Hoe Ritzo ten Cate ruimte maakt door het gewone ongewoon te doen

Happyplaces stories (video)

Niks voor alles

Mensen zien mij altijd als iemand die dingen doet. Maar eigenlijk doe ik ook heel vaak niet iets. Dan ga ik naar plekjes zoals hier. Dan ben ik gewoon. En dan wacht ik. Of ik kijk gewoon rond. Luister naar wat ik hoor. En dan kan ik soms wel echt uren niks doen. Me vervelen of zo, of ook weer niet. Dan ben ik een tijdje in de natuur. Ergens in Drenthe vaak. Dan landen dingen. Dan gaan er wat dingen bewegen. En dan ga ik dingen doen. En als ik dan weer in een stad kom, in Groningen, in Amsterdam of in Londen, dan ben je wat gevoeliger voor wat daar is. En dan zie je ineens kleine dingen heel groot worden. Dan gaat mijn fascinatie aan. Dan wind ik me ergens over op, dan wel omdat ik iets heel moois zie, dan dat ik me ergens kwaad over maak. Dan begin ik te spelen. En op een gegeven moment dan heb ik iets. Dan kan ik het delen. En dan zijn er mensen die zeggen: ‘Goh, je hebt wel weer wat te pakken, hè?’ ‘Oh ja, klopt ja.’ En dan heb ik weer wat te pakken. Dan zet ik mijn tanden er in, dieper en nog dieper en over het algemeen op enig moment is het weer iets. En dat zijn vooral momenten dat mensen me zien. En voor de rest ben ik vaak ergens in de natuur. Of in een hangmat, lekker nadenken, lekker niksen. Zo een beetje.

Vastbijten

Anderhalf jaar terug, in de zomer toen liep ik in Groningen langs een winkel waar ze camera’s verkopen. Ik keek naar links en daar lag een mooie tweedehands camera. Nikon D300s, €400,00. Ik dacht: ‘Mooi!’ Ik had helemaal niet bedacht dat ik dat ding ging kopen maar ik had wel €400,00 over dus heb ik dat ding gekocht. En dan heb je zo’n ding om mee te spelen. Dan ga je de straat op en denk je: ‘Wat zou ik nou eens gaan fotograferen?’ Dan zie je allemaal mensen die met Pokémon Go bezig zijn. Wat gek, wat vreemd. Dan ga je proberen foto’s te maken en dan wind je je op over mensen die dat aan het doen zijn in het bijzijn van hun kinderen. Je ziet mensen bij elkaar zitten en ook weer niet. Aan de ene kant natuurlijk leuk dat mensen naar buiten gaan, maar aan de andere kant ook totaal disconnected van elkaar. Dat wond me op. Ik herken ook in mezelf wel zoiets. Ik heb ook zelf al heel lang een smartphone. Dat je gewoon in je eentje ergens zit en je helemaal afgesloten bent van de rest van de wereld. Dat fascineert me dan. Dan bijt je je daarin vast. En op een gegeven moment stoppen mensen dan met Pokémon Go spelen, en dan blijken ze wel met die telefoons te blijven kloten. En ik had mijn camera nog steeds, ik bleef op straat lopen en zag mensen met hun telefoons.

Op een gegeven moment komt er een meisje op je af die bijna tegen je aan loopt. En vlak voordat ze tegen je aanloopt kijkt ze op en maak jij toevallig een foto. Ik weet nog heel goed, dat gevoel wat er door me heen ging. Die hele lege blik in haar ogen. Ik dacht: ‘Wow, dit is wel iets.’ Het raakte mij, een soort van kippenvelachtig moment. Dan duik je daarin, dan ga je proberen om die foto te herhalen. Dat is me redelijk gelukt. Niet van tevoren bedacht, maar je voelt dan dat er iets bijzonders in zit. Op een gegeven moment liet ik wat foto’s aan wat vrienden zien, die zeiden dat ik wel wat te pakken had. En op een gegeven moment wel iemand die zegt: ‘Ja, je pakt mensen op een heel bijzonder moment. Een soort van tussen twee werelden in.’ En dan probeer je dat moment nog beter te pakken en op een gegeven moment dan snap je hoe je dat soort foto’s maakt. Dan ga je lezen, je gaat er met mensen over praten en je krijgt er een beetje verstand van wat er met je gebeurt als je met zo’n mobiele telefoon zit te spelen. En op den duur dan weet je alles. En daardoor kun je weer betere foto’s gaan maken en daardoor kun je betere gesprekken hebben en dan ben je anderhalf jaar verder.

