De Hoofdstad van Voetbal

Als een wedstrijd de gespannen relatie tussen Real Madrid en Atlético Madrid samenvat is het de derby in het seizoen 1988–1989. Golvend spel, snoeiharde overtredingen, arbitrale dwalingen, duikelingen, schaamteloze elleboogstoten en, onvermijdelijk, rode kaarten. Atlético overvleugeld lange tijd zijn stadgenoot in eigen huis, maar in de blessuretijd scoort Martín Vázquez de winnende goal voor Real Madrid. Eerder in de tweede helft vindt een bizar incident plaats wanneer Paco Buyo, de keeper van Real Madrid, met een sliding ver buiten zijn strafschopgebied de bal afpakt van de geniaal spelende Futre. Die torpedeert vervolgens geïrriteerd de keeper. Beide spelers gaan zich te buiten aan slecht straattheater en Buyo rolt provocerend naar Futre die door toegesnelde ploegmaten ternauwernood wordt gered. In de chaos van duwende spelers doet Buyo alsof hij in het gezicht is getrapt en Orejuela mag de kleedkamers vroegtijdig opzoeken. Later haalt Buyo een doorgebroken speler van Atlético ongegeneerd onderuit en komt er met een gele kaart vanaf. Futre krijgt na het eindsignaal nog de rode kaart wegens aanhoudend protesteren.

Op zaterdag 24 mei 2014 werd de ultieme editie van de Madrileense voetbalderby gespeeld. Inzet was niet alleen het winnen van de Europacup. Voor fans van beide clubs vormde het een unieke kans om elkaar een hak te zetten. Bij winst van Atlético Madrid werd de langgekoesterde droom van de tiende Europa Cup I-trofee gedwarsboomd en omgekeerd konden Real Madrid fans hun buren blijven pesten met hun tweederangs status zonder Cup met de Grote Oren. Real Madrid trok aan het langste eind dankzij een gelijkmaker in de blessuretijd nadat Atlético vroeg in de wedstrijd op voorsprong was gekomen dankzij een blunder van doelman Casillas. De bevrijdende kopbal van Sergio Ramos is inmiddels uitgegroeid tot een van de beroemdste doelpunten uit de toch al glorieuze clubgeschiedenis, met een status die net niet kan tippen aan de volley van Zidane waarmee de negende Europcup werd gewonnen. De kopbal van Ramos heeft echter ook een andere dimensie, het is tevens het doelpunt van het digitale, mondiale Real Madrid: op talloze manieren werden de reacties in huiskamers, bars en in het Santiagio Bernabéu zelf gefilmd en vervolgens online gezet. Een hyperreëel mozaïek van intieme extases die geen enkele ander club losmaakt.

En die memorabele finale krijgt 28 mei in Milaan zowaar een reprise. Beide clubs vormen twee gezichten van de Spaanse hoofdstad, maar samen maken ze ook duidelijk dat het Madrid als stad voor de wind gaat. Madrid werd ooit door Filips II vanwege zijn centrale ligging gepromoveerd tot hoofdstad van het Spaanse wereldrijk. Die concentratie van macht, geld en cultuur heeft de stad door de eeuwen een modern elan gegeven. Met onvermijdelijke up en downs. De stagnatie tijdens de dictatuur van Franco is inmiddels omgebogen tot een onstuitbaar moderniseringsproces en in de 21ste eeuw dijt de stad in rap tempo uit over de gelijknamige autonome regio.

