Onze chauffeur verdient een lintje

Koffiemoment bij de dagbesteding

Sandra en Joke van D.I.A.

We komen aan bij de D.I.A., het Dagcentrum Industriële activiteiten. Het is een voormalige school, een oud en slecht geïsoleerd gebouw.

Aan de ene kant van het gebouw werken mensen door pakketjes te maken met schroeven. Ze hebben een kartonnetje voor zich liggen met daarop een tekening van een aantal schroeven. Als er op elke afbeelding een schroef ligt, kan het in een plastic zakje. Tussen de mensen zitten grote blauwe borden waardoor mensen afgezonderd van elkaar werken. Een ruimte verder zitten nog twee mensen te werken en weer een ruimte verder zit iemand die de rust nodig heeft om in z’n eentje te kunnen werken. Een begeleider en vrijwilliger controleren alle pakjes. “Soms zit er toch een schroef te veel of te weinig in.”

De andere kant van het gebouw is een spelotheek en tweedehands kinderkledingwinkel. Een van de begeleiders vertelt: “Ik liep met me dochter en bedacht: Waarom doen we dit niet op het D.I.A.?” Ze nam het eerst niet serieus, maar later kwam ze er op terug. “Gelukkig steunde het management me. We kregen geen geld, maar mochten wel aan de slag.” De ruimte staat vol met rekken kleding, keurig gesorteerd op maat. Aan de wand zijn rekken gemaakt die vol liggen met spelletjes en puzzels om uit te lenen. “Ik kende iemand die me kon helpen aan stellingen en rekken. We hebben nu zelfs twee kassa’s. Een om te oefenen en één voor het ‘echie’. Ze zijn supertrots als ze dan achter de kassa staan.” Het loopt helaas niet zo goed als gehoopt: “We zitten hier toch niet in de loop. Maar het moet ook niet te druk worden hoor, anders kunnen de cliënten het niet aan.”

Als we binnenkomen is het koffiepauze. Op de muur hangen de dagen van de week met daarachter foto’s van wie ‘kantinedienst’ heeft. De hele ruimte hangt eigenlijk vol met pictogrammen en foto’s. Bij onze binnenkomst kijken sommige ons nieuwsgierig aan, anderen wenden zich meteen af. Ik vraag aan mijn buurman hoe hij de bus vindt. Hij kijkt me aan en maakt een onverstaanbaar geluid. De begeleider lacht een beetje: “Ik zou het bij Roos proberen, hij zegt niet zoveel.” Roos zit in een rolstoel en kijkt me een beetje nerveus aan. Ik probeer voorzichtig. “Hoe vindt jij de bus Roos?” “Gezellig”, en daar blijft het bij. “Met hoeveel mensen zit je in de bus?” Ze begint hardop namen op te noemen: “Wim, Maarten, Lotte, Sanne…en Evelien.” Het gesprek valt weer stil. Ik merk dat ik het lastig vind om een vraag te stellen waarvan ik weet dat ze hem kan beantwoorden. Als ik een vraag stel en ze hem niet snapt begint ze over iets anders. De pauze stopt en Roos gaat weer aan het werk.

Een vrijwilliger geeft aan dat het ook lastig is om een gesprek te voeren: “Ik werk hier nu drie maanden. In het begin durfden ze me niets te vragen. Inmiddels durven sommige dat wel. En anderen praten slecht verstaanbaar. Inmiddels weet ik beter wat ze bedoelen. Ze waarderen het heel erg dat ik hier ben.”

Een tafel naast me zit mijn collega Sandra. Ze zit bij de Joke en Sandra aan tafel. Joke begon direct honderduit te kletsen over vervoer toen ze hoorde dat wij daar wat van wilden weten. Joke fietst zomers en in de winter gaat ze met de taxi mee. Ze woont 5 kilometer van de D.I.A. “Op de fiets gaat goed, soms moet je wel goed opletten. Ik heb wel eens een klein ongelukje gehad dat je schrikt. Dan gaat je hartje tekeer en begin je te hijgen.” Ze vertelt het met een emotie alsof het vanmorgen gebeurt is. “Ik heb ook wel eens gehad dat er een auto stond die daar niet hoort te staan.” Ze kijkt boos en verward. “Maar niks zeggen hoor, anders krijg je een grote mond.” Ik realiseer me dat kleine obstakels, kleine dingen die anders zijn of dingen die tegen de regels zijn deze mensen kan verwarren. Dusdanig dat ze alles uit de kast moeten halen om zichzelf te blijven concentreren op de weg, op de reis. Moeilijk hoor, daar wordt je toch doodmoe van!

Een ander cliënt mengt zich in het gesprek. Ze zegt een paar keer achter elkaar dat er nu dingen veranderen met de regiotaxi en dat haar moeder daar heel veel gedoe mee had. Ze zegt het met een grote glimlach, maar ik voel haar onrust. Af en toe reist ze met de regiotaxi, als ze een vrije dag heeft.