Dan laat je je foto’s ergens zien. Dan mag je ergens een lezing geven. En dan beginnen er allemaal nieuwe balletjes te rollen. Geen idee waar het allemaal naartoe gaat, maar misschien dat ik over een maand wel in de VS zit. Eergisteren had ik een mailtje van een fotograaf uit Nigeria die graag met me samenwerkt. Dus, wie weet. Dat ik naar Nigeria ga misschien. Trekt mijn nieuwgierigheid me daar wel naartoe.

Je moet het echt zelf doen

Aan de ene kant lijkt het natuurlijk dat het allemaal vanzelf gaat. En dat ik een beetje van het ene moment in het andere dwarrel. Maar ik ben natuurlijk wel ongelooflijk hard aan het werk. Ik heb echt uren op straat gelopen om die ene blik maar te pakken. En opnieuw. En opnieuw. En opnieuw. Zoveel mensen lopen tegen je aan, lopen net langs je heen. Het is uren lang blauwbekken en ook af en toe wel wat negatieve energie op je af krijgen. Zoals nu: ik wil ongelooflijk graag de wereld over. Foto’s maken. Wat ons nu overkomt, op de een of andere manier vastleggen. Ik probeer nu ook via allerlei kanten daar financiering voor te krijgen. dat komt echt niet zomaar even aanwaaien. je moet schrijven, schrijven, schrijven, met mensen praten, in de auto stappen, Skypen. Ik was laatst bij een workshop waar je kon leren hoe je dat soort geld binnenharkt. En die man zei: ‘Ik stuur misschien wel 25 teksten overal naartoe, ééntje valt.’ En zo voelt het voor mij ook wel. Ik ben ongelooflijk hard aan het werk om dit voor elkaar te krijgen, dan hoop ik dat ik op den duur weer raak schiet. Maar zo gaat het eigenlijk meestal wel. dat harde werk dat zie je natuurlijk niet in de krant, op tv of waar dan ook. Maar dat hoort er ook bij. Als je echt denkt dat het moet gebeuren, je voelt dat er iets in zit, dan is het blijven werken, blijven werken, blijven werken en ook heel lang geen waardering krijgen. Maar op den duur dan zal het wel weer raak zijn. Je moet het echt zelf doen. Dat is toch wat ik eigenlijk elke keer weer zie. Er is niemand die het je even geeft. Zo is het.

Beginnen met een kop koffie

Het begint bijna altijd bij mijn eigen opwinding. Daardoor ontstaat een soort van Ritzo die gaat stuiteren, of zich kwaad maakt. Dat ik mensen ga aantikken. En dan haken mensen aan. En dan blijft Ritzo over het algemeen op kop lopen of zo. En dan lopen er een aantal mensen mee. En dan gaan er een aantal andere mensen op kop lopen en dan ga je het echt samen doen. Maar, het is wel heel vaak dat ik er vooral heel erg in het begin, heel veel energie in stop. Dat kost ongelooflijk veel meters. En hard werken. Dat was met de daklozen in Groningen ook. Ik kwam heel vaak in Groningen langs mensen die om geld vroegen en hele vaak gaf ik wel wat geld. Maar het voelde niet goed. Op enig moment kwam ik langs Jonny gelopen, een straatkrantverkoper. En hij vroeg mij of ik een krantje wilde kopen. Op zich wilde ik dat wel maar ik dacht ook: ‘Moet dat nou?’ Toen vroeg ik hem: ‘Hoe kan ik jou helpen?’ En toen zei hij: ‘Ik heb eigenlijk helemaal geen hulp nodig. In de Oosterstraat daar zit een mevrouw en die vraagt mij regelmatig naar binnen voor gewoon een kop koffie. En dank drink ik een bakkie en dan is zij blij. Ik blij. Althans, gewoon even menselijk contact. En dan ga ik naar mijn plekje waar ik krantjes ga verkopen en zij gaat aan het werk. Dan hebben we allebei een goede dag.’ En toen zijn wij ook maar samen koffie gaan drinken, want ja, als hij dat leuk vindt. En wat bleek, ik vond het ook heel tof. Dat je gewoon een gesprek hebt met iemand die ook in Groningen woont. En eigenlijk zo ver van je af staat, 18 jaar dakloos is geweest. En dat je elkaar kunt inspireren.

