De icoonsoorten van Zuid-Holland

In Zuid-Holland zijn 40 icoonsoorten uitgekozen. De leefgebieden van deze icoonsoorten samen, geeft een mooi compleet beeld van de Zuid-Hollandse natuur. Als de leefgebieden van deze 40 soorten behouden en verbeterd worden, profiteert de Zuid-Hollandse natuur en ons landschap in de volle breedte mee. Ze zijn een verzameling van zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen, vissen, insecten en planten. Hieronder staan alle icoonsoorten kort beschreven.

De Egel (Erinaceus europaeus). Foto door Kees Mostert.

De egel mag in geen enkele tuin ontbreken. Het is bij uitstek een soort die zich prima thuis voelt in stad en dorp. Toch zien we deze gestekelde nachtactieve insecteneter steeds minder vaak. Wegen, watergangen en schuttingen vormen barrières, in versteende tuinen is geen voedsel meer te vinden en in strak ingerichte parken ontbreekt het aan voldoende dekking. De soort staat dan ook symbool voor groene verbindingen in stad en achterland. Het verbinden van gemeentelijk en provinciaal groen helpt de egel, evenals kleinschalige initiatieven als Tiny forests en het planten van struiken in openbaar groen, bermen en tuinen. Egelopvang Den Haag heeft praktische adviezen op een rij gezet hoe een egelvriendelijke voortuin er uit ziet.

De Zoogdierverening heeft 2019 uitgeroepen tot jaar van de egel!

De rosse vleermuis (Nyctalus noctula). Foto door Kees Mostert.

De rosse vleermuis is de grootste van de ruim twaalf soorten vleermuizen die in de provincie Zuid-Holland voorkomen. Het is een typische bewoner van bomen, waar hij jaarrond verblijft in holten van voornamelijk dikwandige soorten als zomereik en beuk. De landgoederen in de binnenduinrand — waar veel oude bomen staan — vormen dan ook bij uitstek geschikt leefgebied voor deze soort. Ook oudere bossen en landgoederen in het binnenland, waaronder het Kralingse Bos, bieden verblijfplaatsen aan de soort. De rosse vleermuis is een goede vlieger en hij jaagt op insecten tot op tientallen kilometers van de verblijfplaatsen, hoog boven moerassen, plassen en weilanden. In de oudere bossen waar de rosse vleermuis zich thuisvoelt kunnen ook andere boombewonende vleermuizen worden aangetroffen, waaronder gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en gewone baardvleermuis.

De Meervleermuis (Myotis dasycneme). Foto door Kees Mostert.

De meervleermuis is een geheimzinnige bewoner van grote plassen, meren, vaarten en kanalen in een donkere open omgeving. Zuid-Holland is samen met Noord-Holland, het westen van Utrecht, Noordwest Overijssel en Friesland een belangrijk leefgebied voor deze soort in ons land. In de ons omringende landen is de soort zeldzaam.

De meervleermuis gebruikt waterverbindingen als trekroute tussen de plassen in het noordoosten van onze provincie en de duingebieden. Ze zijn heel gevoelig voor verlichting. In de zomer huizen ze in gebouwen en ze overwinteren in bunkers in het duingebied. De bunkers in de winter zijn ook van belang voor andere vleermuissoorten als watervleermuis, baardvleermuis, franjestaart en grootoorvleermuis, terwijl in het zomer het netwerk aan lichtvrije wateren ook van belang is voor de dwergvleermuizen, laatvlieger en rosse vleermuis.

De Noordse Woelmuis (Microtus oeconomus). Foto door Kees Mostert.

De Noordse woelmuis is een bijzondere soort: hij komt alleen in Nederland voor. Zijn voorkomen is een relict van de populatie die na de laatste ijstijd verspreid door Europa voorkwam en door opwarming werd teruggedrongen. Omdat hij slecht bestand is tegen concurrentie van andere (woel)muizen, trekt hij zich terug in natte gebieden: rietland, moeras en vochtige hooilanden en duinvalleien. In de provincie komt hij vooral voor in dynamische rietmoerassen in het noordelijke deltagebied en de moerassen in het veenweidegebied. Het is een uitstekende zwemmer en daarmee bestand tegen overstroming van zijn leefgebied. Hij kan echter slechts kleine afstanden afleggen en is daarbij afhankelijk van moerasverbindingen, waar hij andere woelmuissoorten de baas blijft. Veel verbindingen in het in het deltagebied zijn op deze soort afgestemd. Andere soorten die daarvan profiteren zijn bijvoorbeeld waterspitsmuis, dwergmuis en otter.

