Omslagontwerp: Dog and Pony, Amsterdam

Niccolò Ammaniti

over het ontstaan van zijn nieuwe roman Anna


Die zomer was ik met mijn vriend Antonio naar Kreta gegaan, waar Anteso Chrysostomidis, mijn Griekse uitgever, op ons wachtte. We hadden besloten om met de auto over het eiland te gaan toeren. Niemand van ons was goed gehumeurd, ieder om zijn eigen redenen. Anteos probeerde ons — misschien omdat hij onze gastheer was — tijdens het uitstapje te onderhouden met verhalen over de tijd dat hij in Perugia studeerde en over zijn vriendschap met Tabucchi.

Het landschap ontrolde zich aan de andere kant van de voorruit zonder indruk op ons te maken, het enige wat onze blikken trok, waren de lelijke gebouwen en de betonnen huizen. De Myceense ruïnes deden ons niets, de stranden evenmin. Pas tegen een uur of zeven ’s avonds werden we weer wakker, toen we stopten, een biertje dronken en een restaurant aan het strand zochten waar we calamares en taramosalata konden eten. Kortom, zo’n vakantie die was voorbestemd om in de herinnering op te lossen zonder droesem achter te laten.

Op een dag zijn we langs een steil pad afgedaald naar een zandstrook die de zee scheidde van de donkere rotswand die bezaaid was met het mediterrane maquis.

Om een reden die ik me nu niet meer kan herinneren was ik op een gegeven moment alleen, met een boek in mijn hand en de cidaden in mijn oren. Plotseling zag ik kinderen voorbijkomen bij de branding. Het was een heterogeen groepje kinderen van tussen de zes en elf jaar. Ze waren op weg naar een formatie platte rotsen die een paar meter van de branding boven het water uitstaken. Ze liepen behoedzaam, als oudjes, rustig babbelend, hun voeten in de kiezelsteentjes. Op een gegeven moment bleef een van de oudere kinderen stilstaan en gaf de anderen allemaal een kus op de schouder. Misschien was het een boetedoening, misschien een broederschapsverbond. Ze hadden iets volwassens, die kinderen, iets ernstigs in de manier waarop ze zonder kinderlijk geharrewar samen waren.

Ik merkte dat ik hen observeerde zoals een etoloog een roedel jonge wolven observeert, en ik vroeg me af wat ze zouden doen als ze plotseling alleen waren. Met alleen bedoel ik in een wereld waar om een of andere mysterieuze reden geen volwassenen meer waren. Een steriele wereld want niet in staat zichzelf voort te planten. Een wereld waarin het leven van de mens is gereduceerd tot de kindertijd en al voor de adolescentie eindigt.

Meestal weet ik of een idee goed is als het in mij vragen oproept, en als de antwoorden die ik mezelf geef op hun beurt nieuwe vragen oproepen. Deze hypothese had een stortvloed aan vragen opgeroepen. Zouden ze overleven? Zouden ze in staat zijn voorwerpen te gebruiken die niet voor hen bedoeld waren? Zouden ze terugvallen tot het dierlijke stadium, of zouden ze juist vroegrijp zijn? Zouden ze een godsdienst creëren? Zouden de oudsten zorgen voor de kleintjes? Zouden ze die leren praten en misschien zelfs leren lezen? Het was een enigszins absurde hypothese, zoals de hypotheses die aan mijn verhalen ten grondslag liggen dat wel vaker zijn. Die hypothese volgen, ontwarren, laten kiemen als linzen op natte watten, begon mijn geest in beslag te nemen. Zouden de weeskinderen gewassen verbouwen? Jagen? Nee, misschien zouden ze zich als verzamelaars voeden met wat er nog over was. Ze zouden de winkelcentra en de huizen plunderen, op zoek naar blikjes. Zouden de volwassenen in de herinnering van die kinderen, althans van de oudsten, egoïstische goden worden die hun eigen kinderen hadden verlaten? Zouden er erediensten en geheime rituelen aan hen worden gewijd?

Zoogdieren, en met name vleeseters, zijn relatief lang afhankelijk van hun ouders. De welpjes van wolven leven in de roedel en wolven zorgen voor hun nageslacht totdat de kleintjes seksueel actief worden. Maar bij mensen komt het moment van de onafhankelijkheid nog later. Ouders zorgen voor hun kinderen tot voorbij de drempel van de leeftijd van de volwassenheid. Dat zou in de wereld die ik mij voorstelde niet mogelijk zijn.

In de jaren daarop bleef dit verhaal op de achtergrond in me doorwerken, haast als een spelletje dat ik tevoorschijn haalde als ik me verveelde. Ik zat in de trein of in de wachtkamer van de tandarts en vroeg me af of mijn kinderen alcoholisten zouden worden, of ze auto zouden kunnen rijden.

Iets dergelijks had ik als kind al. De hypothese van alleen op de wereld achterblijven, fascineerde me. Je wordt op een ochtend wakker en er is niemand meer. Wat doe je? Waar ga je leven? Naarmate ik ouder werd ontdekte ik dat veel schrijvers zijn uitgegaan van een dergelijke hypothese om romans te schrijven, waarvan sommige uitzonderlijk goed.

Het probleem was dat mijn wereld van wezen oneindig veel narratieve mogelijkheden bood, maar niet erg concreet was. Ik had een personage nodig dat die wereld reëel maakte door te werken als de protagonist van een afzonderlijke levensloop. In feite had ik het aquarium, de waterplantjes, het zand, maar geen vis.

Toen kwam Anna. Waarom zij? Omdat ze een missie had. Zichzelf en haar broertje redden. Hoe zou ze dat doen? Door zich ondanks alles een toekomst voor te stellen, waarbij ze de simpele wetten van het overleven weigerde te accepteren, en vooral door de herinnering te cultiveren. Waar zou ze leven? Op een eiland. Sicilië. Wie zou haar helpen? Een hond. Honden leven ongeveer veertien jaar, even lang als ik haar gunde. Wat ik wilde weten is of het waar is dat het er niet toe doet hoe lang je leeft, maar hoe je leeft. Anna kon mij dit leren.

© 2015 Niccolò Ammaniti


Anna, de nieuwe roman van Italiaanse bestsellerauteur Niccolò Ammaniti, verschijnt op 15 januari 2016 bij Lebowski Publishers.

Sicilië is verworden tot een mysterieus en vergeten eiland zonder elektriciteit, waar wilde honden je achtervolgen over lege snelwegen. Een virus heeft alle volwassenen op het eiland uitgeroeid, alleen de jeugd is overgebleven. De dertienjarige Anna en haar acht jaar oude broertje Astor proberen te overleven aan de hand van het notitieboekje van hun moeder. In een desolaat landschap zoeken zij samen met hun hond een weg naar het vasteland, op zoek naar een nieuwe toekomst.

© 2015 Roberto Nistri

Niccolò Ammaniti (1966) is de auteur van de bestsellers Ik haal je op, ik neem je mee (meer dan 300.000 exemplaren verkocht in Nederland), Ik ben niet bang (160.000 exemplaren verkocht) en Zo God het wil. Daarnaast schreef hij Het laatste oudejaar van de mensheid, Laat het feest beginnen!, Ik en jij en Een delicaat moment. Zijn werk verschijnt in 44 landen en meerdere van zijn boeken zijn succesvol verfilmd.