De vijf grootste vijanden van de huidige journalist

Susanne Poot
Aug 12 · 10 min read

Fake news, gemanipuleerde video’s en online trollen: de gereedschapskist om mensen online te misleiden groeit. Hoe zorg je dat je hier als journalist niet intrapt? Dit zijn de vijf belangrijkste bedreigingen.

Tekst: Menno van den Bos

Beeld: Élodie Lascar

Ha, Donald Trump blijkt kaal! Een filmpje waarin het lijkt alsof de Amerikaanse president zijn haarstukje thuis heeft laten liggen werd onlangs massaal gedeeld op Twitter, zelfs door een aantal journalisten. Ook mijn vinger zweefde even boven de retweetknop.

Algauw verscheen een tweet met een waarschuwing: de video, inmiddels acht miljoen keer bekeken, was een trucage. Deze video was nog een gimmick, een relatief onschuldige hoax, maar de technologische mogelijkheden groeien om mensen te desinformeren. En voor wie kwaad wil, ons democratisch proces te ondermijnen.

Voor welke vormen van misleiding moeten we als journalisten beducht zijn? En gaan nieuwe technologieën ervoor zorgen dat nep niet meer van echt te onderscheiden is? Via eigen onderzoek en gesprekken met drie deskundigen zetten we de vijf belangrijkste valkuilen op een rij die feitelijk vijanden zijn voor de journalistiek.

1. Nepnieuws

Sinds de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 is ‘nepnieuws’ een buzzwoord. Nepnieuwsberichten kunnen eenvoudig groot bereik krijgen via sociale media, waar een linkje naar een hoax hetzelfde oogt als een krantenartikel. De algoritmen van Facebook en Twitter belonen sensatie en zo gaat nepnieuws snel viraal.

Iedereen met internet kan nepnieuws verspreiden. ‘Vorig jaar klikten meer dan achthonderdduizend Nederlanders op een bericht van twee veertienjarige scholieren waarin een hittegolf werd aangekondigd’, vertelt Ruurd Oosterwoud, desinformatie-expert en oprichter van nepnieuwsspotter DROG.

Dit ‘succesvolle’ bericht werd bedacht tijdens een workshop van Oosterwoud voor een mbo-klas. ‘Nadat we de link deelden op facebookpagina’s van zonliefhebbers, ging het hard.’ (Wie erop klikte kreeg de melding dat het nepnieuws betrof.)

De gemiddelde journalist zal intuïtief wel door zulk nepnieuws heenprikken. Andere varianten zijn doortrapter. Het type desinformatie dat Peter Burger, hoax-onderzoeker aan de Universiteit Leiden, het meest tegenkomt, zijn beelden die weliswaar echt zijn, maar worden gebruikt in een andere context en verschijnen met een misleidend bijschrift.

Beeld: Hilde Harshagen

Zo ging begin mei een twittervideo viraal van raketten die vanuit Gaza afgevuurd zouden zijn op Israël. In werkelijkheid waren het beelden van Oekraïense raketten uit 2014. ‘Je hoeft dus niet te photoshoppen of andere technieken te gebruiken om waanzinnig veel succes te hebben’, zegt Burger.

Bij twijfel over een foto is het verstandig om deze door een ‘omgekeerde zoekmachine’ voor afbeeldingen te halen, bijvoorbeeld in Google Images. ‘Het zou goed zijn als Nederlandse journalisten zo een foto kunnen traceren. In mijn ervaring is dat nog nauwelijks het geval.’ Een andere tip van Burger: ‘Kijk altijd naar eventuele comments; grote kans dat iemand daar al waarschuwt dat het nep is. En altijd geldt: bij twijfel, niet delen of gebruiken.’

2. Deepfakes

Wie een etage dieper in de duistere wereld van online misleiding afdaalt, stuit op deepfakes.

Om een deepfake-video te maken wordt het gezicht van persoon A over de bewegingen in het gezicht van persoon B ‘gelegd’. Resultaat is dat je iemand iets kunt laten zeggen dat eigenlijk door een ander gezegd is. Er bestaan ook audio-deepfakes. Tekst-naar-spraak-technologie en een korte opname van iemands stem is genoeg om diegene woorden in de mondleggen.

Je kijkt naar frames uit een deepfake video waarin Donald Trump acteur Alec Baldwin napraat. De beelden van Baldwin als parodie zijn echt, de video van Trump is nep. YouTube maker ‘Derpfakes’ maakte dit filmpje met weinig middelen, ‘just for fun’. De video had een half miljoen views, al snel blokkeerde YouTube het fragment voor Amerika en Canada.