Het konijn (Oryctolagus cuniculus) in de duinen. Foto door Keest Mostert.

Het konijn is één van de belangrijkste beheerders van de Zuid-Hollandse duinen. Met zijn graas- en graafactiviteiten houdt hij de vegetatie van de duingraslanden kort en zorgt hij voor zandige pioniersituaties. Juist dit natuurtype is voor veel kenmerkende soorten van de droge duinen belangrijk. Door ziekten is de konijnenstand in sommige duingebieden zorgelijk geworden. Door het wegvallen van begrazing krijgen ruigere vegetaties, struwelen (duindoorn) en bossen de overhand. Het konijn is alleen icoonsoort voor de duinen. Buiten het duingebied heeft de soort heeft zich de afgelopen decennia uitgebreid via recreatiegebieden, verkeerswegen en stadsuitbreidingen. Daar kan hij door zijn graafactiviteiten voor schade zorgen.

De bever (Castor fiber). Foto door Kees Mostert.

De bever is terug van weggeweest. De soort is als gevolg van jacht in de 19de eeuw uit Nederland verdwenen en in de jaren ’80 van de vorige eeuw weer uitgezet in de Biesbos. Inmiddels bewoont hij de meeste wateren in de delta van Zuid-Holland (Biesbos, Haringvliet, Hollands Diep, Oude Maas). Dit grootste knaagdier van Europa, met zijn kenmerkende platte staart, is gebonden aan water. Als vegetariër leeft hij van allerlei soorten planten en schors, twijgjes en blaadjes van bomen en struiken. Van takken en planten worden burchten gebouwd, waarin de bever in klein familieverband leeft. De bever staat symbool voor de biodiversiteit van grote wateren met rivierbegeleidende bossen.

De gewone zeehond (Phoca vitulina). Foto door Kees Mostert.

De zeehond is in de jaren zestig verdwenen uit de rivieren en kustwateren van Zuid-Holland door bejaging, vervuiling met koolwaterstoffen en de aanleg van de deltawerken. Kenmerkend voor een groep van soorten, waaronder veel vogelsoorten, die afhankelijk zijn van rustige plaatsen die hoog water droog blijven. Zij hebben rust, visrijk zeewater, zandplaten, zee en dynamiek nodig.

Momenteel is het weer normaal om zeehonden voor de Zuid-Hollandse kust te zien, maar er zijn nog maar weinig plaatsen waar de soort zich succesvol voortplant. Zeehonden zijn populair bij het grote publiek. Er worden op diverse plaatsen speciale boottochten voor zeehonden georganiseerd (onder meer door Deltasafari). Er is een koppelkans met zeereservaten en windmolenparken en met het kierbesluit van het Haringvliet en getijdewerking.

De bruinvis (Phocoena phocoena). Foto door Kees Mostert.

De bruinvis wordt sinds de jaren negentig weer regelmatig waargenomen langs de Zuid-Hollandse kust. In het voorjaar lijken er grotere aantallen langs onze kust te verblijven dan in de overige seizoenen. Ook in de Grevelingen wordt de laatste jaren af en toe een exemplaar gezien. Kenmerkend voor een grotere groep zeedieren die een goed ontwikkelde zee(bodem) nodig hebben. De bruinvis is als kleine dolfijnachtige, populair bij het grote publiek. Er worden speciale boottochten georganiseerd voor het zien van bruinvissen (delta safari).

Ook bij de bruinvis zijn er koppelkansen met zeereservaten en windmolenparken en met het kierbesluit van het Haringvliet en getijdewerking.

De kleine zwaan (Cygnus columbianus). Foto door Kees Mostert.