Met altijd als visueel oriëntatiepunt de cuatro torres, de vier wolkenkrabbers gebouwd op het oude trainingscentrum van Real Madrid. Hetzelfde terrein dat in 2000 door de destijds nieuwe clubvoorzitter Florentino Pérez werd verkocht aan de gemeente Madrid. Een financiële klapper waarmee de permanent lege schatkist van Real Madrid op miraculeuze wijze werd gevuld. ACS, het bouwbedrijf van Pérez, nam ook de constructie voor zijn rekening van de door Norman Foster ontworpen toren die nu Torre Bankia heet. Inderdaad de bank die Real Madrid trouw bijstaat bij de financiering van transfers. Madrid is het machtscentrum van Spanje en Real Madrid heeft zich tijdens zijn bestaan graag in de buurt van de macht opgehouden. De club heeft daar ook gewoon het juiste imago voor. Het compleet witte clubtenue, het Santiago Bernabéu stadion als barok kasteel, de altijd terugkerende intriges, de obsessie van veel fans met señorio (een bepaalde stijlvolle omgangsvorm in en buiten het veld) maken van Real Madrid een bijna negentiende eeuwse entiteit. Een vreemde aristocratische verschijning in wat in anderhalf eeuw is uitgegroeid tot de mondiale volkssport. Real Madrid is ook kosmopolitisch, het houdt van grote gebaren, omarmt de buitenwereld, wil universeel zijn. Onder leiding van Florentino is de club uitgegroeid tot een multinational, een merk.

Dat zorgt voor een unieke spanning. De club, verreweg de populairste van het land, wordt om diverse redenen intens gehaat (een uitwedstrijd van Real Madrid is voor bijna elke Spaanse club dé wedstrijd van het jaar, waarin spelers als geflipte Duracell-konijnen 90 minuten lang blijven rennen). Aan de andere kant bezit de onmiskenbare arrogantie die succes heeft veroorzaakt een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Real wordt voortgestuwd door een wil-om-te-winnen en spelers die deze wil belichamen –Di Stéfano, Camacho, Juanito, Raúl, Cristiano- ontwikkelen een speciale relatie met het publiek. Nog steeds scandeert het Santiago Bernabéu elke wedstrijd wanneer de zevende speelminuut aanbreekt “Illa illa illa, Juanito maravilla” ter ere van de voormalige nummer 7. Zoals we zullen zien is een leven gewijd aan Atlético Madrid niet altijd een pretje, maar Madridista zijn vergt ook een zekere mentale weerbaarheid. Ambitie kent zijn eigen neuroses. Elftallen kunnen plotseling imploderen, de Madrileense sportpers probeert altijd te stoken en opstellingen te bepalen, trainers houden het zelden langer dan twee seizoenen vol, het is een verplichting om mooi te voetballen, Real Madrid kan groots verliezen maar ook op de meest onverwachte momenten herrijzen en uit kansloze positie terugkomen. De sensationele 0–4 overwinning tegen Bayern München, waarmee Real in 2014 toegang tot de finale afdwong, wordt gretig ingepast in een lang heldendicht, voorzichtig gewogen ten opzichte van andere glorieuze Europese avonden.

Atlético Madrid kan nooit aan die status tippen. Dat maakt de continue worsteling van de club, niet alleen met Real Madrid, maar vooral met zichzelf, juist zo fascinerend. Na de Spaanse Burgeroorlog leek het er tijdlang op dat Atlético Aviacion de Madrid de leidende club van het land zou worden. In die chaotische jaren was Atlético gefuseerd met de voetbalclub van de Spaanse luchtmacht, een handige connectie in een jonge fascistische dictatuur. Atlético eiste prompt de eerste twee kampioenschappen na de oorlog op. En begin jaren vijftig werden onder vernieuwer Helenio Herrera weer twee kampioenschappen binnengehaald. Dan, met de transfer van Alfredo Di Stéfano in 1953 naar Real Madrid, veranderen de machtsverhoudingen binnen het Spaanse voetbal radicaal. Lange tijd zal Atlético Madrid met Barcelona, Valencia, Athletic Bilbao en Sporting Gijón vooral strijden om de status van “de beste van de rest”, ieder met een eigen mythologie over de streken die Real Madrid ze heeft geleverd.

Atlético Madrid is zonder meer een succesvolle club maar heeft door de jaren heen een pechimago gekregen dat op een gegeven moment werd gecultiveerd. Onder leiding van de aanvaller Luis Aragonés won het diverse kampioenschappen maar in Europa kwam het eerst een superieur Ajax tegen (een ziedende vrije trap van Piet Keizer deed de halve finale van 1971 kantelen), om in de finale van 1974 tijdens de slotseconden een overwinning uit handen te geven tegen Bayern München. Atlético werd de club die op het verkeerde moment piekte. In 1986 stond het weer een keer in een Europese finale, ditmaal die van de bekerwinnaars. In Lyon tikte de op volle toeren draaiende voetbalmachine Dynamo Kiev een ontredderd Atlético compleet weg (eindstand, een genadige 3–0). Het jaar daarop nam Jesús Gil y Gil de leiding van de club over. Hij zou het imago van de Atlético Madrid lange tijd bepalen.

