C.W. de Jong

Het moeizame leven en de ondraaglijke pijnen van Hendrik Piepelkamp, een tragikomedie in drie delen.


1. De pijn

Er waren dagen dat Hendrik Piepelkamp nauwelijks kon lopen, zo’n last van zijn rug had hij. Hij kon zich eigenlijk niet goed meer herinneren wanneer de klachten precies begonnen waren. In het begin waren het alleen steken in zijn onderrug geweest, maar die trokken snel weer weg. Hij had er niet veel aandacht aan besteed. Maar na verloop van tijd hielden die steken langer aan en daalden langzaam langs zijn ruggengraat af naar zijn stuitje, waardoor zitten hem soms geruime tijd onmogelijk was. Rond deze tijd bracht hij ook voor het eerst een bezoek aan de huisarts, al stelde die vooral vast wat Hendrik in elk geval niet mankeerde. Het was geen spit, geen hernia en geen verschoven wervel, stelde de dokter vergenoegd vast. ‘Het zal vanzelf wel overgaan,’ meende hij, al was het Piepelkamp niet helemaal duidelijk waar de dokter deze optimistische prognose op baseerde. Maar zijn vertrouwen in de medische wereld was toen nog ongeschonden en zou dat nog geruime tijd blijven. Hendrik had geen enkele aanleiding gezien tot het vragen van een second opinion. In plaats daarvan had hij zijn jas aangetrokken, de dokter een hand gegeven en hem bedankt voor het consult. Vervolgens was hij goedgeluimd de praktijk uitgewandeld, zich wijsmakend dat de pijn al minder was dan die ochtend.

Een week of wat later zat hij weer in de wachtkamer. De steken hadden zich ontwikkeld tot een aanhoudende, knersende pijn en hij kon nauwelijks nog rechtop lopen. De huisarts had zich eens achter het oor gekrabd, zijn brillenglazen schoongepoetst, peinzend voor zich uitgekeken en toen, zonder verdere onderzoekingen, een verwijsbriefje opgesteld. De fysionair anatoom moest er maar eens naar kijken, meende hij: ‘Die heeft ervoor doorgeleerd.’ Hendrik knikte, al deed dat wel een beetje pijn.

De fysionair anatoom heette Doezelman en bleek een tamelijk onbehouwen type. Zonder te informeren naar de klachten van Piepelkamp, nodigde hij hem uit om op zijn buik op de tafel te gaan liggen, hetgeen Hendrik met gezwinde spoed en opperste bereidwilligheid deed, al zorgde de platte houding terstond voor helse pijnen in zijn onderrug. Maar dat bleek slechts het begin van veel meer ellende. Terwijl Piepelkamp de pijn probeerde te negeren, begon Doezelman als een nazistische kampcommandant een reeks martelingen op de geplaagde ruggengraat uit te oefenen. Hendriks kreten van pijn waren in het hele ziekenhuis te horen. Van tijd tot tijd vroeg de fysionair anatoom, zonder het knijpen, duwen, slaan, kneden en kraken ook maar een moment te staken: ‘En dit? Doet dit ook pijn?’ Piepelkamp antwoordde zonder uitzondering met een langgerekt ‘Jaaaaaaaaaaaaaaaaa!’ waarop de dokter begrijpend knikte, zijn houdgrepen enigszins verplaatste en dezelfde vraag nogmaals stelde. Na afloop van het onderzoek moest Hendrik door de dokter overeind geholpen worden. De pijn was zo ondraaglijk dat zijn slapen bonkten en hij nauwelijks verstond wat de anatoom zei:

‘Ja… ehm… voor zover ik kan constateren gaat het niet om een lokale pijn, maar om een irritatie van de wervelkolom in zijn geheel. U heeft ehm… als het ware….in de gehele rug eh… pijn.’

‘Daarnet anders nog niet,’ piepte Hendrik, maar de anatoom negeerde hem.

‘Ik denk dat het iets is met de zenuwen,’ opperde Doezelman, ‘al kan het in wezen natuurlijk ehm… van alles zijn.’ Vervolgens begon hij een eindeloze uiteenzetting over lumbale en sacrale wervels waar Piepelkamp al snel geen touw meer aan vast kon knopen. Doezelman raadde hem aan om zich te wenden tot een orthopedisch manueel therapeut, iets waar hij nog nimmer van had gehoord. En later zou hij de dag vervloeken dat hij er voor het eerst van hoorde.

