Esther J. Ending

Een eigen eiland


Maart 1987

De middag dat ze werd aangehouden door de Guardia Civil had ze net geluncht bij Es Pins. Het was een eenzame lunch geweest. De vrienden met wie ze had afgesproken hadden de patrouillewagen van een afstand zien staan en waren, zo zou later blijken, een andere weg ingeslagen. Daar hadden ze verschillende redenen voor gehad. Iets illegaals op zak, hasj, wiet of coke. Geen motorrijbewijs, of een rijbewijs vol spelfouten dat volgens microscopische lettertjes uit Thailand kwam. Geen APK. En niemand was verzekerd, aangezien motorverzekeringen door het stijgende aantal ongelukken onbetaalbaar waren geworden.

De amandelbomen stonden in bloei, uitzonderlijk laat nog dit voorjaar, bruisend wit. Het was een heldere, diepblauwe dag, ondanks de hevige rukwinden al aangenaam warm. Vooral het harde waaien zou haar bijblijven, een soortgelijke wind zou haar ogenblikkelijk terug kunnen brengen naar die middag, net als de geuren die hij met zich meedroeg: brandend dennenhout, salie, chumbo cactus en johannesbroodbonen.

Tegen de tijd dat ze hem zag — in uniform, uiteraard, het welbekende lichtgroene shirt op een donkergroene broek, zijn haar donkerblond of lichtbruin, hierover was ze bij nader inzien niet zeker — was er geen ontkomen meer aan. Zonder rijbewijs, motorpapieren en verzekering reed ze op de schetterende Bultaco zijn schaduw binnen.

Die avond, met een fles whiskey op haar vaders patio, in het karige licht van de rieten lamp, zag ze hem voortdurend voor zich. Meneer de Guardia Civil, strak in het groen alsof hij nooit iets anders droeg, de gesp van zijn riem waar zijn wapens aan hingen versierd met het symbool van kroon, bijl en zwaard. Ondanks deze heldere details verloor ze soms zijn gezicht, ze wist niet eens of ze hem in burgerkleding zou herkennen, maar ze wist wel zijn naam, want ze had zijn partner zijn naam horen roepen: Ramiro.

Ramiro. Daar zat het woord ‘zee’ in, mar, net als in haar eigen naam, Marianne. Bij hem in omgekeerde vorm, dat wel, en hoe kon het ook anders: zijn zee als dag en nacht zo verschillend van die van haar. Haar mar stond voor water dat niet beteugeld werd, dat met veel bombarie alle kanten op klotste om uiteindelijk langs de weg van de minste weerstand in een poreuze bodem te verdwijnen. Zijn zee — ze had het gezien, hoe hij uit zijn ogen keek, op zijn benen stond — leek haar eerder un mar como un plato, de zee als een bord zo stil, een zee volkomen onder controle.

Tegen de tijd dat de avond overliep in de nacht en de whiskey onder het etiket verdween, had ze van Ramiro een hechte vriend gemaakt met wie ze in nachtcafés aan de bar hing, waar hij over de bijzonderheden van zijn werkdag uitweidde, zoals de lichaamsdelen die hij van Ibiza’s dodelijke wegen had moeten schrapen. Ze stelde zich voor hoe zij hem op haar beurt vertelde dat ze niemand — niémand — op Ibiza kon bedenken die geen enorme hekel had aan de Guardia Civil.

‘We haten jullie, Ramiro. Nee, maak je geen zorgen, ik ga niet over de Burgeroorlog beginnen — die oude koeien laten we rusten. We haten jullie omdat jullie onze nachten verstoren. Omdat, als we onderweg zijn naar vollemaanfeesten, jullie ons langs verlaten zandwegen met een dozijn glanzende Nissan Patrol-wagens staan op te wachten, een donkergroen peloton aan manschappen in het ijselijke maanlicht, omringd door de geur van dennen en rozemarijn, door het opstuivende zand en het aanhoudende gekrijs van krekels. Met tussen jullie in, zo zien we in het licht van onze koplampen, een dokter met een lange witte jas en latex handschoenen aan, die ons eveneens zonder te knipperen aanstaart, zodat het voelt alsof we een horrorfilm zijn binnengereden, een film over nazi’s of buitenaardse wezens, Duitse herders even zielloos als hun baasjes, met een bezeten blik en oren gespitst terwijl ze wachten op een teken, een of ander teken om onze organen eruit te mogen scheuren, onze harten die hard en onregelmatig in onze kelen bonzen terwijl we sneller dan het licht, als de auto’s vóór ons al naar de kant gesommeerd worden, de gehele voorraad in onze jas‑ en broekzakken wegslikken, opsnuiven, de wiet en de xtc en de coke, alles door elkaar, zodat we in plaats van in een gevangeniscel ook weleens in het ziekenhuis belanden. Om dit soort dingen haten we jullie dus. We haten jullie omdat jullie in Baskenland in de strijd tegen de ETA geleerd is hoe je je tegenstander zo koud en gevoelloos en zonder te knipperen aan kunt blijven kijken dat zelfs het kalmste gemoed het begeeft. Al heeft mijn vader mij jullie trucje uitgelegd (je tegenstander niet ín de ogen maar net boven de neushoek aanstaren), de angst wordt er niet minder om, die heeft zich in ons bloed genesteld. Ik kan me geen jaren herinneren zonder confrontaties, zoals toen jullie onze deur intrapten en bleven schreeuwen: donde esta la coca! Donde esta el polvo!, en ik Freddy de Teddy van jullie messen wilde redden omdat jullie ervan overtuigd waren dat mijn beertje vol drugs zat. En kijk, daar zijn we dan: mijn vader. Mijn vader haat jullie natuurlijk het meest. Als hij zou weten dat ik aan jou dacht, een Guardia Civil, op een willekeurig tijdstip op de dag, en al was het maar voor een enkele minuut, hij zou je willen vermoorden. Dat kan hij niet doen, voorlopig, want hij zit in de gevangenis in Liverpool. Hij zit vast om dezelfde reden waarom zoveel Ibizianen vroeg of laat even vastzitten, wat voor iemand zoals jij wel geen nieuws zal zijn, aangezien de jongens van Interpol hier regelmatig op terrasjes hun koffie en croissantjes nuttigen… ik heb het natuurlijk niet over de opgeschoten dealertjes met oogtics en andere neuroses die Ibiza van partydrugs voorzien, maar over de bazen boven hun bazen, de discrete heren die het leeuwendeel van hun ondergrondse zaken elders afhandelen, onder het motto: je pist niet waar je slaapt…’