Gil y Gil was een excentrieke zakenman die in de gevangenis had gezeten nadat 68 mensen door zijn schuld waren omgekomen toen het dak van een van zijn matige constructies instortte. De voorzitter was de belichaming van de Spaanse proleet. Corpulent, brutaal en corrupt. Dankzij slimme investeringen in onroerend goed wist hij de badplaats Marbella te laten uitgroeien tot een vakantieparadijs voor zowel burger als de meest ordinaire segmenten van de jetset. Het maakte hem schatrijk en als baas van Atlético kocht hij sterspelers als Paolo Futre, ontsloeg aan de lopende band trainers en bedreigde menig journalist en scheidsrechter. Atlético Madrid raakte steeds meer verstrikt in het politiek-financiële spel van Gil die gemeenschapsgeld van Marbella (waar hij inmiddels was verkozen tot burgermeester) overhevelde naar de voetbalclub. Tot overmaat van ramp ontpopte een speler uit de opgedoekte jeugdopleiding, Raúl, zich tot clubicoon van de aartsvijand. Onder Gil kende de club ook het meest gekoesterde hoogtepunt tot nu toe, het behalen van de dubbel in 1996…en dieptepunt: de traumatische degradatie in 2000.

Bij het vertrek van Gil y Gil in 2003 liet hij Atlético Madrid in een chaotische staat achter. Financieel was de club een ruïne. De derby’s met Real Madrid groeiden uit tot een ongelukkige reeks die er na verloop van tijd voor zorgde dat Real Madrid-fans zelfverzekerd de toto invulde wanneer de clubs weer tegen elkaar uitkwamen. Voorsprongen werden op de meest vreemdsoortige wijze uit handen gegeven, andere wedstrijden kansloos verloren, het ene tegendoelpunt nog mooier dan het andere. Tot overmaat van ramp vertrok oogappel Fernando “El Niño” Torres in 2007 bij de club. Hij was Atletí in de tweede divisie trouw gebleven, maar besloot dat hij genoeg had gezien toen Atlético dat seizoen thuis Barça gewillig met 0–6 over zich heen liet walsen om te voorkomen dat Real Madrid kampioen zou worden (typerend voor Atlético werd Real daarna toch kampioen.) De club had de bodem bereikt. Blijkbaar is dat soms een vruchtbare bodem.

De Spaanse zanger, dichter en Atlético-fan Joaquín Sabina maakte voor het honderdjarige bestaan een even melancholieke als humoristische hymne waarin hij de vreemde dynamiek van de club probeert te karakteriseren:

Qué manera de aguantar, 
qué manera de crecer, 
qué manera de sentir, 
qué manera de soñar, 
qué manera de aprender, 
qué manera de sufrir, 
qué manera de palmar, 
qué manera de vencer,

qué manera de vivir.

Wat een manier om vol te houden,
Wat een manier van groeien,
Wat een manier van voelen,
Wat een manier van dromen,
Wat een manier van leren,
Wat een manier van lijden,
Wat een manier van verliezen,
Wat een manier van overwinnen,
Wat een manier van leven.

