Charles Bukowski

Factotum


1

Toen ik om vijf uur ’s ochtends in New Orleans aankwam regende het. Ik bleef een tijdje in het busstation zitten, maar de mensen deprimeerden me, dus pakte ik mijn koffer en ging naar buiten in de regen en begon te lopen. Ik wist niet waar ik een kamer kon vinden, waar de arme buurt was.

Ik had een kartonnen koffer die zowat uit elkaar viel. Die was ooit zwart geweest, maar de zwarte verf was er afgeschilferd en het gele karton was zichtbaar geworden. Ik had dit proberen op te lossen door zwarte schoenpoets over het blootgekomen karton te smeren. Terwijl ik in de regen verder liep, begon de schoenpoets op de koffer uit te lopen, en zonder het te weten wreef ik zwarte strepen op mijn beide broekspijpen telkens als ik de koffer in mijn andere hand nam.

Nou ja, het was een nieuwe stad. Misschien zou ik geluk hebben.

Het hield op met regenen en de zon kwam te voorschijn. Ik was in de zwarte wijk. Ik liep traag verder.

‘Hé, zielige bleekscheet!’

Ik zette mijn koffer neer. Op het trapje van een veranda zat een halfbloed en ze schommelde met haar benen. Ze zag er verdomd goed uit.

‘Hallo, zielige bleekscheet!’

Ik zei niets. Ik stond daar alleen maar en keek naar haar.

‘Wat dacht je van ’n nummertje, zielige bleekscheet?’

Ze lachte naar me. Haar benen waren hoog over elkaar geslagen en ze schopte met haar voeten; ze had mooie benen, hoge hakken, en ze schopte met haar benen en lachte. Ik pakte mijn koffer op en liep over het tuinpad naar haar toe. Toen merkte ik dat een gordijn aan een raam links van me een beetje bewoog.

Ik zag het gezicht van een zwarte man. Hij leek op Jersey Joe Walcott. Ik liep het pad weer af naar het trottoir. Haar lach achtervolgde me door de hele straat.

2

Ik had een kamer op de eerste verdieping tegenover een bar. De bar heette The Gangplank Café. Vanuit mijn kamer kon ik door de open bardeuren in de bar kijken. Ik zag een paar ongure gezichten in die bar, een paar interessante gezichten. Ik bleef ’s nachts in mijn kamer en dronk wijn en keek naar de gezichten in de bar terwijl mijn geld opraakte. Overdag maakte ik lange trage wandelingen. Ik zat urenlang naar duiven te staren. Ik at één maaltijd per dag om wat langer met mijn geld toe te komen. Ik ontdekte een morsig café met een morsige baas, maar je kreeg er een uitgebreid ontbijt – pannenkoeken, grutten, worst – voor heel weinig geld.

3

Op een dag ging ik, zoals gewoonlijk, de straat op en liep wat te slenteren. Ik was opgewekt en ontspannen. De zon was precies goed. Zacht. Er hing rust in de lucht. Toen ik het midden van het blok naderde, zag ik een man in de deuropening van een winkel staan. Ik wandelde voorbij.

‘Hé, makker!’

Ik bleef staan en draaide me om.

‘Zoek je werk?’

Ik liep naar hem terug. Over zijn schouder kon ik een grote donkere kamer zien. Er stond een lange tafel met mannen en vrouwen aan weerszijden. Ze hielden hamers vast waarmee ze op voorwerpen sloegen die voor hen lagen. In het donker leken de voorwerpen op mosselen. Ze roken als mosselen. Ik draaide me om en liep de straat verder af.

Ik herinnerde me hoe mijn vader elke avond thuiskwam en tegen mijn moeder over zijn werk praatte. Dat begon als hij de deur binnenstapte, ging door tijdens het avondeten en eindigde in de slaapkamer waar mijn vader om acht uur ‘Lichten uit!’ schreeuwde, zodat hij zijn rust kreeg en krachten kon opdoen voor het werk de volgende dag. Alles draaide om zijn werk.

