Evan S. Connell
Mevrouw Bridge (fragment)
7 • Alice Jones
Die zomer begon Carolyn te spelen met Alice Jones, de dochter van de zwarte tuinman die voor de buren werkte. Elke zaterdagmorgen kwam hij aangelopen van de kant van de tramlijn terwijl zijn dochter Alice om hem heen sprong en huppelde. Zodra het huis van de familie Bridge in zicht kwam holde ze voor haar vader uit met zwierende vlechten. Binnen een paar tellen stond ze bij de achterdeur en drukte met twee handen op de bel. Vaak was mevrouw Bridge in de keuken bezig zilver te poetsen of de maaltijden voor het weekeinde voor te bereiden terwijl Harriet elders in huis het zwaardere schoonmaakwerk deed, dus meestal deed mevrouw Bridge open.
Alice Jones was altijd buiten adem van het hollen en haar ogen schitterden vol verwachting terwijl ze vroeg of Corky buiten mocht komen spelen.
‘Nou, dat mag wel,’ zei mevrouw Bridge met een glimlach. ‘Als jullie twee je maar gedragen.’
Tegen die tijd kwam de tuinman de oprijlaan van de buren op lopen en zei ze door de hordeur: ‘Goedemorgen, Jones.’
‘Goeiemorgen, mevrouw Bridge,’ reageerde hij altijd. ‘Heb u last van dat kind?’
‘Totaal niet! We vinden het leuk als ze er is.’
Intussen verscheen Carolyn en vervolgens begonnen de kinderen aan hun dag. Carolyn blonk op school weliswaar uit maar ze had niet veel fantasie, en wat ze ook voorstelde die dag te gaan doen, Alice Jones had altijd een beter idee. Sommige van haar voorstellen verbijsterden Carolyn enigszins, en een paar minuten lang deed ze wrevelig en uit de hoogte, maar als ze merkte dat Alice zich niet liet intimideren zwichtte ze en vermaakte ze zich.
Op een ochtend besloten ze de radiogrammofoon uit elkaar te halen en met de kabouters in het kastje te gaan praten; een andere ochtend maakten ze boterhammen klaar en vulden een thermosfles met melk omdat ze op reis wilden naar Cedar ‘Rabbits’, Iowa. Een andere keer schreven ze een vrolijke lange brief aan Sears, Roebuck and Co. waarin Alice vertelde dat ze mensen vermoordde. Op sommige zaterdagen voerden ze uitermate dramatische toneelstukken op die uren duurden — met onderbrekingen voor andere spelletjes — waarbij de hoofdrol altijd door Alice Jones gespeeld werd omdat ze op haar lagere school in het noorden van de stad steevast de Sneeuwkoningin was of de Goede Fee of een ander even vooraanstaand personage. Carolyn, wier toneelervaring beperkt was gebleven tot een Thanksgiving-sketch waarin ze een ui had gespeeld, maakte zelden bezwaar en had zelfs enige moeite de plot te volgen.
Lang voor twaalven kwamen ze aan de achterdeur vragen of het nog geen lunchtijd was, en als Harriet, of soms mevrouw Bridge, uiteindelijk de tafel in de ontbijtkamer voor ze dekte, zetten ze de radio aan zodat ze tijdens de lunch naar de vee- en vleesberichten konden luisteren, die Alice Jones dolkomisch vond.
Op een keer reed er een brandweerwagen langs het huis en riep Alice, haar hoofd schuddend van verbazing: ‘Daar gaan ze weer! Wie gane ze nou weer platbranden?’
Ontzet over de boosaardigheid van de brandweermannen rolde ze met haar ogen, zuchtte, en nam nog een portie karamelpudding.
Mevrouw Bridge, die een boodschappenlijst aan het maken was, stopte even en lachte de beide kinderen vertederd toe, blij dat Carolyn zich van geen verschil tussen hen bewust was.
Alice en haar vader verschenen elke zaterdag, en de beide kinderen, een enkele maal met Ruth erbij — speelden altijd even ongedwongen met elkaar als op de zaterdag dat ze elkaar hadden leren kennen. De tuinman vroeg steevast aan mevrouw Bridge of Alice niet lastig was; mevrouw Bridge verzekerde hem altijd glimlachend van niet.
Iedere zomer ging de familie Bridge een maand naar Colorado; ze lieten Jones die maand het gras water geven als hij klaar was met zijn werk bij de buren, en dan vermaakte Alice zich in de vertrouwde tuinen en vroeg geregeld aan haar vader wanneer Corky weer terugkwam.
‘Over niet al te lang,’ luidde zijn antwoord meestal, maar op een keer zweeg hij, en alsof hij aan de toekomst dacht zei hij raadselachtig en een beetje treurig tegen haar: ‘Ze ken ook wel ’s niet terugkommen, kindje.’
Maar uiteindelijk was de vakantie voorbij en kwam Carolyn terug, een en al opgewektheid en wereldwijsheid.
‘De bergen zijn ontzettend groot,’ zei ze nuffig, en haar moeder napratend: ‘Het was gewoon verrukkelijk.’
Dan zei Alice Jones: ‘Weet je wat ik in m’n zak heb zitten?’
Carolyn, die er weinig voor voelde weer de planeet te worden in plaats van de ster, veinsde minachting.
‘Kan mij wat schelen,’ verklaarde ze, en wendde zich koeltjes af.
‘Een mensenmaag,’ mompelde Alice met een geheimzinnig gezicht, en weldra was Carolyn ervan overtuigd dat een zomer in Kansas City veel spannender geweest was dan in de bergen. Ze zei dat ook tegen haar moeder, die op dat moment te veel aan haar hoofd had en een beetje kortaf zei: ‘Doe niet zo mal, schat.’
En mevrouw Bridge wilde eraan toevoegen dat er behalve Alice vast wel andere meisjes waren om mee te spelen, maar ze zei het niet; ze aarzelde en zei toen: ‘Corky, je weet best dat je het leuk vond in Colorado.’
Binnenkort, zo wist ze, zouden de meisjes van elkaar vervreemden. De tijd zou de zaak oplossen.
Uit: Mevrouw Bridge, van Evan S. Connell. Vertaling door Bartho Kriek. Verschijnt samen met Meneer Bridge in mei 2014.

Mevrouw Bridge is huisvrouw en moeder in een buitenwijk van Kansas City, waar zij haar drie kinderen opvoedt, het huishouden doet en haar echtgenoot Walter verzorgt. Ze winkelt, speelt bridge en gaat naar de country club. Ze merkt dat haar eigen dromen niet worden vervuld, maar ze kan niet bevatten waarom. Terwijl haar kinderen opgroeien en zij zich van haar vervreemden, stelt mevrouw Bridge — aardig en toch onverdraagzaam, rijk en toch eenvoudig — steeds vaker de vraag: wat is mijn plek in de wereld?

Evan S. Connell (1924-2013) studeerde aan de Universiteit van Columbia in New York en de Universiteit van Stanford in Californië. Naast zijn romans Meneer Bridge (1959) en Mevrouw Bridge (1969), beide verfilmd met acteurs Paul Newman en Joanne Woodward in de hoofdrollen, schreef hij vele romans, korte verhalen, non-fictie en poëzie, waaronder the bestseller Son of the Morning Star (1987), een biografie over Generaal Custer. In 2009 werd hij genomineerd voor de Man Booker International Prize en in 2010 ontving hij de Los Angeles Times Book Prize award. Hij overleed in 2013 in New Mexico.