Kortom, de tijd is rijp om van Atlético Madrid een cultclub te maken. Dankzij een reeks briljante reclamespots die vanaf het seizoen 2001/2002 elk jaar terugkeren wordt een bepaald levensgevoel gezocht dat bij de colchonero hoort. In de eerste spot stelt een jongetje in de auto aan zijn vader simpelweg de levensvraag: “pappa, waarom zijn wij van Atletí?” De vader aarzelt en een tekst geeft het antwoord: “het is moeilijk uit te leggen, maar het iets heel, heel groots.” Sinds de promotie is de weg naar boven ingezet. Er werden twee Europa League-finales gewonnen (2010 en 2012), maar nog steeds verkocht de club, tot afgrijzen van de fans, publiekslievelingen als Forlán, Agüero en Falcao. En Real Madrid won nog steeds lachend de onderlinge wedstrijden. Toen oud-speler Diego Simeone midden in het seizoen 2011–2012 tot trainer werd benoemd, riekte het naar een nostalgische kunstgreep. Simeone, een van de architecten van het team dat de dubbel in 1996 won, bleef echter in het zadel en vormde met een aantal slimme aankopen een hecht team dat als specialisatie gedisciplineerd verdedigen kent. De terugkeer van Atlético Madrid als club van betekenis is met het in 2014 behaalde kampioenschap bijna definitief, maar er wacht nog een horde. De grote, succesvolle broer.

Wanneer je een paar jaar geleden Madridistas had verteld dat twee Champions League-finales zou worden gespeeld tegen Atlético zouden ze zelfvoldaan stellen: “twee nieuwe bekers voor het museum.” Maar sinds de bekerfinale van 2013, verrassend door Atlético in het Santiago Bernabéu gewonnen, bestaat die zekerheid niet meer. Vorig seizoen schakelde Real Madrid de kleine broer redelijk eenvoudig uit in de kwartfinale van de Champions League, maar in de afgelopen competitie speelden beide club eerst gelijk en won Atlético in Bernabéu. Real Madrid gaat de finale zelfverzekerder tegemoet, al was het vanwege het resultaat van twee jaar geleden en dat ze nu geen grabbelaar in het doel hebben staan. Voorspellingen doen er verder niet toe, interessanter zijn de contrasten tussen beiden speelwijzen en hun diepere betekenissen. De idealistische Ajax-verdediger Barry Hulshoff stelde ooit dat voetbal een rechtse sport is. De politieke status van de sport fascineerde blijkbaar meer mensen in die tijd. César Luis Menotti, de trainer die het Argentijnse nationale elftal in 1978 naar het wereldkampioenschap leidde, heeft gesteld dat er links en rechts voetbal bestaat. Links voetbal is aanvallend en speels, rechts voetbal (waarmee zijn aartsrivaal Carlos Bilardo in 1986 de wereldtitel met Argentinië won) is verdedigend en hard. De hypothese van Menotti is discutabel. Zijn Argentinië werd onder het toeziend oog van een dictator kampioen met omkoperij, aangesmeerde rode kaarten, een thuisfluiter in de finale en een centrale rol voor voetballende kampbewaarders als Passarella en Tarantini. Een van de vrolijkste elftallen ooit, het Brazilië van 1970, was de representant van een militaire dictatuur.* Desondanks wordt het Atlético Madrid van Simeone, met zijn nadruk op vechtlust en collectief, soms aangevuld met intens gemene overtredingen, op opvallend onkritische wijze benaderd. De verklaring dat Atlético wel zo moet spelen omdat het een bescheiden volksclub vormt, is een mythe. De begroting is die van een Europese eliteclub waarmee op slimme wijze minder grote namen worden binnengehaald. Atlético is net zo ongegeneerd kapitalistisch als vrijwel elke professionele voetbalclub en vooral sympathiek omdat ze de eeuwige underdog zijn. Maar je moet je afvragen of de onkritische houding ten opzichte van hun voetbalspel niet een symbolische relatie heeft met de groei van extreemrechts in Europa en zijn verheerlijking van het collectief, strijd en mannelijke waarden. De licht decadente en kosmopolitische lichtzinnigheid van de kunstzinnige individuen van Real Madrid komt op deze manier in een heel ander, veel vriendelijker daglicht te staan.

* Het onderscheid is vaak moelijk consequent toe te passen. Het Nederlands Elftal van 1974 dat symbool werd van een progessief Nederland speelde keihard op het WK in West-Duitsland. Polen in de jaren zeventig speelde prachtig aanvallend voetbal maar de communistische dictatuur was gewoon autoritair. Het enige echte linkse team was waarschijnlijk het Oostenrijkse Wunderteam uit de jaren dertig.

Dit is een aangepaste versie van een artikel dat op MyJour verscheen aan de vooravond van de Champions League-finale van 2014.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.