De kleine zwaan overwintert in grote groepen in het veenweidegebied en in het rivierengebied en staat symbool voor de functie die Zuid-Holland (evenals de rest van laag Nederland) vervult voor vele watervogels, als ganzen en eenden, die vanuit Noord-Oost Europa hier de winter doorbrengen. De soort is tegenwoordig vooral op de graslanden in de Alblasserwaard en Krimpenerwaard te vinden en in klein aantal in de omgeving van Driebruggen, Reeuwijk en de Rijnstreek. Ze slapen op plassen en wateren of soms ook in weilanden met plassen. De aantallen lopen sinds de jaren negentig sterk terug. De soort is kenmerkend voor een grote groep watervogels als ganzen en eendensoorten als smient en grote zaagbek die in Zuid-Holland (en laag Nederland) overwinteren vanuit het noordoosten van Europa.

De purperreiger (Ardea purpurea). Foto door Kees Mostert.

De purperreiger broedt in kolonies in rietmoerassen (tegenwoordig vooral in struikgewas en bomen), maar foerageert vooral in kleine slootjes in het veenweidegebied. Kenmerkend voor meer moerasvogels welke deels afhankelijk zijn van het omliggende veengebied voor voedsel. Smalle slootjes met gevarieerde planten- en dierenleven met een goede waterkwaliteit zijn van belang. van purperreigers broedt in Zuid-Holland. In de jaren 2013–2017 kwamen 500 tot 600 paar tot broeden in Zuid-Holland (maar liefst tweederde (66%) van de Nederlandse populatie) waarmee onze provincie verreweg het belangrijkste leefgebied van deze soort in Nederland is. In de omringende landen is de soort bovendien zeldzaam.

Grote kolonies zijn aanwezig in Kinderdijk, Zouweboezem en Nieuwkoopse plassen. Er zijn meer recent ook kleine kolonies ontstaan in het Lingegebied, Sliedrechtse Biesbos, Alblasserwaard en Krimpenerwaard.

De zeearend (Heliaeetus albicilla). Foto door Kees Mostert.

De zeearend is onze meest imposante roofvogel. Met zijn spanwijdte van ruim twee meter wordt hij ook wel vliegende deur genoemd. Het is een soort van grote robuuste natuurgebieden, waarin open ruimten en visrijke wateren worden afgewisseld met oude bossen. Soorten als de visarend profiteren mee van een verbeterde leefomgeving van de zeearend.

De patrijs (Perdix perdix). Foto door Kees Mostert.

De patrijs roept beelden op van kleinschalig agrarisch cultuurland met korenbloemblauwe graanakkers en bloemrijke hagen. Een landschap dat sterk onder druk staat en in de provincie nog vooral te vinden is in de bollenstreek en de Hoeksche Waard. Ook de patrijs staat daarmee onder druk, met naar schatting niet meer dan 250 paar, een decimering ten opzichte van de jaren zeventig. En met de patrijs zijn veel andere soorten vogels, planten en dieren gedecimeerd, die afhankelijk zijn van een gevarieerd akkerland met een grote diversiteit aan planten. Het aanleggen van bloemrijke akkerranden, braaklegging en extensivering van akkerbouw kan deze soorten weer in het zadel helpen.

De grutto (Limosa limosa). Foto door Kees Mostert.

Onze nationale vogel — de grutto — staat symbool voor de rijke weide: vochtige kruidenrijke graslanden in het veenweidegebied met veel biodiversiteit. De meeste weilanden in het Groene Hart zijn weliswaar nog groen, maar de rijkdom aan soorten is door intensivering van landgebruik sterk afgenomen. En daarmee ook de grutto: zijn achteruitgang is dramatisch, zoals voor veel meer vogels van dit agrarische cultuurlandschap geldt. De hoogste dichtheden zijn tegenwoordig nog aanwezig in de graslanden in het westen van de provincie, zoals Midden-Delfland, Haaglanden en de omgeving van Ade. Gelukkig blijkt de soort goed stand te houden in gebieden met extensief graslandbeheer met hoog waterpeil in sloten of greppels en kruidenrijke graslanden. Dat is dan ook de belangrijkste sleutel voor behoud van onze weidevogels.

De kluut (Recurvirostra avosetta). Foto door Kees Mostert.

