Prototype #5 Denken als een designer
In het MWD onderwijs werken derdejaarsstudenten in de context van hun jaarstage aan de beroepstaken Signaleren & Preventie en Kwaliteit & Beleid. Als competentiegerichte ontwikkelopdracht krijgen ze voor beide taken de opgave mee om een interventie te ontwerpen: vanuit het perspectief van de doelgroep aan de hand van een empowermentvraagstuk èn vanuit het perspectief van de organisatie aan de hand van een beleidsvraagstuk. Wij zien hierin een gemeenschappelijke opgave die we voor onze proeftuin hebben samengevoegd tot één om zodoende eens te gaan experimenteren met een innovatieve methode vanuit de designbenadering.
Wat is het idee?
Het idee was om de designbenadering te gebruiken om de interventieontwerpprocessen mee te doorlopen. Dit is eigenlijk een logische keuze aangezien de designbenadering is ontstaan vanuit de ontwerppraktijk van nieuwe producten, processen en voorzieningen. Ontwerpen van interventies gebeurt in het Sociaal Werk onderwijs vanuit onderbouwde verander/ontwerpmethoden als het Social Practice Development Model (Hattum & Oostrik, 2011) en het Preffi 2.0, instrument voor preventieve interventies. Deze helpen sociale professionals om het onderzoeks- en ontwerpproces te doorlopen met als resultaat een effectieve interventie dat leidt tot de gewenste (gedrags)verandering. Deze methoden zijn sterk gericht op de behoefte en motivaties van mensen en dus het sociale aspect in sociale vraagstukken. Daarmee zijn deze zeer passend en bruikbaar voor de sociaal werk praktijk.
En toch zien wij ruimte om te experimenteren, op zoek naar innovatie. Een motivatie hiervoor is dat we zochten naar een manier om studenten meer dan nu in co-creatie met de praktijk te laten ontwerpen vanuit een resultaatgedreven focus op de eindgebruikers waarvoor de interventie bedoeld is. De methoden die nu gebruikt worden zetten zeker aan tot consultatie en samenwerken vanuit de betekenissen uit de praktijk en mensen die daarin betrokken zijn, maar toch gebeurde dit niet altijd in de praktijk. Studenten kunnen deze opdracht namelijk prima doorlopen als onderzoeker op enige afstand. Daarmee wordt de interventie ontworpen vanuit deductieve en inductieve redenaties: hoe kunnen we dat wat werkt volgens good practices en theorie implementeren binnen de praktijk zodat de gewenste innovatie kan ontstaan. Dit levert in veel gevallen prima voorstellen op, op basis van praktijk- en literatuuronderzoek. Echter, de participatiegraad van de context en ‘eindgebruikers’ van de interventie bleef meestal steken bij het niveau van consultatie. Terwijl, om tot echte empowerende en sociaal innovatieve resultaten te komen is meer nodig.
Een andere reden voor experimenteren met de designbenadering is dat de door de student ontworpen interventies in veel gevallen in de lade verdwenen bij hun stageorganisatie en niet daadwerkelijk leidde tot sociale innovatie en/of praktijkverbetering. Dit zien wij als een verloren potentieel. Dit zegt misschien wat over de innovatiekracht en oplossende vermogens van onze studenten, maar dit kan ook net goed iets zeggen over hoe wij de waarde van studenten zien en benutten als potentiële aanjagers van sociale innovatie. De vraag die wij ons stellen is daarom: hoe kunnen onze studenten een èchte bijdrage leveren aan praktijkverbeteringen?
Vanuit onze ervaringen met de designbenadering als innovatiestrategie wilden we uitproberen hoe deze methode ingezet kan worden voor het ontwerpen van interventies. En natuurlijk zijn we erg benieuwd of deze wijze van kijken en aanpakken van sociale vraagstukken ook echt leidt tot meer innovatiekracht en dus echte praktijkverbeteringen in plaats van prima voorstellen op papier.
Hoe pakten we het aan?