Daar begint het dan mee. En ik voelde dat daar iets in me aan ging. Dat ik dacht van: ‘Wow!’ Bij allerlei dingen die voor mijzelf vanzelfsprekend waren, kwamen er nu vraagtekens bij te staan, al in dat eerste gesprek. Hoe je met vrienden omgaat. Hoe je met familie omgaat. Hoe je überhaupt met mensen omgaat. Hoe je met geld omgaat. Wat er belangrijk is. Allerlei van dat soort dingen. We gingen nog een keer koffie drinken, we gingen samen eten. En ik voelde dat ik iets wilde gaan doen met de relatie met dakloze mensen en niet-dakloze mensen. Wat, dat wist ik niet precies. Koffie drinken? Ik heb toen op den duur een soort van handleiding geschreven: ‘Hoe drink je gewoon een kop koffie met een dakloze?’ Die werd heel veel gelezen, gedeeld, geliked. Alleen niemand ging het doen.

Toen dacht ik: ‘Ik vind toch dat dat moet gaan gebeuren, dat contact, dat dat tot stand gaat komen.’ Ook allerlei andere dingen geprobeerd. Op een gegeven moment vroeg een festivalorganisator in Groningen mij: ‘Jij doet toch iets met daklozen?’ Ik zei: ‘Dat weet ik niet, ik heb een handleiding geschreven en ik drink koffie met ze.’ Hij zegt: ‘Zou je niet iets voor ons festival willen doen met daklozen?’ Toen zei ik: ‘Okee.’ Toen vond ik dat ze in Amsterdam iets met daklozenwandelingen deden en dacht ik: ‘Cool. laten we dat maar gewoon gaan doen, lekker concreet.’ Toen zag ik dat het in Amsterdam een redelijk kort rondje was. Wel bijzondere plekken, maar wel de obvious plekken. Toen dacht ik: ‘Misschien dat we dat in Groningen net iets dieper kunnen laten gaan.’ Toen heb ik Leendert gevraagd of hij zijn levensverhaal wilde vertellen aan de hand van de stad. Hij was eigenlijk meteen wel enthousiast. Gingen we uit elkaar, toen zei hij: ‘Over een week, dan heb ik het wel rond. Dan kunnen we elkaar wel weer treffen.’ Dus een week later troffen we elkaar opnieuw. Hij had zelf een kaart van Groningen gekocht. En hij had alle plekken die voor hem belangrijk waren geweest in zijn leven als een stipje op de kaart gezet. Hij had een levenswandeling uitgezet. Ik keek er naar en zei: ‘Yo, dat wordt een flinke wandeling, wel tien kilometer of zo.’ Ik hou wel van wandelen, dus we zijn samen die wandeling gaan maken en hebben elkaar beter leren kennen. Hij begin ook wel wat meer vertrouwen in mij te krijgen. Hij vertelde zijn hele levensverhaal aan mij. Dat voelde heel bijzonder. En toen dacht ik: ‘Dit is inderdaad wel een goed verhaal. Om dit ook met andere mensen te delen. Dit gaat wel wat doen met de stad.’ En toen eerst met een paar vrienden die wandeling ook gemaakt als een soort van proefje. En ook daar voelde hij zich op den duur veilig. Toen nog eens een keer. En toen op dat festival met een man of tien. En toen nog een keer. En toen nog een keer. Toen ging het aan. Ik denk dat ik voordat het naar buiten ging, ik die wandeling wel drie, vier keer met hem had gemaakt. Het heeft heel veel tijd gekost dat we elkaar vertrouwden dat we dat samen konden gaan doen.