‘Van tekst weten we dat het onzin kan zijn en van foto’s weten we dat sinds Photoshop ook’, zegt Ruurd Oosterwoud. ‘Maar van video en audio nemen we nog automatisch aan dat het waar is — iets wat we ons brein zullen moeten afleren.’

De technologie achter deepfakes heet deep learning, een vorm van kunstmatige intelligentie die vooral wordt ontwikkeld door instellingen zonder boosaardige doeleinden, zoals de Stanford-universiteit. Voorbeelden van ontwrichtende deepfakes zijn nog schaars. Het meest in de buurt komt een spotje van de Vlaamse politieke partij SP.A, waarin Trump België oproept uit het klimaatakkoord te stappen en waarvan niet iedereen zag dat het nep was.

‘Het is nog onduidelijk hoe je met deepfakes écht problemen kunt veroorzaken’, zegt Oosterwoud. Uit tests van de Volkskrant en NRC blijkt dat je, zelfs met wat technische kennis, niet zomaar een deepfake maakt.

Dat klinkt geruststellend, maar zegt weinig over de toekomst. Kunstmatige intelligentie-toepassingen worden almaar geraffineerder, en bovendien laagdrempeliger. Toen een gebruiker van internetforum Reddit eind 2017 met een zelfgebouwd programma gezichten van beroemdheden in porno wist te plakken, schrokken velen wakker; zó snel kunnen deepfakes invloed hebben op onze echte levens. Of kijk naar de nieuwste Snapchat-filters die het uiterlijk van twee gebruikers op griezelig levensechte wijze laat samensmelten.

Die laagdrempeligheid kan ook positief uitwerken. Door met dit soort technologie te experimenteren, worden we bewust van wat er zoal mogelijk is. Vanuit dat idee bouwt Oosterwoud met zijn startup DROG een soort simulator waarin je elkaar bestookt met allerlei vormen van manipulatie. ‘Je kunt het vergelijken met team-rood dat bij leger-oefeningen expres de boel saboteert. Als je het zelf hebt ervaren, kun je je beter wapenen.’

3. Bots en trollen

Eind 2017 onthulde NRC dat Nederlandse media, waaronder de Volkskrant en het AD twitterberichten van Russische ‘trollen’ hadden geciteerd in nieuwsberichten. Trollen zijn gebruikers die stoken of verwarring zaaien, vaak anoniem. Samen met bots, de geautomatiseerde variant van de trol, maken ze sociale media tot een spiegelpaleis waarin mensen niet altijd zijn wie ze lijken.

De Amerikaanse onderzoeker Aviv Ovadya waarschuwde vorig jaar dat geautomatiseerde botnetwerken zelfs fake grassroots-bewegingen in gang kunnen zetten. Als nepprofielen massaal berichten plaatsen over een onderwerp, kunnen journalisten of volksvertegenwoordigers denken dat er een bepaald sentiment heerst.

Ruurd Oosterwoud deelt Ovadya’s vrees. ‘Veel journalisten hebben dit denk ik niet goed door. Je ziet vaak dat er willekeurige tweets in artikelen worden geplaatst om de stemming over een onderwerp te illustreren. Maar dat is heel eenvoudig te manipuleren.’

Tweets van bots en trollen bevatten vaak ook nepnieuws of hoaxfoto’s. Waakzaamheid is geboden, zeker sinds de toename van snelle berichtgeving rond groot nieuws — denk aan liveblogs vol geruchten en embedded tweets.

Volgens een rapport uit 2018 van het Rathenau Instituut worden bots steeds levensechter. ‘Bots zijn nu meestal te ontmaskeren omdat ze bovenmenselijk snel twitteren of bepaalde taalfouten steeds terugkomen’, zegt Rathenau-onderzoeker Ira van Keulen. ‘Maar de technologie achter bots wordt beter, dus het wordt lastiger dit te achterhalen.’

Oosterwoud stelt dat botlegers gevaarlijker zijn dan los nepnieuws omdat ze een sociologische dynamiek veroorzaken. ‘Als mensen nepnieuws geloven op basis van de inhoud, is dat een minder groot probleem dan wanneer ze het geloven omdat vrienden of kennissen het óók geloven. Er ontstaat dan groepsdruk en die kun je heel goed in scène zetten. Je kunt met tweehonderd accounts al een onderwerp op Twitter domineren. Echte mensen sluiten zich dan ook aan.’

