Hoe Rik Seveke ruimte maakt door compassie centraal te stellen

Happyplaces Project (video)

Plekzoek

Ik heb heel lang niet geweten wat mijn plek in de wereld is. Gewoon geen idee werkelijk. Wat resulteerde in een hele onbewuste lukrake zoektocht naar wat dan die plek is. Wat mij heeft geleid langs een aantal studies, zonder dat er ooit iets in mij gebeurde, letterlijk. Iets een knop in mijn aanzette, iets waarvan ik dacht: ‘Hier, deze kant moet ik op. Dit is mijn plek.’ Of iets soortgelijks. Dat gebeurde pas eigenlijk toen ik mijn laatste studie ging doen, sociologie. Twee momenten: het ene was de studie zelf. Sociologie is in een notendop ‘hoe mensen met elkaar samenleven’. Dat fascineerde me enorm. In die zin ook, in het kader van dit project, hoe mensen letterlijk ruimte maken samen. En hoe dat werkt. Dat was het ene moment waarop er in mij iets gebeurde waarop ik dacht: ‘Ik zit op mijn plek, het is goed, hier moet ik mee doorgaan.’ Het tweede was een filmpje van Ken Robinson die iets over onderwijs vertelde waarbij er in mijn buik ook iets gebeurde waardoor ik dacht: ‘Hier moet ik mij verder in gaan verdiepen.’ Dat heeft geresulteerd in een combinatie van die twee dingen. Van zowel sociologie als onderwijs. En dat probeer ik te combineren: mijn sociologische achtergrond is voornamelijk geïnteresseerd in welke structuren er ontstaan als mensen samenleven. Hoe organiseren mensen dat?

Speelruimte

Ik ben zelf nogal, ik denk van huis uit ook, naïef ideologisch, naïef idealistisch ingesteld. Over dat de wereld maakbaar is. En dat het belangrijk is om de wereld beter te maken. En daar actief aan bij te dragen. Doordat ik ben aangezet door mijn sociologische studie en door mijn interesse in onderwijs, ben ik gaan kijken naar hoe ik kan bijdragen aan hoe mensen — ambitieus gezegd in Nederland, minder ambitieus gezegd in mijn omgeving; een aantal mensen op lokaal niveau in Amsterdam — de wereld beter kunnen maken? Heel letterlijk eigenlijk. Ik denk dat ik langzaamaan een richting heb gevonden en een aantal onderwerpen. Misschien één hoofdonderwerp. Dat mij helpt om anderen te laten nadenken over hoe we er voor kunnen zorgen dat de ruimte die we hebben, in Nederland, in Amsterdam of op een school, bijdraagt aan dat kinderen of jong volwassenen leren hoe ze zelf ruimte kunnen maken waarin iedereen zich uitgenodigd voelt om bij te dragen aan die betere wereld. Met zijn of haar eigen talent. Een ruimte te creeëren waarin iedereen zich veilig genoeg voelt om te spelen, te experimenteren, samen te werken, initiatief te tonen met als achterliggende gedachte dat we samen op deze plek zijn. Op deze plek in de breedste zin van het woord. Op deze plek, de planeet aarde. En in veel engere, nauwere zin, hier in Nederland, in Amsterdam. Dus dat is een beetje wat ik poog hier te doen in de hoedanigheid van programmamaker Onderwijs bij De Balie.

Samenkomende verschillen

Ik ben pas net begonnen dus het is voor mij — om het nog even te hebben over wat voor mij een plek of een ruimte is: ik heb heel lang dus nog niet geweten wat mijn plek is, wat ik wilde doen. Dat gevoel heb ik nu heel erg wel. Maar het is vooral een richting. In die zin is het, en dat is denk ik ook goed, een vloeibare plek. Of een vloeibare ruimte. Ik denk dat het per definitie goed is dat een ruimte vloeibaar is. daarmee bedoel ik, dat het te allen tijde in beweging is, dat het stroomt, dat het kan veranderen, dat het veranderlijk is. Omdat dat voor mij heel erg bijdraagt aan het genereren van ideeën. Ik denk dat de reden waarom ik me hier heel erg op mijn plek voel, is dat De Balie ook een plek is waar allerlei verschillende dingen gebeuren. Waar allemaal verschillende mensen, met allemaal verschillende achtergronden en ideeën samenkomen. Die mij heel erg helpen met datgene wat ik zelf wil doen. Namelijk, maatschappij, onderwijs specifiek en hoe ik die twee kan combineren tot een bijdrage van mijzelf tot een betere wereld.