De kluut, een prachtige pioniervogel van slikken en wadden. Hoewel het overgrote deel van de populatie voorkomt in het deltagebied komt de soort ook voor in het binnenland en langs de grote rivieren wanneer kleine open moerasjes beschikbaar zijn. Volgens de meest recente aantalsschatting broeden er nog 700–800 paar in onze provincie. De soort is synoniem voor een aantal andere pioniersoorten zoals bergeend, bontbekplevier, kleine plevier, steltkluut, kokmeeuw en visdief.

De grote stern (Sterna sandivesens). Foto door Kees Mostert.

De grote stern is ook een pioniervogels maar komt in Zuid-Holland uitsluitend voor in het noordelijke deltagebied in een paar grote kolonies, namelijk in het Haringvliet (eilandjes Scheelhoek en Slijkplaat) en Markenje. De aantallen wisselen van jaar tot jaar (ook afhankelijk van vestiging in de Zeeuwse Delta). Tussen 2013–2017 kwamen 2000 tot 3000 paar tot broeden, waarmee de grote stern in Zuid-Holland een substantiële bijdrage levert aan de totale Nederlandse populatie. De grote stern is afhankelijk van zandige platen in het deltagebied en verzamelt voedsel voor een groot deel boven zee en in het aangrenzende kustgebied. Er worden maatregelen genomen in de beheerplannen van Natura 2000 om eilanden geschikt te houden van deze soort. Een aantal andere soorten profiteert mee van deze maatregelen, onder meer bontbekplevier, strandplevier, noordse stern en dwergstern en de bij de kluut eerder genoemde pioniersoorten.

De zwarte stern (Chlidonias niger). Foto door Kees Mostert.

Zuid-Holland is van groot belang voor de zwarte stern: ongeveer een kwart van de Nederlandse populatie broedt in het oostelijk veenweidegebied. Deze watervogel staat symbool voor hoogwaardige moeras- en veengebieden, waarin brede sloten met krabbenscheer en moerasplanten volop aanwezig zijn.

De steenuil (Athene noctua). Foto door Kees Mostert.

Boerenerven herbergen een geheel eigen biodiversiteit. Eén van die kenmerkende soorten is de steenuil. Dit kleine uiltje broedt in schuren, stallen en oude knotwilgen en jaagt op muizen en insecten rond boerderijen. De steenuil komt lokaal nog talrijk voor in de provincie, waaronder in Midden-Delfland en de Hoekse Waard. Dit is mede te danken aan het op grote schaal plaatsen van nestkasten op erven. Op IJsselmonde en het Eiland van Dordrecht is de soort echter grotendeels verdwenen, evenals uit de Krimpenerwaard en de Alblasserwaard. Andere kenmerkende soorten van boerenerven zijn torenvalk, kerkuil, boerenzwaluw, huiszwaluw, spreeuw, ringmus en huismus.

De gierzwaluw (Apus apus). Foto door Kees Mostert.

De zomer begint pas echt als de gierzwaluw weer door stad en dorp giert. Eind april verschijnen ze in Nederland, vanuit hun overwinteringsgebieden in Afrika. Eind juli, na het grootbrengen van de jongen, vertrekken ze weer. De gierzwaluw is een typische bewoner van de bebouwde kom. Hij maakt zijn nest in gebouwen, bijvoorbeeld onder dakpannen, waarnaar hij elk jaar weer terugkeert. Door deze afhankelijkheid van gebouwen is de gierzwaluw kwetsbaar voor renovatie, sloop en verbouwing. Dat is mogelijk de reden voor de forse afname in Zuid-Holland. Gelukkig maakt hij goed gebruik van speciaal ontworpen nestkasten. Natuurinclusief bouwen biedt daarmee toekomst voor de gierzwaluw.

De huismus (Passer domesticus). Foto door Kees Mostert.

