Je slaapt. In je klassieke opstelling, op de bank, in onderbroek, voor de televisie die aanstaat. Ik zet hem uit. In de kamer waar het eindelijk stil is drijft het zachte licht van een herfstmiddag. Jouw profiel, op de grens van volwassenheid, komt aarzelend over, alsof het kind dat je bent geweest het nog voor zichzelf wil opeisen. De onderuitgezakte onsamenhangendheid van je lichaam valt weg bij je intacte gezicht, je gladde gelaatstrekken. Je adem is licht, je voorhoofd ontspannen, je oogleden glad en strak als een nooit geopend boek. Ik heb het heel duidelijke gevoel dat dit moment — precies dit moment — het laatste moment van je kindertijd is. Die kinderlijke gloed, die zelfs soms nog bij oude mensen de sporen van het begin zichtbaar maakt, zal verdwijnen en vervolgens in de loop van de jaren steeds minder vaak terugkomen. Maar op dit moment heeft jouw slapende gezicht een zuiverheid van lijnen die nooit meer te evenaren en dus definitief lijkt: het bevat een vaarwel aan de (weinige) jaren van onschuld.

Ik denk aan hoe makkelijk het was om van je te houden toen je klein was. Aan hoe moeilijk dat nu is, nu onze posturen gelijk zijn, nu jouw stem op de mijne lijkt en dus aanspraak maakt op dezelfde klanken en volumes, nu de ruimte die wordt ingenomen door onze lichamen dezelfde is.

De natuurlijke liefde die men koestert voor kinderen is geen verdienste. Die vereist geen andere vermogens dan instinctieve. Ook een idioot of een cynicus is daartoe in staat. De teef die voor het eerst werpt is totaal onervaren maar zij opent met haar tanden de placentazak, likt de neus van haar pups zodat ze gaan ademen, zorgt dat ze op haar buik glijden en geeft zich over aan het gulzige zuigen van zeven, acht levensdiefjes. Het is jaren later, het is wanneer je kind (de hulpbehoevende engel die jou het gevoel gaf dat je god was omdat je hem voedde en beschermde, en jij vond het fijn om je sterk en goed te voelen) zich transformeert in een gelijke van jou, in een man, in een vrouw, kortom in iemand zoals jij, het is dán dat van hem houden de deugden vereist waar het op aankomt. Geduld, geesteskracht, autoriteit, strengheid, generositeit, voorbeeldigheid… veel, veel te veel deugden voor iemand die intussen probeert verder te leven.

‘Iemand die intussen probeert verder te leven’, dat is een eerlijke definitie van de gemiddelde ouder: ik bedoel ouders van mijn generatie, maar voor de volledigheid — maar met veel minder bezorgdheden dan wij — ook de ouders die ons zijn voorgegaan. Met het sterke vermoeden — bijna een zekerheid — dat de vorige generaties veel beter waren uitgerust dan de onze, waar het aankwam op de kunst niet over zich heen te laten lopen door hun kinderen.

Toen ik klein was mochten kinderen niet samen met de ouders aan tafel zitten zolang ze zich niet wisten te gedragen. De ouders wilden rustig eten en praten. Kinderen zijn hinderen aan tafel, ze onderbreken, ze eisen alle aandacht op. Ik weet niet of het goed of fout was om ze uit te sluiten van de grotemensendis. Maar het was in elk geval wel functioneel: en mijn ervaring is dat het dat ook was voor ons, de kinderen.

Bij mijn grootouders thuis, aan zee, tijdens de eindeloze zomeravonden, aten mijn broer en ik vooruit, in de keuken of liever nog op het terras. We zaten aan een tafeltje van rood en wit ijzer en genoten van een speciaal menu dat ons vrijstelde van de dreigende gruwelen die in gereedheid werden gebracht voor de volwassenen. Gewoonlijk werd er voor ons een helder soepje bereid (het liefst met griesmeel en heel veel Parmezaanse kaas), tong, stukjes perzik en af en toe een weelderige crème caramel die werd opgediend uit een taartvorm met vakjes. De volwassenen kwamen om de beurt bij ons kijken en ik herinner me met dankbaarheid de korte duur van die inspecties, de opgewekte eenlettergrepige woorden waarmee ze zich van het klusje afmaakten terwijl ze het ijs in hun glas lieten tinkelen, en terwijl zij weer verdwenen in de eetkamer, het vooruitzicht daar te kunnen blijven en in alle rust op een ligstoel de Donald Duck te lezen onder het gefluit van de zwaluwen in het dovende licht. Het was zo’n zeldzaam moment waarop de onbeweeglijke tijd van mijn jeugd in een voorspelling zijn onbegrijpelijke verstrijken onthulde. Maar de nacht hoefde maar te komen, met al die feestelijke sterren, de lichtjes van de boten op zee, het geritsel en de stank van de muggen en de nachtvlinders die werden geëlektrocuteerd door de blauwige grill die aan de terrasmuur hing, of alle weemoed werd weggeveegd om mij terug te geven aan het oneindige geluk van de zomer.