Ik heb het heel erg nodig om in constante verbinding te staan met allerlei verschillende ideeën en verschillende mensen omdat het mij heel erg helpt om zelf in beweging te blijven, letterlijk. Zeker in de tijd waarin we nu leven en de tijd die er aan komt is verandering een hele grote constante. Voor mijzelf is het belangrijk dat ik zelf ook in beweging blijf. Dan heb ik het met name over het mentale aspect daarvan. Het betekent dat ik soms weken heb waarin ik alleen maar afspraken heb met verschillende mensen. Wat mij inspireert en op nieuwe ideeën brengt. En tegelijkertijd voor mezelf ook maakt dat ik kan voelen wat prioriteit heeft en wat niet. Wat er bijdraagt aan wat ik wil doen en wat niet. Dat helpt mij in het focussen op wat ik hier wil neerzetten. De plek die ik wil maken. Dat is een plek waar mensen op een specifieke tijd worden uitgenodigd om samen te zijn. Ik prik een avond, dan hebben we een onderwijsavond, daar gaan we het over hebben. Waarbij mensen wanneer ze op die specifieke plek aanwezig zijn datgene waarvan ik denk dat het belangrijk is, waardevol is, zinvol is voor die betere wereld…

Ruimte indelen

Misschien kan ik het beter zo zeggen. Het gaat een beetje van de hak op de tak. Laat ik iets concreter worden. Nadat ik heel lang niet wist wat ik wilde doen heb ik nu deze plek gevonden en in mijn werk hier merk ik dat er steeds meer een focus komt gericht op datgene wat ik wil, namelijk de wereld beter maken. En als socioloog zie ik de maatschappij als een veld of een ruimte, waarin mensen zowel bewust als onbewust afspraken met elkaar maken om dat veld of die ruimte te structureren. Of te organiseren. En waarin mensen gestimuleerd of belemmerd worden om te werken, samen te leven. Dingen samen te doen, of alleen te doen. En ik denk nu dat de maatschappij heel erg snel aan het veranderen is dat het zaak is om heel goed na te denken over hoe wij toekomstige generaties, kinderen, leren hoe zij die ruimte kunnen gaan indelen. Daar zijn een aantal dingen voor van belang. Maar het allerbelangrijkste, het hoofd punt voor mij is: hoe kunnen we zorgen dat we kinderen leren dat het van belang is dat iedereen bijdraagt aan de maatschappij. Dat iedereen een bepaalde mate van zelfvertrouwen heeft, een bepaalde mate van uitnodiging voelt om bij te dragen aan die maatschappij. En sociaal interactief te zijn. Zo zijn we nou eenmaal biologisch ‘gehardwired’, om sociaal interactief te zijn. En de manier waarop de maatschappij nu is ingedeeld nodigt niet iedereen uit om bij te dragen. Daar moeten we eigenlijk iets nieuws voor verzinnen.

Creativiteit

Wat daar bij komt kijken zijn de compassieve vermogens van de mens. Ken Robinson heeft het in zijn fameuze TED-talk over creativiteit. Daarin zegt hij dat er een aantal misvattingen bestaan over creativiteit. Namelijk dat het maar sommige mensen toebehoort en andere mensen niet. Dat het soms letterlijk in bedrijven zo wordt georganiseerd dat je de creatieven hebt en de niet-creatieven. Hij zegt dat dat onzin is, dat het een menselijk vermogen is om een bestaand probleem op een nieuwe manier op te lossen. Dat kan iedereen, met wat voor handeling of activiteit doen. Je kan een boekhouder zijn en heel creatief zijn. Je kan een kunstenaar zijn, een politicus, wetenschapper, ouder; het is dat menselijk vermogen om tot innovatieve oplossingen te komen. Kortom, iedereen heeft dat. En het is van belang om dat bij iedereen te stimuleren. Dat is één ding wat hij zegt over creativiteit. Het tweede is, in een maatschappij die steeds meer gedecentraliseerd wordt georganiseerd en veel veranderlijker is dan 100, 150 jaar gelden. Laat staan nog langer geleden. En in constante verandering staat, is het van belang om die creatieve vermogens te ontwikkelen en te doceren. En ten derde: er zijn een aantal hele grote maatschappelijke problemen die moeten worden opgelost. Als we die niet oplossen, dan zitten we misschien wel een beetje aan het einde van manier waarop we leven. Nieuwe oplossingen voor de manier waarop we produceren, consumeren, de arbeidsmarkt, zorg, de economie. Dat moet allemaal opnieuw worden ingericht. Ik heb het eens met die analyse. Ik denk dat het klopt, maar ik denk dat er voor zijn claim nog iets anders komt.