We hebben vierdejaarsstudenten die beide toetsen nog moesten herkansen uit het derde jaar een alternatief coachingstraject aangeboden waarmee ze beide beroepstaken konden aantonen. Hierop hebben 10 studenten zich ingeschreven. Vervolgens hebben we 5 bijeenkomsten georganiseerd op vrijdagen 16–17:30. Een rottijd zou je zeggen, maar voor de studenten was dit naar hun zeggen de beste tijd zodat ze hun studie/werkschema’s hierop aan konden passen. Voor ons ook een prima tijd aangezien we het toch zien als experimenttijd, lekker voor het weekend met de benen alvast wat op tafel. Naast de offline bijeenkomsten richtten we ook een online omgeving in waarbij studenten met elkaar konden uitwisselen en waarbij wij hen bij wijze van coaching van input en info konden voorzien.
Tijdens de bijeenkomsten hebben we de studenten gevraagd om ons te helpen met de vraag waar de opleiding in samenwerking met de welzijnsorganisaties (W4) in Nijmegen op dit moment hun hoofd over breken. Daarmee creëerden we een reële opdracht en beroepscontext:
Hoe kunnen sociaal werkers bijdragen aan het wicked vraagstuk van Sociale Cohesie in de regio Nijmegen?
Studenten hebben vervolgens de vrije hand gekregen om binnen deze grote kwestie een lokale context en/of subthema te kiezen waarvoor ze een interventie wilden gaan ontwerpen om sociale cohesie te kunnen realiseren als sociale winst: “Ga dat doen wat energie geeft en waar je ook echt met passie een oplossing voor zou willen ontwerpen. Bijv. je eigen buurt, of voor het netwerk uit je stage/werkervaringen, of iets ontwerpen voor de doelgroep waar je hart ligt en voor wie je dus graag sociale samenhang zou willen bereiken.” Vervolgens zijn we in elke bijeenkomst stil gaan staan bij zowel de inhoud van het vraagstuk als bij de designfases die we introduceerden.

De nadruk legden we niet zozeer op Design als methodiek, dus als stappenplan, maar meer als werkwijze en manier om te kijken en handelen om echt iets van waarde en bruikbaars te gaan ontwerpen: wat leidt nou ECHT tot sociale cohesie? Daarmee hebben we willen aanzetten tot de kernwaarden van design denken:

- De mens centraal
Veel sociale vraagstukken worden geformuleerd vanuit een beleids- of organisatieperspectief. Hoe zorgen we voor meer sociale cohesie is er eigenlijk net zo één! De start van elk designproces is om te ontdekken wat de menselijke betekenissen, thema’s en belevingen zijn. Het empathy-based onderzoeken van deze (be)leefwereld is wat een designer continue in alle fases blijft doen om te kunnen ontwerpen vanuit dit mensperspectief. De logica is dat alleen dan zinvolle interventies ontworpen kunnen worden die ook ècht aansluiten bij de mensen waarvoor je ontwerpt (de eindgebruikers). Zij bepalen namelijk wat het vraagstuk eigenlijk is en welk resultaat dus gewenst is. - Co-creatie
Ook wel co-design genoemd. Het echt samenwerken met stakeholders en eindgebruikers zit in het DNA van een ontwerper. De logica daarachter is dat wanneer je iets ontwerpt voor iemand, de gebruiker bepaalt wat de waarde is en of het dus gebruikt gaat worden. Ontwerpen MOET je dus wel doen in samenwerking met je eindgebruikers. Alleen met echte participatie en continue interactie, dialoog en samenwerking ontstaat een interventie die echt tot het voor hen gewenste resultaat kan leiden. - Visueel werken
Taal is eerder een barrière dan een bindmiddel, zeker wanneer het over individuele betekenissen gaat of heel complexe vraagstukken. Designers rapporteren dus niet veel maar zijn sterk in het visualiseren van wat het vraagstuk inhoudt, wat het betekent voor mensen en wat mogelijke werkbare ideeën zouden kunnen zijn als oplossing voor het vraagstuk. Dit visualiseren helpt als beeldtaal om op een andere manier in dialoog met eindgebruikers de menselijke perspectieven te ontdekken, maar het helpt de ontwerper ook om ideeën te vormen, te delen en uit te testen. - Holistisch perspectief
