wel, maar ze zijn heel informeel en niet meer zo krachtig. Wat zie je nu met die platformen, dan heb ik het over platformen waar echt geld in om gaat dan wel advertenties worden verkocht via data, dat dat eigenlijk marktplaatsen zijn; die brengen allemaal mensen bij elkaar die iets willen en mensen die iets kunnen of iets aanbieden. Op Facebook posten mensen dingen, consumeren mensen dingen. Airbnb, Marktplaats.nl, noem het allemaal maar op. Die presenteren zich ook als een perfecte markt. Waar transparantie is, waar lage prijzen zijn, veel keuzevrijheid is. Maar het zijn helemaal geen vrije markten. Zij bepalen wie er mee mag doen en wie niet. Soms bepalen ze zelfs de prijs. Dus in die zin zijn het hele aparte markten.

Het grappige van die platformen is dat het platform zelf een bedrijf is. het is een bedrijf dat het platform als bedrijf aanbiedt. Dus het is sowieso al een hybride tussen een bedrijf en een markt. De markt is een bedrijf in plaats van dat de markt een verzameling bedrijven is. En het neemt ook de functie over van wat beroepsgroepen doorgaans doen. Bij heel veel beroepsgroepen moet je eerste en diploma halen. Wordt je heel vaak beoordeeld door iemand die al in het beroep zit. je moet vaak een vergunning hebben als je een beroep wilt uitoefenen, zoals een taxichauffeur. Maar die regels gelden niet. Want bij een platform mag in principe iedereen meedoen, wordt achteraf beoordeeld of je goede kwaliteit levert en als dat zo is dan mag je blijven. Dus de professionaliteit van iemand wordt achteraf beoordeeld via de likes, de reviews en whatever. En niet vooral, dus die beroepsgroep is ook niet meer een institutionele logica.

Dan hebben we nog de staat. Die wordt eigenlijk ook omzeild. Omdat het platform zelf niet aan alle regels voldoet. Bijvoorbeeld dat belasting niet altijd wordt betaald in het land waar de activiteiten worden gedaan. Maar het platform faciliteert vooral dat mensen dingen doen die tegen de overheidsregels in gaan. Ik zeg niet dat ik daar op tegen ben, maar dat is een constatering. Dus die overheid is eigenlijk ook niet meer nodig omdat het platform zelf reguleert, in plaats van dat de overheid zo’n markt reguleert.

Dan kom ik terug op die oude logica’s, religie, gemeenschap en familie. Wat is hun plaats dan in die platformsamenleving? Grappig genoeg, in ieder geval in de retoriek van platformen, hebben die wel een plaats. Want die platformen creëren eigenlijk nieuwe gemeenschappen. Gemeenschappen van gelijkgestemden, gemeenschappen van mensen die een hobby delen, die een passie delen. Maar ook die huizen bezitten en die verhuren aan toeristen. Er worden eigenlijk hele specifieke gemeenschappelijke belangen of interesses georganiseerd p hele grote schaal via het internet. Terwijl die belangen nooit zo goed konden worden georganiseerd op lokale schaal, want dan had je misschien maar één of twee gelijkgestemden. Die communities zijn virtual communities, die vervangen voor een deel lokale communities. Tegelijkertijd moeten we wel beseffen dat de meeste dingen die op het internet gebeuren, een lokale component hebben. Het nieuws dat het meest wordt gezocht gaat over jouw dorp, de meeste mensen die je kent wonen in de buurt. Als jij een boor leent van iemand of een auto, dan doe je dat ook in de stad. Dus dat internet kan ook wel weer een manier zijn om lokale gemeenschappen te verstevigen.

Het familiegevoel wordt ook wel eens genoemd bij platformen. Want wat je eigenlijk aan het doen bent met z’n allen: mensen gaan met elkaar eten door via zo’n platform een afspraak te maken, mensen gaan elkaar bijles geven, mensen gaan elkaar helpen; dan ben je eigenlijk dingen aan het doen die vroeger altijd in de familie werden gedaan. Daar vraag je dan niet per se geld voor. Je laat mensen toe in je privésfeer. En je gaat ook letterlijk steeds meer economische activiteiten en sociale activiteiten vanuit huis organiseren. En dat maakt ook dat het huis niet alleen iets is om te wonen en te consumeren, maar ook weer een productie eenheid wordt. Zoals het vroeger altijd natuurlijk ook was, toen mensen ook thuis hun eten verbouwden en dat soort dingen. Dus dat zijn allemaal ontwikkelingen die ook weer teruggrijpen naar hoe we vroeger dingen organiseerden.