Weinig soorten hebben zich zo goed aan de mens aangepast als de huismus. Hij maakt graag gebruik van nestelruimte onder dakpannen, waant zich veilig in klimop en vuurdoorn, vindt voedsel en water in tuinen en parken en neemt graag een zandbad in plantsoen en zandbak. Ondanks de uitbreiding van dorpen en steden verliest de huismus terrein. In nieuwbouw zijn steeds minder geschikte nestplaatsen te vinden en bij renovatie van oudere gebouwen gaan nestlocaties verloren. Ook de verstening van tuinen helpt de huismus niet. Wie tegenwoordig het tjilpen van de mus nog wil horen moet uitwijken naar de stadsrand, dorpjes en boerderijen. De huismus is icoonsoort voor de bebouwde omgeving, met in zien kielzog soorten als spreeuw, gierzwaluw, zwarte roodstaart, slechtvalk, gewone en ruige dwergvleermuis.

De merel (Turdus merula). Foto door Kees Mostert.

De merel is icoonsoort voor de groene stad. De verstening van de stad is het belangrijkste thema.

Typische soort van tuinen en klein groen in de bebouwde kom (steden en dorpen). Er is een achteruitgang gaande, welke onder meer is ingegeven door de verstening in de stad maar ook door een recente ziekte. Deze herkenbare soort is samen met de weidehommel vooral opgenomen als graadmeter voor klein groen in het stedelijke gebied.

De nachtegaal (Luscinia svecica). Foto door Kees Mostert.

De betoverende zang van de nachtegaal is in delen van de provincie volop te horen. Vooral in de duinen en in de bossen langs de grote rivieren, specifiek de Biesbos, komt de soort nog talrijk voor. In de rest van de provincie is de soort uitgesproken schaars als broedvogel. Met ongeveer 2000 paartjes is de provincie op nationaal niveau van groot belang voor de soort als broedgebied.

De nachtegaal is een echte struweelbewoner. In de duinen wordt het leefgebied gekenmerkt door struwelen, afgewisseld met open plekken. Langs de rivieren en jonge bossen gaat het vooral om dicht struweel, met overgangen naar kruidenrijk grasland. Dit leefgebied is ook voor andere soorten van belang, waaronder grasmus, braamsluiper, fitis, roodborsttapuit, goudvink, koevinkje, oranjetip, keizersmantel, bruine eikenpage, landkaartje en egelantier.

De blauwborst (Luscinia svecica). Foto door Kees Mostert.

Met zijn blauwe-oranje borst en uitbundige zang is de blauwborst een kleurrijke verschijning. De soort broedt in allerlei niet te droge tot natte ruigten en zomen, zolang er voldoende open plekken en opgaande bosjes en struiken in aanwezig zijn. Voorbeelden zijn verruigde rietmoerassen en overgangen tussen rietmoeras en moerasbos. Dit type leefgebied is in de Biesbos veel aanwezig en de blauwborst profiteert hier van natuurontwikkeling. Ook elders is de soort sterk toegenomen. Begeleidende soorten zijn onder meer bosrietzanger, sprinkhaanzanger, groot dikkopje, harig wilgenroosje, moerasspirea en poelruit.

De boomklever (Sitta europaea). Foto door Kees Mostert.

De boomklever is met zijn luide roep een kenmerkende vogel van oude bossen. Als holenbroeder is hij afhankelijk van een voldoende groot aanbod van (spechten)holten en spleten. Van oudsher leeft de soort voornamelijk in de landgoederen en bossen in de binnenduinrand. Recent breidt de soort zich uit richting binnenland. Door veroudering van het bomenbestand in gebieden als het Kralingse Bos en de Biesbos ontstaat ook daar geschikt leefgebied. Bosbeheer waarin oudere bomen de ruimte krijgen om te groeien en af te takelen is gunstig voor deze soort. Ook andere bewoners van oud bos profiteren daarvan, zoals glanskop, kleine bonte specht, bosuil, houtsnip, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, fluiter, rosse vleermuis, watervleermuis, boommarter, eekhoorn, eikenpage, pruikenzwam en eikenhaas.

De rugstreeppad (Epidalea calamita). Foto door Kees Mostert.