Cliënt Sandra zit dicht naast mijn collega. Ze geeft haar soms een tikje op de arm en wijst dan op het aantekenblok van mijn collega: wat Joke vertelt moet wel opgeschreven worden wil ze daarmee zeggen. Ze wil zelf ook wel vertellen. “De bus is vol.” Ook zij somt de mensen op die erin zitten en houdt dan wat vingers omhoog. We komen op vier. “Lang in de bus, je zit lang in de bus. Is niet leuk, nee. Hij zit aan me, ze stompen.” Na wat praten en doorvragen en hulp van Joke kom ik erachter dat Sandra bij iemand in de bus zit waar het niet goed mee klikt en waar Sandra last van heeft. Er zijn gelukkig afspraken gemaakt dat ze niet meer naast hem zit. Maar ik zie aan Sandra dat het haar nog steeds erg bezig houdt.

Het gesprek gaat verder over leuke uitstapjes. Nou, daar lusten de dames wel pap van. Letterlijk en figuurlijk. Ze gaan beiden wel eens uit eten met familie. Dan rijdt familie en Joke neemt ook wel de Valys. Ze glimmen als ze vertellen over deze etentjes. Daar genieten ze erg van. Joke heeft wel een hele nare ervaring meegemaakt. “Soms gaat het mis. Ze hebben me een keer helemaal rond gereden en dan zeggen ze thuis ‘wat ben jij laat’. Ze moesten me ophalen bij de ‘Pollepel’. Ik had wel een taxi gezien, ver weg en toen was het te vroeg. Of misschien is hij geweest toen ik naar de wc was. M’n telefoon was kaduuk, toen was ik de hele dag alleen. Maar ik heb m’n geld in m’ n zak gehouden. Ze zaten daar frietjes te eten, maar ik heb m’n geld in m’n zak gehouden.” Ze zegt het heel zelfvoldaan met een trots gevoel. “Ze vroegen of ik koffie wou, maar nee, niks. Toen ben ik maar naar buiten gegaan. Hans Boeijink had gebeld ‘de taxi is al geweest en geef haar maar een hele dikke knuffel van me’. Kim en Lara van Boeijnk hebben mij opgehaald. Toen moest ik wel huilen. De dag erna had ik er nog last van.’’

Ik vraag een andere begeleider hoe zij denkt dat het vervoer ervaren wordt. “We hebben een vaste chauffeur, Jan, die weet precies wat onze mensen nodig hebben. Die man moet echt een lintje krijgen, hij heeft zo’n mensenkennis. Soms komt hij hier aan en dan wil iemand niet met hem mee in de bus. Hij zegt dan: “Ik rij nog een rondje en kom dan terug”. Hij rijdt dan een rondje om het gebouw en als hij dan weer voor staat gaat iemand er zonder problemen in.” Jan brengt alle mensen die in een rolstoel zitten thuis en de mensen dichterbij. Voor de mensen die verder weg wonen of meer rust nodig hebben is er een vrijwilligster. “Er is een vrijwilligster die dat elke dag doet. Ook echt petje af voor haar. Ze weet precies wat ze moet doen om het rustig te houden.”

Naast de bus en de vrijwilliger is er één iemand die ’s middags alleen in een auto terug gaat. “Vooral in de middag kan hij wat gaan ‘boxen’. Hij bedoelt het niet verkeerd, maar andere cliënten worden daar onrustig van. Heen gaat het nog wel, maar terug is het beter als hij alleen zit.” Daarnaast zijn er ook nog een paar mensen die zelfstandig fietsen. “Ik moet hier links, de volgende straat rechts, en dan de bocht om bij de bakker”, vertelt hij me enthousiast. De begeleider vertelt dat mensen worden gestimuleerd om zelf te fietsen, zolang dat veilig is. “En één iemand kan in de zomer wel zelf fietsen, maar in de winter is het dan te donker en komt ze met de bus.” Maatwerk krijgt in deze setting een hele nieuwe lading.

De begeleider vertelt: “Ze hebben altijd dezelfde chauffeur, zitten met dezelfde mensen in de bus en iedereen zit op dezelfde vaste plek. Ze vinden het fijn in de bus. Dat merk ik bijvoorbeeld als er een appelflap over is, dan gaat die naar de chauffeur!” Dit vervoer is volgens haar heel anders dan de regiotaxi. “Die heeft een half uur speling en is vaak te laat, dat geeft onrust.” Ik vraag hier en daar of mensen met de regiotaxi reizen, de meeste zeggen van niet. Een van de mannen zegt: “Ik ga wel met de trein naar mijn ouders. En ik heb wel eens in een dorp een plaat van Led Zepplin opgehaald! Ik ben echt gek op muziek, ik heb die plaat ‘gries’ gedraaid.”

Tijdens ons gesprek wordt er iemand door de gemeente afgezet. Hij mocht een tijd papier ophalen in het gemeentehuis, maar door reorganisatie is er geen werk meer voor hem. Vandaag had hij zijn laatste dag. Hij komt binnen met een grote tas en een nog grotere glimlach. Hij begint de begeleider enthousiast alles te laten zien wat hij heeft gehad: een zak snoep, een knuffel, een CD en een kalender met mooie vrouwen. Een van de cliënten loopt naar hem toe en geeft hem een knuffel: “Goed gedaan jongen!”.

Show your support

Clapping shows how much you appreciated Monique Jongenburger’s story.