Religie is eigenlijk ook een platform. Omdat het in sommige gevallen zodanig geïnstitutionaliseerd is, dat je er bij hoort, of niet. In het Christendom of de Katholieke kerk kun je worden geëxcommuniceerd. Dan mag je niet meer meedoen. Je hebt ook allerlei sektes, daar hoor je bij of je bent er niet bij. Dat lijkt in die zin op een platform, omdat er een hiërarchische of een centralistische organisatie is die bepaalde normen wil hooghouden. En bepaalde mechanismes heeft om dat te controleren en ook om mensen uit te stoten. Ik neem ook aan, maar dat heb ik absoluut niet bestudeerd, dat religies steeds meer van platformen gebruik maken. Van online platformen. We weten dat heel veel propaganda en zending nu via internet gebeurt. Dat heeft ook weer allerlei positieve en negatieve effecten denk ik. Je kunt plotseling een groot aantal gelijkgestemden organiseren voor een goed doel, bijvoorbeeld om mensen te helpen na een overstroming, maar ook voor een slecht doel, om bijvoorbeeld een oorlog te gaan voeren. Hoewel sommige oorlogen ook een goed doel dienen. Daarin kan, net als met alle andere platformen, het op verschillende manieren gebruikt worden en verschillende effecten hebben.

Dus platformen: het begon allemaal redelijk onschuldig. Met een zoekmachine en een site waar je spulletjes kon kopen. Maar inmiddels zien we ze in zoveel gedaantes en in zoveel sectoren zoveel impact hebben, dat ik het niet overdreven vind om te stellen dat platformen toch een nieuwe institutionele vorm zijn die een hoop dingen net wat anders gaan organiseren dan dat we gewend waren.

Verschuiving van ruimte

Ik ben opgeleid als econoom. Je kan stellen dat de laatste 200 jaar automatisering de belangrijkste economische ontwikkeling en bron van efficiëntie is. Eerst gebeurde dat vooral met fossiele brandstoffen die we voor nul euro uit de grond haalden en voor ons konden laten werken. En hoefden we zelf minder arbeid te verrichten. Nu gaat dat vooral via computer denkkracht, rekenkracht van computers. We hebben verschillende golven van automatisering gehad; de lopende band, in de jaren tachtig was er een reeks van activiteiten die werd geautomatiseerd. Eigenlijk heeft dat nooit geleid tot dat we achter de geraniums, verveeld, ongelukkig en werkloos thuis zaten. Want voor een econoom zijn dat manieren om bestaande activiteiten goedkoper te doen, waardoor je tijd en geld overhoudt om nieuwe activiteiten te ontplooien. Dus wat je ziet is dat wat wij consumeren en waar de nieuwe banen in verschijnen, dat telkens verschuift. In de toekomst zullen steeds meer banen in de zorg komen, gaan we steeds hogere eisen stellen aan zorg, denk ik. Inclusief coaching, e.d. We gaan steeds meer besteden aan entertainment. Dat doen we al. Toerisme. Horeca is een groeisector. Dus je ziet dat er in die dienstensectoren het aantal banen zal blijven groeien. En dat zijn ook activiteiten die je niet makkelijk kunt automatiseren. Want de mens kan sommige dingen die computers niet goed kunnen. Dus wat we vooral aan het doen zijn, is dingen die computers ook goed kunnen en soms zelfs beter, zoals administratieve taken, rekentaken; taken die overigens voornamelijk aan de middengroepen van de samenleving waren bedeeld, die zijn we aan het automatiseren. Dus je ziet ook dat de middenklasse kleiner wordt en dat er nieuwe banen bij komen aan de onderkant, laaggeschoolde dienstverlening. Denk aan horeca, pakjesbezorging, dat soort dingen. En aan de bovenkant. Dat zijn de ingenieurs, doctoren en de hoogleraren, bij wijze van spreken. Dat zie je ook echt in de cijfers in allerlei landen. Dat de laatste 30 jaar het aantal laagbetaalden én het aantal hoogbetaalden is gestegen en de middengroepen zijn gedaald. Dat klopt ook precies met wat computers goed kunnen en welke beroepen daar vroeger mee bezig waren. Dus ook een deel van de rechtspraak, veel administratie vooral, kan worden geautomatiseerd. Ik ben er niet zo bang voor, maar het betekent wel dat we mensen nog meer dan vroeger moeten instellen op het continu updaten van hun vaardigheden. Maar het totaal aantal werk is eigenlijk een maatschappelijke keuze: hoeveel van onze welvaart willen we omzetten in vrije tijd en hoeveel van onze welvaart in consumptie van diensten of goederen? Dat bepaalt hoeveel mensen werken. In het ene land kom je dan uit op 30 uur per week, Zweden en Frankrijk gaan die kant op. Andere landen kiezen er voor om dat op 50 uur te houden. Dat is uiteindelijk een maatschappelijke en politieke beslissing.