Niets van dit alles zou hij ooit te horen krijgen, zeker niet van haar, al was het maar omdat ze hem naar alle waarschijnlijkheid nooit meer zou zien. Toch bleef ze de middag herdenken, ook later in bed toen ze achter de gordijnen de horizon roze zag kleuren maar nog steeds niet had geslapen.

Zij op de 125cc Bultaco, die trouwens niet van haar was maar van haar vader en die ze helemaal niet had mogen lenen. Dan bedacht ze hoe ongelooflijk het was dat hij haar had laten gaan, ook al had ze hem geen rijbewijs en geen verzekering kunnen tonen en haar helm om haar arm in plaats van op haar hoofd gedragen. Die helm moest ze bij het afscheid opzetten, dat wel, maar dat was ook wel het minste wat ze kon doen na dat verlossende gebaar, terwijl hij ongetwijfeld vermoed moet hebben dat ze weleens te jong kon zijn voor een motorrijbewijs en uit haar stille paniek wel op kon maken dat haar verhaal over de verzekering (thuis, in een jampot op het aanrecht) gelogen was. Oké, zijn partner, die in de weer was met de inzittenden van een rode Volkswagen, had hem nodig gehad, misschien dat hij daarom de zaak met haar wilde afhandelen. Maar hij had erbij geglimlacht, en dat snapte ze niet. Guardia Civils glimlachen nooit. Nu, als ze probeerde te slapen, zag ze die glimlach telkens voor zich, en zijn schoen, zijn laars om precies te zijn, die zag ze ook, de laars onder zijn groene uniformbroek waarmee hij terloops door het grind wroette alsof hij hoopte iets waardevols te vinden. Terloops, dat was het woord, zoals hij sprak, zijn glimlach, maar hij was natuurlijk een keiharde Guardia, net als alle anderen. Als hij geweten had dat ze in haar achterzak een envelop met xtc-pillen had zitten, genoeg voor zeker een jaar gevangenis, had hij niet meer geglimlacht. Dan had hij haar hardhandig in de boeien geslagen, zijn partner erbij geroepen en via de tetraradio van de patrouillewagen de centrale laten weten dat hij onderweg was met een drugskoerier.

Of stel je voor dat hij geweten had wat ze vorige maand had gedaan. Wat ze in haar beha had zitten toen ze na een weekendje Londen op het vliegveld van Ibiza aankwam. Een kwart miljoen aan Duitse marken — zij die bijna geen borsten had leek sprekend op Brigitte Bardot, de douaniers wisten niet waar ze moesten kijken. Ze had expres een truitje gekocht met een laag decolleté, want wat dat betreft waren zelfs dit soort mannen voorspelbaar; kwam er een meisje met enorme tieten aan, keken ze gestrest de andere kant op, bang om te worden aangezien voor perverseling of pedo.

Het probleem was: hoe harder ze probeerde te denken hoe slecht hij was, hoe vaker ze aan hem dacht.


Uit: Een eigen eiland, van Esther J. Ending. Nu verkrijgbaar.


Esther J. Ending (1972) groeide op op het Spaanse eiland Ibiza. Sinds 1994 woont ze in Nederland. In 2004 debuteerde ze met haar roman Na Valentijn, waarvoor ze de Debutantenprijs ontving. In 2012 verscheen haar tweede roman, Stille mensen.

Haar nieuwste roman, Een eigen eiland, is nu uit bij Lebowski Publishers.


Ibiza, de jaren tachtig. Mariannes vader zit een gevangenisstraf uit en met haar hippiemoeder heeft ze een moeizaam contact. Als ze op een regenachtige middag motorpech heeft, krijgt ze een lift van twee leden van de gevreesde en gehate Guardia Civil. Marianne is sterk onder de indruk van een van hen. Terwijl haar vaders villa wordt ontmanteld en haar moeder steeds onredelijker wordt, neemt haar fascinatie obsessieve vormen aan. In een waas van alcohol en drugs dreigt ze niet alleen zichzelf, maar ook de mensen in haar omgeving naar de rand van de afgrond te jagen.

‘Een onthullend portret van de duistere kanten van Ibiza, dapper weergegeven’ Jan Cremer

‘Prachtige roman uit de schoot van Ibiza’ Thomas Rosenboom

‘Net als in haar eerste twee romans is de schrijfstijl van Ending in Een eigen eiland aangenaam vloeiend. Je gaat vanzelf mee in de ‘flow’. Ongemerkt word je meegezogen in de draaikolk van het hoofdpersonage. Ending is als schrijfster opnieuw gegroeid. En zoals het hoort bij een echte roman, blijkt uit het nawoord dat ze de feiten een beetje verdraaid heeft. Het stormachtige weer vond in een ander jaar plaats. De Nissan Patrol-wagens werden pas iets later in gebruik genomen. De werkelijkheid kantelen in dienst van het verhaal. Zo hoort het!’ Literatuurplein, Guus Bauer