Op de hoek werd ik aangeklampt door een andere man.

‘Luister ’s, vriend…’ begon hij.

‘Ja?’ vroeg ik.

‘Luister ’s, ik ben ’n veteraan uit de Eerste Wereldoorlog. Ik heb m’n leven op ’t spel gezet voor dit land, maar niemand neemt me in dienst, niemand geeft me werk. Wat ik gedaan heb wordt niet op prijs gesteld. Ik heb honger, kun je me niet helpen…?’

‘Ik heb geen werk.’

‘Je hebt geen werk?’

‘Dat klopt.’

Ik liep weg. Ik stak de straat over.

‘Je liegt!’ schreeuwde hij. ‘Je werkt. Je hebt ’n baan!’ Een paar dagen later zocht ik een baan.

4

De man achter het bureau droeg een gehoorapparaat en het snoer liep naar beneden langs de zijkant van zijn gezicht tot in zijn hemd waar hij de batterij verborg. Het kantoor was donker en gezellig. Hij droeg een versleten bruin pak met een verkreukeld wit overhemd en een stropdas die aan de randen gerafeld was. Hij heette Heathercliff.

Ik had de advertentie in de plaatselijke krant gezien en de firma was in de buurt van mijn kamer.

Zoek ambitieuze jonge man die aan de toekomst wil werken. Erv. niet nodig. Begin in expeditieafdeling en klim op.

Ik stond buiten te wachten met vijf of zes jonge mannen die allemaal probeerden er ambitieus uit te zien. We hadden onze sollicitatieformulieren ingevuld en stonden nu te wachten. Ik werd als laatste binnengeroepen.

‘Meneer Chinaski, waarom bent u bij de spoorwegen weggegaan?’

‘Tja, ik zie geen toekomst in de spoorwegen.’

‘Ze hebben goede vakbonden, gezondheidszorg, pensioen.’

‘Op mijn leeftijd kan pensioen zo goed als overbodig worden beschouwd.’

‘Waarom bent u naar New Orleans gekomen?’

‘Ik had te veel vrienden in Los Angeles, vrienden van wie ik het gevoel had dat ze m’n carrière in de weg stonden. Ik wilde ergens naartoe waar ik me kon concentreren zonder te worden lastig gevallen.’

‘Hoe weten we dat u ’t een tijdje bij ons zult volhouden?’

‘Misschien doe ik dat wel niet.’

‘Waarom niet?’

‘Uw advertentie stelde dat er toekomst was voor ’n ambitieuze man. Als hier geen toekomst is, dan moet ik weer vertrekken.’

‘Waarom hebt u zich niet geschoren? Hebt u ’n weddenschap verloren?’

‘Nog niet.’

‘Nog niet?’

‘Nee, ik heb met m’n huisbaas gewed dat ik binnen ’n dag werk zou vinden, zelfs ongeschoren.’

‘Goed, u hoort van ons.’

‘Ik heb geen telefoon.’

‘Dat geeft niet, meneer Chinaski.’

Ik vertrok weer en ging terug naar mijn kamer. Ik ging door de smerige gang en nam een heet bad. Toen trok ik mijn kleren weer aan en liep de straat op en kocht een fles wijn. Ik keerde terug naar mijn kamer en zat bij het raam en dronk en keek naar de mensen in de bar, naar de mensen die voorbijliepen. Ik dronk langzaam en overwoog weer een revolver aan te schaffen en het vlug te doen — zonder er te veel woorden en gedachten aan te verspillen. Een kwestie van lef. Ik vroeg me af of ik wel lef had. Ik dronk de fles leeg en kroop in bed en sliep. Ik werd om een uur of vier ’s middags gewekt door geklop op de deur. Het was een jongen van Western Union. Ik opende het telegram.

m.h. chinaski. morgenvroeg 8 u aanmelden.
r.m. heathercliff co.