Compassie

Voordat je het überhaupt kunt hebben over creativiteit of wat goed onderwijs vermag. Of wat je op school kinderen moet leren. Daarvoor komt nog de discussie dat je over een enorme schare aan diversiteit aan kinderen beschikt. Nou, dat is een beetje raar gezegd, maar er zijn zoveel kinderen met zoveel diverse talenten, met zulke diverse achtergronden, dat we eerst moeten kijken hoe we ruimte moeten creëren waarin al die kindjes zich uitgenodigd voelen en veilig genoeg voelen om bij te dragen. Om z’n veilige ruimte te maken, moet je het eerst hebben over compassie. En ik denk dat de drie argumenten geeft voor creativiteit, ook exact van toepassing zijn op compassie. Namelijk dat het menselijk vermogen is. Namelijk, er wordt momenteel keiharde beta-wetenschappelijk neurologisch onderzoek gedaan naar hoe compassie in je hersens werkt. Welke hersendelen er actief worden op het moment dat je ‘compassie bedrijft’, om het maar even zo te zeggen. Het is een menselijk vermogen dat iedereen heeft. Het is te doceren en te ontwikkelen. In eerste instantie hopelijk in het gezin waarin je opgroeit, maar het is nou eenmaal de realiteit dat dat niet voor elk kind in elk gezin geldt. Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen. Omdat op het moment dat je kinderen in staat stelt om in een groep met allerlei verschillende kinderen met allerlei verschillende behoeften, verschillende talenten en verschillende temperamenten, als je die kunt leren zelf ruimte te creëren waarin iedereen zich uitgenodigd voelt om bij te dragen, je een veel vruchtbaardere bodem hebt waarin je die creatieve capaciteiten of welke vaardigheden dan ook kunt gaan ontwikkelen. Kunt gaan planten, aanleren, doceren. Er is ook steeds meer neuropsychologisch bewijs voor dat zelfvertrouwen en sociale interactie fundamenteel is voor het ontwikkelen van je cognitieve vaardigheden en alle andere vaardigheden die een kind moet leren. Dat zelfvertrouwen, die sociale verbinding met anderen, komt tot stand in die ruimte waarin mensen met compassie met elkaar omgaan. Waarin het veilig is voor iedereen, wat voor kind je ook bent, te spelen, te experimenteren, fouten te maken.

Betwijfelen

Compassie moet ook vloeibaar zijn. Het moet te allen tijde aan reflectie onderhevig zijn. Stel, je zou compassie op een school centraal zetten, dan moet je het met de kinderen gaan hebben over wat het is. Waarom het belangrijk is, waarom het waardevol is. En structureel moet je er aan gaan twijfelen. Datgene wat wij als compassie definiëren, voldoet dat nog wel aan dat wat het is. Of wat wij vinden dat het is. Of hoe het voelt. Compassie heeft pas echt waarde, pas effect op het zelfvertrouwen van kinderen, als je het dagelijks in de praktijk brengt. Anders heeft het helemaal geen effect. Anders wordt het inderdaad een theoretische platte discussie. Zonder dat het daadwerkelijk effect heeft op de vermogens van kinderen om die ruimtes te creëren waarin iedereen zich veilig voelt. Het moet dagelijks in de praktijk worden gebracht. Dat is de enige manier waarop het werkt. De kerk heeft natuurlijk ook eeuwen lang gepropageerd: ‘Heb uw naasten lief.’ Compassie is daar een van de hoofdonderwerpen. Er valt over te discussiëren of de kerk als instituut alleen maar goede dingen heeft gedaan. Maar ik denk dat als je het lokaal definieert, als je het altijd aan twijfel onderhevig laat zijn, dus het kan morgen iets anders zijn, maar de inzet ervan is: iedereen hoort erbij, iedereen wordt uitgenodigd om bij te dragen aan de maatschappij op een positieve manier, omdat iedereen waardevol is in dit leven. Als dat de inzet is, als je het op die manier benadert, kun je met kinderen samen definiëren wat compassie is. En het samen vormgeven in een ruimte waarbij het ook daadwerkelijk zinvol, waardevol en reëel wordt. Als je in elke klas op elke school in het hele land dat gesprek aangaat, met docenten, met ouders maar zeker ook met leerlingen zelf, dan kun je volgens mij op een heel kleine schaal iets teweeg brengen waarbij nieuwe generaties zowel individueel als collectief een kompas krijgen voor hoe ze de maatschappij willen gaan inrichten. Hoe ze er voor kunnen zorgen dat we daadwerkelijk de maatschappij kunnen veranderen op een duurzamere, socialere en prettiger manier.