Deze kleine pad dankt zijn naam aan de gele lengtestreep op de rug. De kenmerkende, verdragende roep van de mannetjes is vanaf het voorjaar tot in de zomer te horen. Het is een soort van dynamische milieus, die algemeen voorkomt in de duinen. Duinplasjes vormen daar het voortplantingsbiotoop. Vooral in de duinen heeft het leefgebied een pionierkarakter, een kenmerkend leefgebied voor diverse vogels, dieren en planten van vochtige duinvalleien en kwelsituaties. Buiten de duinen wordt de rugstreeppad vooral aangetroffen in de rivierklei- en veengebieden rond Gouda en Alphen aan de Rijn. De soort ontbreekt op de jonge zeeklei en komt op Voorne en Goeree alleen in de duinen voor. De provincie Zuid-Holland is met meer dan een kwart van de nationale populatie belangrijk voor de soort.

De zandhagedis (Lacerta agilis). Foto door Kees Mostert.

De zandhagedis doet zijn naam eer aan: het is een strikte bewoner van de duinen. In de klei- en veengebieden in de provincie ontbreekt de soort. De mannetjes kleuren in het voorjaar felgroen en zijn dan op hun mooist. Het vrouwtje is grijsbruin van kleur zet haar eitjes af onder de grond, waar ze door de opwarmende zon worden uitgebroed. De zandhagedis is een kenmerkende soort van het halfopen duingrasland, met open zandige plekken, duingrasland en struweel. Dit leefgebied is rijk aan bijzondere soorten. Door het dichtgroeien van de duinen (successie) verliest de zandhagedis leefgebied. Enige dynamiek — bijvoorbeeld in de vorm van verstuiving — draagt bij aan instandhouding van het leefgebied. De zandhagedis komt algemeen voor in de duinen vanaf Hoek van Holland noordwaarts. In de duinen van Voorne en Goeree komt de soort nog maar op een paar plaatsen voor.

De argusvlinder (Lasiommata megera). Foto door Kees Mostert.

De argusvlinder bekijken we tegenwoordig met argusogen. Het gaat niet goed met dit zandoogje en we weten nog niet helemaal waarom hij zo hard achteruitgaat. Het is een typische graslandbewoner, die geen hoge eisen stelt aan de samenstelling van de vegetatie. Wel is de aanwezigheid van structuur van belang, waarbij kale grond en graspollen worden afgewisseld met hogere grazige en kruidenrijke vegetaties. Te droge en voedselarme locaties worden gemeden. Hij wordt dan ook vooral aangetroffen langs sloten, dijken, bermen en weilanden. De provincie Zuid-Holland is zeer belangrijk voor de soort en vormt momenteel een kern van de verspreiding in Nederland. Maatregelen voor de argusvlinder — waarbij wordt gestreefd naar gevarieerd kruidenrijk grasland — pakken ook goed uit voor andere dagvlinders, sprinkhanen en wilde bijen.

De heivlinder (Hipparchia semele). Foto door Kees Mostert.

De heivlinder kan door zijn goede schutkleur verdwijnen op het zand. De soort is zeldzaam in Zuid-Holland en daar strikt gebonden aan de duinen, waar hij leeft in een open en afwisselend landschap met veel kale bodem en warme plekjes. Structuurrijke situaties en vooral een groot aanbod van bloemen is belangrijk. De heivlinder is daarmee kenmerkend voor een gevarieerd duingrasland waar veel andere soorten in voorkomen, waaronder blauwvleugelsprinkhaan, tapuit, zandhagedis, kleine parelmoervlinder en boomleeuwerik.

De zandhommel (Bombus veteranus). Foto door Kees Mostert.

De zandhommel is een sterk bedreigde soort in Nederland, die nagenoeg alleen in Zuid-Holland voorkomt. Het leefgebied bestaat uit structuur- en bloemrijke graslanden in de delta, specifiek rond het Haringvliet en op Goeree. De zandhommel haalt nectar en stuifmeel uit een grote variëteit aan bloemen en bouwt haar nest bovengronds in graspollen of mos. Mogelijk is het verlies aan structuur in graslanden één van de oorzaken van de achteruitgang van deze soort. De zandhommel heeft een vrij lange vliegtijd en een continu aanbod van voldoende bloemen tussen het vroege voorjaar en late zomer is dan ook zeer belangrijk voor de soort.

De groene glazenmaker (Aeshna viridis). Foto door Kees Mostert.