Hiermee wordt bedoeld dat je alles en iedereen ziet in een context. Iemand staat dus nooit los van de lokale werkelijkheid, dat bestaat uit talloze elementen (mensen, organisaties, culturele waarden, politieke werkelijkheden etc) met soms tegenstrijdige waarheden. Een designer probeert dus een vraagstuk nooit op te delen of in stukjes te hakken of zelfs op te lossen! Wel probeert het een ontwerp te maken dat juist rekening houdt met al deze verschillende elementen en werkelijkheden. Dit vraagt om contextgericht werken en te zoeken naar dat wat werkt in die lokale realiteit, voor dat moment, met/volgens de (tegenstrijdige) perspectieven van mensen die zich daarin bevinden. - Prototyping
Dit hangt samen met het creatieve proces dat tot stand komt tijdens de oplossingsfase van het designproces. Prototypen betekent het op snelle en simpele manier vormgeven van ideeën met als doel om te testen wat nou eigenlijk nodig is, wat mogelijk is en wat ook echt werkt. Dit is een iteratief proces waarbij je door heel veel verschillende prototypes te maken, te testen en weer te verfijnen pas kan ontdekken wat echt werkt. Een interventie kan dus nooit ontstaan met denkwerk alleen en/of in één keer als een soort eureka moment ontworpen worden. Dit is hard werken!
Wat is het resultaat?
Het leverde ten eerste inspirerende bijeenkomsten op voor zowel de docenten als de studenten. Docenten komen in de rol van designdenk coaches en stellen met name vragen hoe ze in elke fase dat kunnen doen wat nodig is. Dus voor de empathize fase: hoe kan je nou echt ontdekken wat de beleefwereld is van de mensen in de wijk X? En hoe kan je de uitkomsten hiervan visualiseren zodat je dit aan nog eens meer mensen en/of professionals in die wijk kan voorleggen als check en voor feedback? Dit zette aan tot actiegerichte onderzoeksprocessen bij de studenten.
De designwaarden waren helpend om tot de dialoog te komen wat nu werkelijk de betekenis en waarde van participatie is vanuit onze Sociaal Werk waarden empowerment en emancipatorisch werken. En hoe kan je dat concreet vormgeven waardoor het niet enkel een theoretisch concept is, maar ook echt onderdeel wordt van jouw handelen en visie op de rol van een sociaal werker.
Het creatieve denken sloot toevallig goed aan bij studenten die de minor creativiteitsontwikkeling aan het volgen waren. Zij geven aan dat dit een heel andere manier van kijken naar vraagstukken oplevert dan wat de opleiding in het major programma aanbiedt: gericht op conceptueel, rationeel en analytisch denken vanuit bestaande/bekende kaders. Terwijl concepten en innovaties ook goed (of juist) kunnen ontstaan wanneer je kan werken vanuit niet bestaande kaders en dus meer intuïtief, associatief en divergerend kan denken.
Minder goed resultaat is dat sommige studenten het ontwerptraject niet echt hebben kunnen doorlopen in de praktijk en het alsnog rapportages en dus papieren werkelijkheden opleverden die niet altijd even doorleefd waren. Ook de wijze van toetsing van dit traject sloot niet echt aan bij het innovatieve resultaat dat we beoogden. Immers, het schrijven van een rapportage toetst niet persé de impact voor het vraagstuk sociale cohesie. Wel geeft het een goed inzicht in het doorlopen proces, de onderbouwde afwegingen die daarin zijn gemaakt en wat hun denklijnen hierin zijn geweest. Een rapportage is dus prima, maar de toetsing zou eigenlijk zwaarder moeten liggen in het uiteindelijke resultaat voor praktijkverbetering. En kan een docent dat eigenlijk wel beoordelen? Of zou de eindgebruiker van het ontwerp dat moeten doen…
Genoeg voer weer om verder mee te prototypen voor onze onderwijsinnovatie!
Meer weten: Wenne.Bergman@han.nl en Paulien.Taken@han.nl