5

Het was een firma die tijdschriften verspreidde en we stonden aan de inpaktafel en controleerden de bestellingen om te zien of de aantallen wel met de facturen overeenstemden. Daarna tekenden we de factuur en pakten de bestelling in voor verzending buiten de stad, of we legden de tijdschriften opzij voor plaatselijke levering per vrachtwagen. Het werk was makkelijk en saai, maar er heerste voortdurend onrust onder het personeel. Ze maakten zich zorgen om hun baan. Er waren zowel jonge mannen als vrouwen en er leek geen echte opzichter te zijn. Na een paar uur begonnen twee vrouwen te ruziën. Het ging over de tijdschriften. We waren stripverhalen aan het inpakken en er was iets misgegaan aan de andere kant van de tafel. De twee vrouwen wonden zich meer en meer op tijdens de discussie.

‘Luister ’s,’ zei ik, ‘deze blaadjes zijn het lezen niet eens waard, laat staan dat je er ruzie over maakt.’

‘Hoor ’s,’ zei een van de vrouwen, ‘we weten dat je je te goed voelt voor dit werk.’

‘Te goed?’

‘Ja, je houding. Denk je soms dat we ’t niet hebben gemerkt?’

Toen had ik voor het eerst door dat het niet voldoende was je werk gewoon te doen, je moest je ervoor interesseren, je moest er zelfs een passie voor hebben.

Ik werkte daar drie of vier dagen, en toen werden we op vrijdag uitbetaald, precies volgens het aantal uren dat we hadden gewerkt. We kregen gele enveloppen met groene bankbiljetten en de juiste hoeveelheid kleingeld. Echt geld, geen cheques.

Tegen sluitingstijd kwam de vrachtwagenchauffeur iets vroeger terug. Hij zat op een stapel tijdschriften en rookte een sigaret.

‘Ja, Harry,’ zei hij tegen een van de medewerkers, ‘ik heb vandaag opslag gekregen. Ik heb twee dollar opslag gekregen.’

Na m’n werk haalde ik een fles wijn, ging naar mijn kamer, nam een slok, ging naar beneden en belde mijn firma op. De telefoon ging een hele tijd over. Ten slotte nam meneer Heathercliff op. Hij was er nog.

‘Meneer Heathercliff?’

‘Ja?’

‘U spreekt met Chinaski.’

‘Ja, meneer Chinaski?

‘Ik wil twee dollar opslag.’

‘Wat?’

‘U hoort me goed. De vrachtwagenchauffeur heeft opslag gekregen.’

‘Maar hij werkt al twee jaar bij ons.’

‘Ik heb opslag nodig.’

‘Je krijgt zeventien dollar per week en je vraagt er negentien?’

‘Inderdaad. Krijg ik ze of niet?’

‘Dat kunnen we echt niet doen.’

‘Dan kap ik ermee.’ Ik hing op.


Uit: Factotum, vertaald uit het Amerikaans door Diederik van den Abeele. Verschijnt oktober 2014.


Charles Bukowski (1920–1994) werd geboren in Duitsland en emigreerde op jonge leeftijd met zijn ouders naar Los Angeles, waar hij tot zijn dood woonde. Bukowski’s jeugd was er een van armoede en ellende, met een werkloze, gewelddadige vader. Charles groeide op als verlegen einzelgänger met een Duits accent, een zware vorm van acne en hij ontwikkelde al op jonge leeftijd een alcoholverslaving. Troost vond hij in het schrijven. Bukowski verliet de schoolbanken, studeerde twee jaar journalistiek en publiceerde op 24-jarige leeftijd zijn eerste korte verhaal. Hierna zwierf hij door de Verenigde Staten en schreef gedurende tien jaar niets. In 1943 werd hij afgekeurd voor militaire dienst. In de jaren vijftig keerde hij terug naar LA, waar hij op een postkantoor werkte. In 1969 zegde hij zijn baan op en begon aan de roman Postkantoor, die zoals al zijn werk bijna geheel autobiografisch is. Dankzij de rauwe toon en de realistische thematiek — seks, drank en geldgebrek — bereikte het werk van Bukowski een absolute cultstatus.

Show your support

Clapping shows how much you appreciated Lebowski Publishers’s story.