Liefde

Toen kwamen er wat mensen die gingen meehelpen. Toen waren we niet meer met z’n tweeën. Maar toen waren we ineens met vijf man om dit te organiseren. Toen stopte Leendert op den duur met wandelen. Kwam er een nieuwe gids, haakten meer mensen aan. Kwam er nog een nieuwe gids, haakten nog meer mensen aan. Op den duur heb je iets van 50 vrijwilligers, wij noemden hen ‘meewerkers’, want vrijwilligers vonden wij een beetje een suffe naam. Het ging om mensen die meewerkten. Toen was het opeens weer zo’n beweging. En toen werd het echt groot. En toen was het niet meer te stoppen. Ik denk dat ik wel geraakt werd door de eenzaamheid van die jongens. je ziet ze op straat, niemand kijkt ze aan, iedereen kijkt weg. Ik liep daar heel vaak langs en dan zag ik ze en voelde ik dat het bij mezelf resoneerde. Dat je denkt: ‘Ja, die jongen is echt alleen, die heeft gewoon echt helemaal niemand. Hoe moet het wel niet zijn om zo alleen te zijn? Geen vrienden, geen familie.’ Je gunt iedereen mensen om zich heen. Je gunt iedereen liefde.

Het gewone ongewoon doen

Waarom doe ik dat? Ik denk dat het in mezelf resoneert. Ik ben enig kind. Je voelt jezelf op die manier soms ook wel eenzaam. Ondanks dat ik heel veel vrienden heb en al die andere lieve mensen om me heen. Maar ik denk dat je er op de een of andere manier toch enige herkenning in hebt. En op enige moment, dat was denk ik na driekwart jaar dat ik dit deed, toen mocht ik een column uitspreken in Groningen op een avond. En aan het eind van die lezing schreef ik mezelf een alinea dakloos. Wat nou als Iris, mijn toenmalige vriendin, me verlaat? Wat nou als mijn moeder overlijdt? Wat nou als ik ruzie krijg met mijn vader? Wat nou als ik geen werk meer heb? Wat nou als het allemaal zoveel teveel voor me wordt dat ik het niet meer kan rondbreien? Ja, wat nou als dat allemaal gebeurt? Dat is eigenlijk wat er bij die jongens ook allemaal gebeurt. Of gebeurd is. En toen merkte ik pas, ja, dat resoneert bij mezelf. Je voelt dan een beetje wat die jongens voelen. En gelukkig is het bij mij niet gebeurd en ik hoop dat het nooit gaat gebeuren, maar… Ik heb eigenlijk bij de dingen die ik doe heel erg dat het door mezelf heen gaat. Ik herken dingen, ik voel dingen en dan moet er iets gebeuren. Net zoals ik mezelf liefde en mensen om me heen gun, gun ik dat iedereen. En ook mensen die hele vreselijke dingen hebben meegemaakt. Alle dakloze mensen die ik heb leren kennen hebben echt de meest vreselijke dingen meegemaakt. Vaak al op heel jonge leeftijd, in de eerste paar weken van hun leven. Zo vreselijk dat je zeker weet dat het nooit meer echt goed komt. Ze houden altijd heel diepe krassen over van wat er is gebeurd. Het zou zo fijn zijn als die mensen ook een beetje een normaal leven kunnen hebben met mensen om ze heen. Dat ze ook gewoon op straat kunnen zijn en dat niet iedereen wegkijkt. Dat er gewoon normaal contact kan zijn. Zoiets voel je dan. En dan moet er iets gebeuren. En voor je het weet is er weer anderhalf jaar voorbij en zijn er toen ik stopte iets van 1.000, 1.500 mensen mee geweest op zo’n stadswandeling van vier, vijf uur. En ondertussen zijn we gestopt maar zijn er nog steeds drie gidsen die nog wandelen. En denk ik dat er ondertussen 2.500 mensen zijn mee geweest op zo’n soort van wandeling. En zijn er echt dingen veranderd in de stad. Dat is mooi. En als je ook van de jongens op strata zelf hoort dat ze de ervaring hebben dat mensen niet meer alleen wegkijken, maar ook aandacht voor ze hebben, dat is fijn om te voelen. Dat je toch een beetje hebt bijgedragen aan een nog iets socialere stad. Dat raakt me dan wel. En dat moedigt me ook aan om het volgende vage ding te gaan doen. Of zo.

Like what you read? Give Marcel Kampman a round of applause.

From a quick cheer to a standing ovation, clap to show how much you enjoyed this story.