Zulke netwerken ontrafelen is niet eenvoudig. En ze uitroeien is nog lastiger. Peter Burger slaagde er in januari samen met techneut Maarten Schenk in om een netwerk van tientallen handmatig onderhouden Macedonische nep-accounts in kaart te brengen die zelfgemaakt nepnieuws verspreidden. Na melding door Nieuwscheckers werden de accounts door Twitter en Facebook verwijderd. Toch vindt Burger dat de platformen te weinig doen en zich te reactief opstellen. ‘Wij hebben dit netwerk met twee man gevonden, het moet voor grote bedrijven met veel meer middelen toch een eitje zijn om zulke dingen ook te doen?’

Bots en trollen vormen een politiek wapen voor landen die andere landen proberen te beïnvloeden. De Groene Amsterdammer en NRC onthulden in mei dat Russische trollen in de twee dagen na de MH17-ramp minstens 65.000 tweets verstuurden met schimmige theorieën over de toedracht. De trollen werkten voor het inmiddels beruchte Internet Research Agency (IRA), een nepnieuwsfabriek in Sint-Petersburg die zich ook in de Amerikaanse verkiezingen mengde.

Als het in het politieke debat over desinformatie gaat, gaat het al snel over Russische beïnvloeding. Al in 2017 waarschuwde minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren hiervoor. ‘De politiek wil de geur van censuur vermijden’, zegt Van Keulen. ‘Dus als het gaat over desinformatie, hebben ze het liever over buitenlandse dreigingen dan over wat er in Nederland gebeurt.’

Er is reden om alert te zijn. Volgens NRC richt de Russische trollenfabriek zich steeds meer op het buitenland. De berichten waren eerst nog Russisch, nu vooral Engels. Maar Oosterwoud, die afstudeerde op Russische desinformatie, nuanceert de Russische dreiging. ‘Tot 2016 was desinformatie een Russische expertise, maar nu kan eigenlijk iedereen hetzelfde bereiken als het IRA.’

4. Gefingeerde bronnen

Als Ruurd Oosterwoud een journalist zou willen misleiden, zegt hij desgevraagd, zou hij géén botleger kweken of een deepfake in elkaar knutselen, maar een alter-ego creëren. Een nepdeskundige die dankzij een spoor van online broodkruimels betrouwbaar lijkt. ‘Ik kan bijvoorbeeld van mezelf een paar niet bestaande boeken laten opnemen in het online archief van de Koninklijke Bibliotheek. En op LinkedIn kan ik invullen dat ik voor een bepaalde universiteit werk. Ik denk dat ik op die manier veel nieuwssites voor het lapje kan houden.’

Eind 2017 claimde een 17-jarige Hilversummer dat hij honderdduizend euro had verdiend met bitcoin. Onder meer Trouw en het AD interviewden hem. Nieuwscheckers kreeg de tip dat het een onzinverhaal was en bewees dit door een foto van de jongen in de schoolbibliotheek te analyseren. Peter Burger: ‘Die foto haalden we door een tool om metadata uit te lezen, waarin ook de GPS-coördinaten stonden. Daardoor kwamen we erachter dat de foto niet gemaakt was op een school in Hilversum, zoals de jongen beweerde, maar in Laren.’ Hij had bovendien een niet-bestaande achternaam en maar één sociale media-profiel — een Instagramprofiel met slechts drie berichten. Duidelijke aanwijzingen voor bedrog.

Ook wanneer andere media de bron zijn, gaat het soms mis. Denk aan een bericht over de moeder van klimaatactiviste Greta Thunberg. In een boek over haar dochter had ze geschreven dat Greta koolstofdioxide ‘kon zien’. Dit citaat was figuurlijk bedoeld, maar werd door een Zwitserse site uit de context gehaald, waarna Het Laatste Nieuws in België het overnam en het vervolgens Nederlandse media bereikte.

Burger is fel over zulke uitglijders. ‘Als je journalisten vraagt wat belangrijk is, staat feitelijke verslaggeving bijna altijd bovenaan. Toch controleren ze nieuws dat ze van andere media overnemen vaak niet. Ze zijn te goed van vertrouwen.’

Beeld: Beeld: Hilde Harshagen

5. Politieke polarisatie

Desinformatie bestaat al langer, maar wordt vaker gericht gebruikt om de samenleving te ontwrichten. Peter Burger vertelt over de hoax rond de ‘smileybende’ van begin jaren nul. Volgens geruchten was dit een groep Marokkaanse jongens die meisjes de keuze zou geven tussen verkrachting of een verminking in het gezicht. ‘Dat verhaal werd toen vooral door mensen verspreid om elkaar te waarschuwen. Nu is dat ondenkbaar en zou zo’n verhaal over allochtone daders gelijk politiek worden ingezet.’