Elkedagelijkse praktijk

Omdat op het moment dat je ze leert dat het alleen maar effect heeft dat wanneer je het elke dag in de praktijk brengt, en het altijd betwijfeld mag worden, dan internaliseren ze het ook echt en verwordt het tot iets dat ook na hun schooltijd nog in hun zit. Dan, op het moment dat ze van de middelbare school af gaan en hun studententijd of hun werktijd in gaan, blijft het iets dat van belang is. Dat heel concreet is en dat iedereen herkent als zijnd belangrijk voor hoe je zelf wilt ontwikkelen en welke kan je op wilt. en dat het herkenbaar is dat je gewoon niet eens empathie hoeft aan te zetten. Maar dat het als vanzelfsprekend is, dat wat voor jou geldt, namelijk dat je je op een bepaalde manier uitgenodigd moet voelen en veilig moet voelen om dingen te doen die jij wilt doen, dat dat voor iedereen geldt. En dat je daar alleen maar samen ruimte voor kan creëren. In die zin denk ik dat we juist in een tijd leven waar het alleen maar urgenter wordt. Waar het alleen maar belangrijker wordt. Waarin het alleen maar belangrijker wordt dat die twijfel en reflectie op wat compassie is nooit dogmatisch mag worden — het mag nooit statisch worden. Want dan krijg je de perverse effecten die ook het instituut de kerk of geinstitutionaliseerde religie teweeg heeft gebracht. Dat moet je voorkomen. Dat is de kern van wat ik wil bijdragen door mijn werk hier bij De Balie. Dat is dit onderwerp te agenderen en het belang ervan te verspreiden en mensen uit te nodigen er zelf over na te denken. En zo bij te dragen aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid: dat iedereen zich individueel er mag zijn en zich mag gaan ontwikkelen tot het mens wat hij of zij wil zijn.

Urgentie

In een tijd waarin alle media en alle sociale media alle technologische hulpmiddelen tot en met fotografie, opnames, die dunne laag van gefabriceerde interactie waarin dat steeds een centralere plek krijgt en dat steeds meer de fabric of society wordt, wordt dit onderwerp ook steeds urgenter en noodzakelijker. Want als we hier niet iets mee doen, als we niet in staat zijn om toekomstige generaties mee te geven dat dìt het is, dat het hier om gaat, dat het om de fysieke interactie gaat, dat er dan fundamenteel iets wezenlijks anders gebeurt dan wanneer je op een digitale manier met elkaar communiceert. Als we dat niet meegeven, dan vrees ik dat we een generatie creëren die een bepaalde mate van onverschilligheid heeft. Of van een te klein bewustzijn van het belang hiervan. Wat kan leiden tot allerlei vervelende dingen. Wat kan leiden tot… Er zijn natuurlijk een aantal voorbeelden in de afgelopen jaren en alle honderdduizenden jaren daarvoor geweest, maar om een concreet voorbeeld te geven: een bankier die en verrotte lening verkoopt. Als je denkt daar twee tellen over nadenkt met een hoogontwikkeld compassief vermogen, dan vind je dat dat niet kan. Dan kies je er eerder voor om een andere baan te zoeken dan om daadwerkelijk die verrotte lening te verkopen. Dat geldt ook voor de zeevaarder die de zee leeg vist.

Als we dit niet centraal gaan zetten, als we hier niet iets mee gaan doen, als we het in het onderwijs blijven hebben over 21st century skills, de cito-toets discussie of wat dan ook, dan vrees ik voor onze toekomst. Een beetje een doemverhaal. Maar in ieder geval door de toekomst van onze kinderen. Omdat het echt een urgente discussie is. En ik denk ook dat het haalbaar is, dat het kan. En dat iedereen in zekere mate wel herkent wat ik zeg. Op papier is iedereen het er mee eens. Alleen gaat het er dus om dat je er concreet iets mee doet, dag in dag uit. Concreet in de praktijk brengt. Anders heeft het dus helemaal geen zin.

