C.W. de Jong

De laatste dagen van Radoslav Ben David Monteiro


Het wilde niet vlotten met zijn studie, dus besloot Hannes van de ene op de andere dag dichter te worden. Hij leefde al geruime tijd in de nergens op gebaseerde veronderstelling dat hij kunstenaar was en hij vond het tijd om de vruchten van zijn artistieke vermogens te gaan plukken. Dagen achtereen zat hij dus achter zijn schrijftafel, op de bank, op de grond, in het raamkozijn, op het balkon, op het toilet, op het dak, of waar dan ook, met een schrijfblok voor zich en een pen in zijn handen. Meewarig zag ik het aan.

Hij gebruikte een lekkende kroontjespen en inkt uit een potje, omdat dat zo hoorde bij echte poëten. Tenminste, dat vond hij. Ik wist toen evenmin als nu waar creatieve inspiratie vandaan komt, maar ik geloof tot op de dag van vandaag niet dat het veel te maken kan hebben met de pen die je gebruikt. In elk geval werd het een kliederbende. Ik mocht me nog gelukkig prijzen dat er nergens ganzenveren te vinden waren, want ik weet zeker dat Hannes dan per se met een ganzenveer zou hebben willen schrijven.

Terwijl ik mij moest inspannen om ervoor te zorgen dat we niet zouden verhongeren werkte Hannes bijna dag en nacht aan zijn schrijfsels. Hij at niet veel, maar dronk des te meer: geen bier, maar wijn en vooral whisky. Bovendien rookte hij als een schoorsteen. Er zaten af en toe inktvlekken op zijn onderlip, waaruit ik opmaakte dat hij, in gedachten verzonken, soms zijn pen in plaats van zijn sigaret naar zijn mond bracht. Hij werd bleker en magerder, liet zijn baard staan en waste zich minder dan voorheen, wat voor mij signalen waren dat het hem ernst was. Hij vocht met woorden en worstelde met zinnen.

Ik verbleef in die dagen vaak bij vrienden, want de gezelligheid was bij Hannes ver te zoeken. Toen ik op een ochtend thuiskwam van een overnachting bij Peter, trof ik Hannes aan het ontbijt (wat op zich al opvallend was; hij had vier dagen niet ontbeten) met een triomfantelijk lachje op zijn vermoeide gezicht. Naast zijn bordje yoghurt met muesli lag een prachtig wit vel papier met enkele vlekkerige regels.

‘De teerling is geworpen,’ sprak Hannes. Hij overhandigde me het vel alsof het een belangrijke brief was. Ik las het korte vers dat erop gekalkt stond:

Il pleut

Het regent pijpestelen
Het steelt regenpijpen
Het pijpt regenstelen

Ik wilde hem een compliment maken, maar de woorden bestierven me op de lippen. Hoewel hij natuurlijk een vriendelijk woord verdiende, na al zijn inspanningen, was ik gewoonweg niet in staat een formulering te vinden die enigszins complimenteus zou zijn, zonder te vervallen in leugens.

Hannes interpreteerde mijn opengevallen mond (ik was inderdaad verbaasd) als een uiting van ongeloof tegenover de onuitsprekelijke schoonheid van het gedicht en startte uit zichzelf een toelichting, die ik nooit aan hem zou hebben durven vragen.

‘Het is teruggebracht tot de essentie. Schrijven, en zeker dichten, is vooral een kwestie van schrappen.’ Hij moest inderdaad heel wat geschrapt hebben, want ik kon me niet voorstellen hoe hij anders twee volle weken aan dit kleuterversje had kunnen werken.

‘Het gaat natuurlijk niet om de inhoud. Het draait om de schoonheid van de woorden zelf. L’art pour l’art, zogezegd.’

Ik ging nu toch een poging wagen:

‘Het lijkt op Apollinaire.’ Hannes trok zijn wenkbrauwen op.

‘Baudelaire, bedoel je.’

‘Nee, Apollinaire, toch? Die heeft toch een gedicht geschreven met die titel?’

Hannes haalde onverschillig zijn schouders op.

‘Ik weet niet hoor, ik houd niet zo van Franse poëzie. Maar hoe vind je het?’ Ik kreeg nu toch wel een soort compliment uit mijn strot. Ik vond het origineel, gedurfd, vernieuwend en wat al niet meer. Ik praatte als een routineuze dagbladrecensent. Hannes daarentegen werd hoe langer hoe enthousiaster, zelfs als ik hem probeerde te temperen met een kritische kanttekening. Het poëtisch vuur was in hem losgebarsten en het zou heel wat voeten in aarde hebben om dat vuur te doven.