De uitgestrekte velden met krabbenscheer in het veenweidegebied vormen leefgebied voor de groene glazenmaker. De provincie Zuid-Holland herbergt een kwart van de Nederlandse populatie en is daarmee zeer belangrijk voor deze fraaie libel. Niet elk water is geschikt voor deze soort: vooral niet te voedselrijke wateren met kwel vormen geschikt leefgebied. In voedselrijkere wateren kan in de zomer door algenbloei zuurstoftekort optreden, waar de larven mogelijk gevoelig voor zijn. Ook krabbenscheer — een waterplant waar de groene glazenmaker in Nederland van afhankelijk is — stelt redelijk hoge eisen aan de kwaliteit van het water. Beide soorten staan symbool voor een rijk en gevarieerd watersysteem.

De glassnijder (Brachytron pratense). Foto door Kees Mostert.

Glassnijders liepen vroeger met het glas in latten op de rug, het waren net libellen. Daar hebben de glazenmakers — grote libellen — hun naam aan te danken. De glassnijder is een vrij kleine libel die in Zuid-Holland algemeen voorkomt in schone, heldere wateren met een goed ontwikkelde oevervegetatie. Dit type water staat model als basiskwaliteit voor alle kleinere wateren in de provincie, waarvoor de glassnijder als indicatorsoort geldt. De bekende schoolplaat ‘In sloot en plas’ van Koekkoek laat het mooi zien: een heldere sloot met waterranonkel, gele plomp, kikkers, salamanders en heel veel waterleven. Een voldoende waterkwaliteit, natuurvriendelijke oevers en niet te intensief beheer zijn de minimale eisen die de glassnijder aan zijn leefgebied stelt. En dat moet overal in de provincie haalbaar zijn.

Groenknolorchis (Liparis loeselii). Foto door Kees Mostert.

De groenknolorchis is een kleine, onopvallende orchidee met geelwitte bloemetjes en stijve lichtgroene bladeren. Aan de voet van de plant zit een knolletje. Het is een zeer kritische soort van open en natte standplaatsen met weinig voedingsstoffen. Vaak staan de groeiplaatsen in de winter onder water. In de provincie kan de groenknolorchis worden gevonden in vochtige duinvalleien langs de kust en schrale graslanden en moerassen in het binnenland. De aanwezigheid van de soort geeft aan dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, waar nog veel meer andere bijzondere soorten te vinden zijn. De sterke achteruitgang van de soort is hoofdzakelijk te wijten aan ontwatering en ontginning, maar ook aan successie.

Rietorchis (groep) (Dactylorhiza majalis cf.) Foto door Kees Mostert.

Orchideeën spreken tot de verbeelding en natuurbeheerders zien ze graag verschijnen. Ooit moet de rietorchis overal in Zuid-Holland te zien zijn geweest, in bermen, hooilanden, moerassen, duinen en landgoederen. Door verdroging, toename van meststoffen en intensivering van landgebruik zijn ze op veel plaatsen verdwenen. En daarmee een hoop andere bijzondere soorten van vochtiger, schrale omstandigheden. Gelukkig weet de rietorchis goed te profiteren van natuurgerichte maatregelen in stad en land. In parken, bermen, oevers en recreatiegebieden liggen goede kansen om met aangepast beheer en kleinschalige inrichtingsmaatregelen orchideeën en biodiverse graslanden terug te krijgen.

Wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta). Foto door Kees Mostert.

In het voorjaar kleurt de wilde hyacint de bossen in de binnenduinrand blauwpaars. Dit bolgewas is een stinzeplant: een soort die in de vorige eeuwen vanwege zijn fraaie bloemen is ingeplant op landgoederen, parken en erven. Andere bekende stinzenplanten zijn bosanemoon, bostulp, gewoon sneeuwklokje en narcis. Meestal komen stinzenplanten van oorsprong uit het buitenland of andere delen van Nederland, zoals het heuvelland in Limburg. Het is niet helemaal duidelijk of de wilde hyacint van nature in Nederland voorkomt. Feit is dat hij te duchten heeft van een gelijkende soort, de Spaanse hyacint, waarmee hij bastaarden vormt.