Nu ik eraan terugdenk realiseer ik me dat ik die afgezonderde maaltijden niet heb ervaren als buitensluiting maar als uitbreiding. Zolang ik bouillon met griesmeel, tong en crème caramel kon eten met mijn broer tussen de zwaluwen die rakelings over het terras scheerden, betekende dat dat ik kind kon blijven. Dat ik kind was. Dat ik zo die ingewikkelde, geestige, soms nerveuze conversaties waarmee de volwassenen in de weer waren, kon uitstellen: ik hoefde alleen maar te genieten van de vage weerkaatsing van die ingewikkelde woorden, die mijn ligstoel bereikte. Die weerkaatsing van klanken bevestigde de geruststellende aanwezigheid van de volwassenen, degenen die voor mij zorgden, mijn beschermers. Ik bevond mij in de marge van hun wereld. Maar ik was niet verbannen. Ik was opgenomen in het aura van de grote familie, maar alleen gelaten in mijn periferie van dovend licht, van in gedachten verzonken lamlendigheid, van onverantwoordelijkheid. Kind, een kind dat telt hoeveel punten crème caramel er zijn, zich afvraagt hoeveel hij er nog kan eten en hoeveel zijn broer, en nog niet weet — gelukkig voor hem en voor de redding van zijn geest — dat het tellen van de crème caramelpunten en het inschatten van de honger van je broer je voorbereidt op de strijd van het volwassen leven, het onrustige snakken van de grote mensen, de onderdrukking en de macht…

Met weemoed denk ik terug aan die gelukkige margepositie van mijn kindertijd, aan dat ‘voor-leven’, dat zo gevuld was met geuren, met gelukzalige momenten van eenzaamheid, met lege, stille tijd, wanneer ik de nalatigheden of medeplichtigheden van de volwassenen zie, in restaurants, bij de herrie van hun lieverdjes die uitzinnig rondrennen, hysterisch gemaakt door een opgedrongen promiscuïteit zonder enige toerusting, zonder enige beschaving. Of wanneer ik het treurige exhibitionisme zie van kinderen die door de platvloersheid van hun ouders veranderen in miniatuurvolwassenen, voor de leeuwen van hun wrange ijdelheid en het kindermoorddadige voyeurisme van de grote mensen geworpen. Vanuit het gebied in mijn hersenen waar de reactionairen die deel uitmaken van mijn sensibiliteit en mijn ervaring als in een miniatuurparlement zitting houden, wordt streng vastgesteld dat elke instorting van de orde een onvermijdelijke instorting van de schoonheid betekent: en voordat een nieuwe schoonheid zal ingrijpen om onze levens weer orde en lucht te geven, kunnen er vele jaren of zelfs vele generaties voorbijgaan. De progressieven weten niet wat ze hierop moeten antwoorden en verzoeken om schorsing van de zitting.

Je zou met me naar de Colle della Nasca moeten gaan. Je hebt geen idee hoe mooi je het daar zou vinden. Je hebt geen idee hoe goed het je zou doen. Het is zes uur lopen: niet te lang, niet te kort. Je slaapt in een hotelletje aan de rivier, je wordt wakker om vijf uur, je drinkt koffie en pakt je rugzak in. Je wandelt omhoog, omhoog, je wandelt omhoog over het pad door het lariksbos. Het eerste daglicht straalt met moeite door de dichte takken en je kunt amper zien waar je je voeten zet. Je zweet en je zwijgt. Je ademhaling slaat op hol, wordt onregelmatig en dan heel langzaam weer rustig. Je komt aan bij het meer, je stopt om te ontbijten in het eerste ochtendlicht.

Dan weer omhoog, omhoog, omhoog tot boven de 2000 meter, over het oneindige stenige terrein, tussen de marmotten die fluiten en wegvluchten. Weer zweet je en zwijg je. Je komt bij de bergkam, je gaat verder langs de bergrug die een eindeloze opeenvolging is van omhoog en omlaag lopen, voor de top van de Corno Basso sla je rechtsaf. Je moet hoog boven het brede dal blijven en goed opletten dat je niet afdaalt. Zwetend en zwijgend bereik je de tegenoverliggende helling van de berg, je beklimt een tweede kam die omhoogvoert naar een smalle bergpas tussen twee spitse toppen van leisteen. Dat is de Colle della Nasca. 2700 meter hoog. Daar zijn alleen: leisteen en hemel. Het is de mooiste plek van de wereld. De eerste keer dat ik die klim maakte was ik tien jaar. Mijn vader had me meegenomen.


Uit: Wacht op mij! van Michele Serra. Verschijnt september 2014.

In een sublieme en fijnzinnige stijl beschrijft Michele Serra de verschillen tussen de werelden van ouderen en jongeren en kijkt met een mengeling van woede, liefde en melancholie naar zijn zoon, die zich steeds meer van hem lijkt te vervreemden.


Michele Serra schrijft met de toewijding van een vader, de geest van een moralist en de scherpe tong van een komiek en heeft met Wacht op mij! een klein monument opgericht voor een generatie die de onverschilligheid omarmt lijkt te hebben.

Wacht op mij! is een roman waarin de gebruikelijke tedere ironie en satirische kracht van Michele Serra afgewisseld worden met ontroerende momenten van zeldzame intensiteit. Dit is de pure schoonheid van het schrijven’ La Repubblica

Voorpublicaties & teasers

Leesfragmenten uit te verschijnen boeken

    Lebowski Publishers

    Written by

    De letterknechten van je moeders favoriete boeken.

    Voorpublicaties & teasers

    Leesfragmenten uit te verschijnen boeken

    Welcome to a place where words matter. On Medium, smart voices and original ideas take center stage - with no ads in sight. Watch
    Follow all the topics you care about, and we’ll deliver the best stories for you to your homepage and inbox. Explore
    Get unlimited access to the best stories on Medium — and support writers while you’re at it. Just $5/month. Upgrade