Opnieuw ging Hannes aan de slag. Hij dichtte niet meer dag en nacht, maar onverminderd fanatiek. Hij kreeg er ook handigheid in. Of in elk geval schreef hij sneller. De gedichten die hij me nu en dan ter hand stelde vond ik nog altijd weinig veelbelovend, maar soms zaten er toch wel aardige vondsten bij. Al snel vond hij het tijd worden voor publicatie: ‘De meeste gedichten zijn nu voldoende gerijpt, het wordt tijd om de vruchten te gaan plukken,’ meende hij. Hij had er een gewoonte van gemaakt om zich in vrucht-beeldspraken uit te drukken. Soms leek hij meer op een groenteman dan een dichter.

Hij stuurde gedichten naar literaire tijdschriften, kranten, uitgeverijen, bibliotheken, leesclubjes en andere instanties die, al was het maar in de verte, iets te maken hadden met poëzie. Het werd geen succes. De ene keer kreeg hij een vriendelijke brief terug, de andere keer zijn eigen werk, al dan niet voorzien van commentaar. Van een stichting die zich bezighield met de promotie van poëzie kreeg hij een uitnodiging voor een open podium, bedoeld voor jonge dichters. Toen hij belde bleek dat ze hem hadden uitgenodigd als gast, niet als spreker.

Hannes begon de moed te verliezen. Hij bleef proberen, maar hij kreeg steeds weer nul op rekest. Hij ging zich miskend voelen. De wereld was nog niet klaar voor zijn poëzie, dacht hij. Hij dacht erover om het bijltje erbij neer te gooien. Maar nu vond ik dat het tijd werd om me ermee te gaan bemoeien. Nog altijd heb ik daar spijt van. Het was voor iedereen beter geweest als Hannes zijn gedichten voor zichzelf en misschien voor het nageslacht had bewaard en over was gegaan tot de orde van de dag. Maar ik wilde hem helpen, als vriend in voor- en tegenspoed.

Dus bracht ik hem op het idee dat de naam Hannes van Laren het misschien niet zo goed zou doen in de literaire bladen. Ik stelde voor een pseudoniem aan te nemen. Het was volstrekte onzin, en daar was ik me, ook toen al, pijnlijk goed van bewust, maar Hannes geloofde me. Ik denk dat hij bereid was alles te geloven om de waarheid maar niet onder ogen te hoeven zien. Met hernieuwde energie stortte hij zich op zijn rol als poëet, dit keer met mij aan zijn zijde. Elseviers Grote Namenboek en onze fantasie werden uit de kast gehaald om een mooi pseudoniem te verzinnen.

In mijn grenzeloze hulpvaardigheid stelde ik zelfs een brief voor hem op, waarin stond dat de gedichten geschreven waren door de jonggestorven dichter Radoslav Ben David Monteiro, en dat Hannes diens literaire nalatenschap beheerde. De brief was zorgvuldig geformuleerd en Hannes was dolenthousiast. Hij voelde zich een soort Jacques Perk en Willem Kloos in één: jonggestorven poëet en postuum pleitbezorger tegelijk. Hij was er volledig zeker van dat hij op het punt stond zijn intrede te maken in het gilde der literatoren. Vol vertrouwen in de goede afloop (hij toostte er zelfs op) stuurde hij de brief naar een literair maandblad. Een week later kreeg hij antwoord. Ik zat op het puntje van mijn stoel toen hij de envelop opende. Het bleek een briefje van twee regels te zijn:

Geachte heer Van Laren,

Wij betreuren het zeer dat Radoslav Ben David Monteiro zo jong gestorven is. Wij geloven echter niet dat met hem een groot dichter verloren is gegaan.

Hoogachtend,

Dit briefje brak hem, of in elk geval zijn poëtische aspiraties. Voorgoed. Als een verslagen hoopje mens zat hij onbeweeglijk op de bank. Ik durfde hem niet te troosten. Ik kon het ook niet. Stilletjes stond ik op en glipte de deur uit.

Hannes sloot zich drie volle dagen op in zijn kamer, at niet en dronk alleen wat water. Toen ik de derde dag thuis kwam, zat hij op het balkon, met onze vuurkorf voor zich. Hij had zich gewassen en geschoren. In de korf lagen de verkoolde resten van wat voorheen zijn gedichten waren. Het regende.


C.W. de Jong is leraar Nederlands op een middelbare school in Rotterdam, en studiebegeleider van de jeugdopleiding van Sparta Rotterdam. Eerder publiceerden wij op Medium Het moeizame leven en de ondraaglijke pijnen van Hendrik Piepelkamp, een tragikomedie in drie delen. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman.