Thé Lau

Poëzie 


Een begrafenis echoot korter na dan de herinnering aan de dode. A. is weer Arend geworden. De afstand tussen hem en mij een paar tramhaltes en de aarde op zijn kist. Thuisgekomen pak ik mijn gitaar uit. Er valt iets uit de hoes, een klein boekje, een dichtbundel.

Ik raap het op, lees titel en naam van de schrijver. Onlangs heb ik hem in Antwerpen ontmoet, we wisselden schrijfsels uit en gingen ieder ons weegs. Peter Holvoet­ Hanssen heet hij en de titel van de bundel luidt Santander. Daar ben ik een keer geweest, ik kan me er niets van herinneren dan de naam, maar dan valt mijn oog op de subtitel. Ontboezemingen in het vossenvel. Ik besluit er buiten wat in te gaan lezen.

Niet in de tuin, maar op straat. Mijn eigen portiek is in schaduw gehuld, dus zoek ik er een om de hoek.

De zon laat de letters dansen op het papier. In alle poëzie ruist de dood op de achtergrond. Dichters worden niet oud, naar het schijnt. De schepen en het water als altijd decor, maar voor schepen en water heb ik even geen oog. Alleen voor de letters en het bleke papier. Alles ritselt. Ik zit op het trapje van een huis, in de blakende zon van deze middag in augustus. Vijftig meter verderop wordt een auto gestart.

‘Vroem­vroem,’ lijkt het gedicht te zeggen. Maar het is niet de tekst die nu spreekt. Het is de unieke klank van een kinderstem. ‘Meneer?’

Ik kijk op. Voor me staat een blond meisje, zeven jaar, schat ik. ‘Wat leest u?’

‘Tja…’ Ik kijk naar het meisje. Een ander meisje is erbij komen staan, een plastic bal in de handen, onmiskenbaar haar kleine zus. Ook blond. ‘Ja,’ herhaalt de kleine zus, ‘wat leest u? Ik kan ook al lezen, een beetje.’ ‘Ik kan beter lezen,’ zegt de grote zus. ‘Wat zijn dat… gedichten?’

De jongere zus stuitert de bal. Ik merk het op als een gebaar van prille vrouwelijke irritatie. Ik krab achter mijn oor. ‘Gedichten, tja…’

Het kleine zusje staat opeens schuin achter me. ‘Het ziet eruit als een verhaaltje, maar wel met heel weinig letters. Wilt u er iets uit voorlezen?’

Ik kijk op naar de boomtoppen. Dan kijk ik het oudere meisje recht in de ogen. ‘Da’s goed. Het gaat over een vos.’

De twee meisjes staan in afwachting, zwijgend.

‘De schrijver zelf heeft me dit boek gegeven.’ Ik blader terug en laat de meisjes de handgeschreven opdracht zien.

‘Hij schrijft wel slordig,’ zegt het oudste meisje. ‘Hij is een dichter. Hij schrijft –’

‘Gedichten,’ zegt ze. ‘Dat zei u al.’ Ze kijkt me poeslief aan. ‘Mag ik er nu eens een horen?’

Ik haal diep adem en begin te lezen. Halverwege het gedicht verliezen de meisjes hun interesse en gaan weer ballen, maar even later komt het oudste meisje terug en wil ze nog een strofe horen. Ze wil ook wel zo’n boek, zegt ze. Dan leest ze zelf een strofe. Haperend, maar in zekere zin beter dan ik.


Uit: 1000 Vissen, een verhalenbundel van Thé Lau uit 2007, door Lebowski dit jaar opnieuw uitgegeven.

Thé Lau (1952) is geboren in Bergen, Noord Holland. Hij is zanger en tekstschrijver van The Scene en maakte enkele succesvolle soloalbums. In 2000 debuteerde hij met de verhalenbundel De sterren van de hemel, en publiceerde verder 1000 vissen, Hemelrijk en In de dakgoot. Op 1 september 2014 verschijnt zijn nieuwe roman, Juliette.