Weken achtereen bezocht hij de manueel therapeut, een nogal hardhandige vrouw met armen als scheepskabels. Toen hij voor het eerst binnenkwam, had ze zich beminnelijk, maar met een doorrookte stem voorgesteld: ‘Zeg maar Charlot.’ Ze hadden een kopje thee gedronken met een gemberkoekje erbij en gezellig wat over koetjes en kalfjes gebabbeld.

Al na een paar sessies ervoer Piepelkamp het obligate theekransje vooraf als een waar galgenmaal. Want zodra de woorden ‘nou, laten we eens beginnen’ vielen, brak hem het angstzweet uit. Terwijl hij ging liggen op de behandeltafel, bond Charlot haar haren bijeen in een staart, stroopte haar mouwen op, waarna ze zijn rug aan een reeks wreedheden blootstelde waar zelfs Doezelman niet van terug had. Haar complete zwaarlijvige lichaam perste mee met haar handen. Ze deed denken aan iemand die bagage in een overvolle koffer probeert te stoppen of een auto probeert te duwen die op de handrem staat. Haar armen veranderden in gespannen bundels spieren, haar boezem zwoegde, haar vlassige paardenstaart zwiepte alle kanten op als de staart van een koe die lastige vliegen probeert te verjagen. Haar gezicht liep rood aan en gedurende de behandeling slaakte ze vaak luide kreten, die het aanhoudende gejammer en gegil van Piepelkamp soms zelfs overstemden. De martelgang duurde doorgaans ruim een uur, aan het eind waarvan de therapeute stond te hijgen van de inspanning, het zweet parelend op haar rode gezicht, terwijl Hendrik met een van pijn vertrokken gezicht zijn broek probeerde aan te trekken, wat hem met de week meer moeite kostte.

Intussen ging hij steeds krommer lopen en was de pijn nu voortdurend aanwezig, al was deze op het ene moment beter te verdragen dan op het andere. Week in week uit onderwierp hij zich aan de beestachtige kastijdingen van Charlot en bij elke sessie verzekerde hij haar dat het weer een beetje beter ging, maar op een keer, net nadat ze weer een uur op zijn getormenteerde wervelkolom had staan roffelen en hij bijna hyperventilerend naar adem stond te happen, stootte ze eindelijk de verlossende woorden uit: ‘U bent nog niet helemaal genezen, meneer, maar misschien moeten we de behandeling maar beëindigen.’

In gedachten stortte Piepelkamp zich op zijn knieën en weende tranen van geluk. ‘Ik denk dat dat inderdaad wijs is, Charlot.’

In de maanden die volgden werd de rugpijn almaar erger. Het moet rond deze tijd geweest zijn dat hij soms werd nageroepen op straat, met de vraag of hij soms op zoek was naar dubbeltjes, en dat hij de bijnaam ‘de klokkenluider’ kreeg. Andere mensen waren vriendelijker en klopten hem gemoedelijk op de rug, wat hem meestal ineen deed krimpen van pijn. En al die tijd onderwierp Hendrik zich aan de kundigheid van de meest uiteenlopende -peuten, -logen, -sofen, -nomen en -isten, maar niets leek te helpen. Weliswaar werd hij en passant verlost van een splinter in zijn dijbeen, een ingegroeide teennagel, twee aambeien, een trosje genitale wratten en een stukje overtollig littekenweefsel aan zijn linkeroorlel; werd een milde vorm van hooikoorts, een allergie voor alle soorten bospaddenstoelen, behalve champignons, en een verhoogd risico op groene staar vastgesteld, en kreeg hij een welgemeend compliment voor zijn welverzorgde gebit, maar ten aanzien van zijn rugklachten kon niemand hem verder helpen.

Hendrik vulde vragenlijsten in, onderging kijkoperaties en mri-scans, werd betast, bepoteld en bevoeld, maar niemand kon hem vertellen welke fysieke tekortkoming ten grondslag kon liggen aan de vreselijke kwellingen die zijn rug teisterden. Uiteindelijk werd het verlossende woord gesproken door een specialist (Hendrik kon zich niet meer herinneren of het de utilitair haptonoom of de manueel lipidoloog geweest was) die na een minutieus onderzoek van Piepelkamps corpus en het aandachtig bestuderen van zijn medisch dossier constateerde dat de oorzaak niet medisch was, maar psychisch.


To be continued, morgen deel 2!

C.W. de Jong is leraar Nederlands op een middelbare school in Rotterdam, en studiebegeleider van de jeugdopleiding van Sparta Rotterdam. Momenteel werkt hij voor Lebowski aan zijn debuutroman.