‘De politieke polarisatie in Nederland is nog niet zo sterk als in de VS, maar groeit wel’, zegt Ira van Keulen ‘Dat maakt de grond voor desinformatie vruchtbaarder.’

De journalistiek is nog erg zoekende naar de beste manier om zich hiertoe te verhouden. Veel media, van The New York Times tot de Volkskrant, investeren in factcheckrubrieken. Ook zijn er factcheck-organisaties zoals Full Fact.

Burger ziet dat er een ‘wapenwedloop’ is ontstaan tussen factcheckers en nepnieuwsmakers die steeds vernuftiger worden. De journalistiek loopt op dat gebied achter, zegt hij. Hij pleit ervoor om op elke redactie één iemand aan te wijzen die zich consequent in de laatste ontwikkelingen verdiept.

Of factchecking dé oplossing is, blijft de vraag. De oude wijsheid dat de waarheid de leugen achterhaalt, staat onder druk. Sommige wetenschappelijke onderzoeken bespeuren een mogelijk averechts effect bij factchecks. Mensen denken ondanks de check dat er toch een kern van waarheid in zal zitten. In andere onderzoeken werd hiervoor weinig bewijs gevonden. Wel zijn wetenschappers het eens dat factchecks helaas een veel kleiner bereik hebben dan de oorspronkelijke leugens.

Volgens Oosterwoud is het goed dat er factchecks zijn, maar vormen ze een bot wapen tegen het bredere probleem dat mensen door de gepolariseerde samenleving een sterk gekleurd wereldbeeld hebben. Individuele factchecks zullen aan dat beeld weinig veranderen.

Het is dan ook geen oplossing om van elke journalist een detective te willen maken, zegt hij. Beter is om bewust te zijn van de gespannen sfeer en die niet te voeden door elke vorm van ophef aandacht te geven. ‘Je moet als journalist de emotie op internet durven downplayen.’

Ira van Keulen roept media op inzicht te geven in hoe ze werken en tot hun voorstelling van de werkelijkheid komen. Ze prijst bijvoorbeeld NU.nl, dat besloot om ontkennende reacties van klimaatverandering op NUjij te verwijderen. Of neem de speciale rubriek waarin NRC bijhoudt welk nieuws de krant bewust niet bracht.

Desinformatie en misleiding zullen zeer waarschijnlijk onderdeel blijven van onze wereld. Het publiek weet dat. Onderzoek van het Reuters-instituut in Oxford laat zien dat dertig procent van de Nederlanders zich zorgen maakt over welke berichten online nog waar zijn. Het beste dat de journalistiek kan doen is laten zien waarom zij wél betrouwbaar is. En dat journalisten dankzij doorwrocht zoekwerk bewijzen bestand te zijn tegen leugens en polarisatie.

Wat kan je als journalist zelf doen? Een paar handige tools

Jezelf trainen in het checken van verdacht materiaal? Met de gratis tools Google Images, TinEye en Yandex kun je foto’s uploaden en de bron achterhalen. Het programma Invid is geavanceerder, maar nog altijd gebruiksvriendelijk en stelt je onder meer in staat de metadata van foto’s in te zien, zoals de datum en locatie waarop de foto gemaakt is.

Met de tools voor sociale media-analyse BuzzSumo en CrowdTangle kun je kijken hoe vaak berichten van een bepaalde site worden gedeeld, waar en door wie. Voor wie echt ambitieus is zijn er betaalde tools zoals Trendolizer, waarmee je kan proberen om complete nepnieuwsnetwerken op te rollen door naar onderlinge overeenkomsten te speuren.

Je verder verdiepen in de manieren om desinformatie te ontrafelen? Kijk op de site van Nieuwscheckers, gebruik de toolkit van onderzoekscollectief Bellingcat of neem contact op met DROG.

Over de schrijver
Menno van den Bos is een Nederlandse antropoloog en journalist. Hij werkt freelance voor Vrij Nederland en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek. Hij schrijft veel over media, liefst vanuit maatschappelijke invalshoeken.

Campus DPG Media

Mediamakers van morgen

Susanne Poot

Written by

Content Manager bij Campus DPG Media

Campus DPG Media

Mediamakers van morgen

Welcome to a place where words matter. On Medium, smart voices and original ideas take center stage - with no ads in sight. Watch
Follow all the topics you care about, and we’ll deliver the best stories for you to your homepage and inbox. Explore
Get unlimited access to the best stories on Medium — and support writers while you’re at it. Just $5/month. Upgrade