Doen

Wat voor mij een universeel gegeven is — dat is een rare zin— maar wat voor mij een universeel gegeven is, is dat als je het contextualiseert naar een klas of een school of een leraar, wanneer je het gaat hebben over wat compassie is, wat het vermag en welke elementen daar misschien een rol in spelen, dan is het universeel dat iedereen herkent dat er een bepaalde mate van zelfvertrouwen of veiligheid nodig is om jezelf te laten zien. Om jezelf kwetsbaar op te stellen. Want als je dat doet kun je gekwetst worden en dat is niet fijn. En dus moet je je veilig genoeg voelen om dat daadwerkelijk te doen, om fouten te mogen maken. Dat is een heel universeel menselijk gegeven. En die discussie kun je aangaan met kinderen. Dat kun je duiden. Hoe je dat individueel beleeft en hoe je daar collectief vorm aan geeft zodat elk individu zich er in voelt passen, die discussie over wat compassie is kun je denk ik heel gemakkelijk aangaan met kinderen. Die kun je dagelijks aangaan met kinderen. En als je vraagt: ‘Hoe dan?’ Dat is volgens mij gewoon een kwestie van doen. Je hebt een schoolleider die in dit verhaal gelooft. Die gaat dit gesprek met zijn docenten aan. Als die schoolleider en die docenten dit daadwerkelijk van fundamenteel belang achten, dat ze dan misschien een manifest opstellen van hun school wat voor hun school compassie vermag. Daarna is het gewoon een kwestie van dit gesprek aangaan met de kinderen. Dat kan via allerlei methodes. Via de World Café methode, scrummen of wat dan ook. Maar daar komt uiteindelijk iets uit wat voor die school, voor die klas compassie is en van waaruit je dan dus ook misschien bepaalde afspraken kunt maken over hoe je met elkaar omgaat en hoe je een gezamenlijke welkome ruimte creëert. Dat kan elke dag, elke week of elke maand, elk jaar betwijfeld worden en dan weer worden geherdefinieerd. Maar het universele aspect ervan, dat iedereen zich kwetsbaar durft op te stellen, dat blijft. Ik denk niet dat het heel lastig is, het is alleen een overtuiging van het belang ervan.

Statusverandering

Hier komt Robinson weer om de hoek zeilen. Hij zegt over creativiteit dat we het met dezelfde status gaan behandelen als taal- en rekenvaardigheden. Of de status die we taal- en rekenvaardigheden nu geven moeten we creativiteit ook geven. Ik denk dat dat heel erg geldt voor compassie. Voor mij komt het voor alle discussies over taal, rekenvaardigheden, creativiteit of welke vaardigheden dan ook. Want die ontwikkel je pas als je je veilig voelt en kwetsbaar durft op te stellen. Daar geldt hetzelfde voor: het is van zo’n groot belang dat je deze discussie aangaat en dat je er op school mee start, omdat je daar iedereen doorheen gaat — iedereen gaat door het schoolsysteem. De hele institutionele configuratie van Nederland, de manier waarop we instituties inrichten, de manier waarop mensen met elkaar samenleven in de meest letterlijke zin van het woord, kun je samen met kinderen vorm gaan geven. Daarmee ook de manier waarop mensen na hun schooltijd met elkaar samenwerken, of privé met elkaar omgaan. Dat kun je gaan herinrichten op een heel idealistische mooie manier. Uiteindelijk krijg je dan een maatschappij, als er een aantal decennia overheen gaan en dat gesprek lukt, of om dit onderwerp centraal te stellen lokaal op elke school, die veel meer geënt is op het idee dat elk individu er mag zijn en zich uitgenodigd voelt om daadwerkelijk bij te dragen aan de maatschappij op een duurzame, sociale, veilige manier. Dat betekent natuurlijk niet dat er nooit meer conflict zal zijn. Of negatieve emoties. Uiteraard niet. Conflict kan ook heel functioneel zijn. Maar, binnen bepaalde kaders, binnen bepaalde perken mag conflict bestaan. Zolang het functioneel is en niet destructief wordt. Daarvoor is dit onderwerp, compassie, mijn pleidooi van fundamenteel en universeel belang om een vloeibare idealistische ruimte in Nederland te maken.