Wat denken ze wel

Canon, de -, mannelijk: verzameling van feiten, gebeurtenissen en kunstwerken die in een cultuur als waardevol erkend worden en in de bestudering ervan als referentiepunt dienen. Zo luidt althans de definitie in Van Dale. Nogal wat studenten ervaren het daarentegen eerder als een pantheon, waar bijna uitsluitend mannen de sokkels bevolken en hun hooghartige blikken toewerpen met een air van ‘Ik ben een examenvraag, weet je wel.’

Ziehier een boutade: de westerse canon is in wezen bijzonder divers. Zoveel hoofden, zoveel verschillende opvattingen over schoonheid, moraal en wat niet… Maar! Als de canon een weerspiegeling is van iets, dan zeker ook van het feit dat vrouwen eeuwenlang over het hoofd werden gezien. Rijst onvermijdelijk de vraag of je daar retrospectief iets aan moet en kan doen. En heeft de obsessie met de identiteit van diegene die bijdraagt tot de cultuur, niet ook zijn eigen gevaren? Enkele studenten gingen daarover onlangs in discussie met de vakgroep theoretische omkadering. Moest het allemaal zo mannelijk en bij uitbreiding, zo wit? Wat volgt is een aanzet tot antwoord, geen beeldenstorm, maar alvast een boeketje om aan te ruiken.

J.K. Gibson-Graham: feministische critici van het kapitalisme
Tekst: Judith Wambacq

Capitalism (as we knew it)

J.K. Gibson-Graham is de auteursnaam van de economische geografen Katherine Gibson en wijlen Julie Graham. Ze worden doorgaans ondergebracht bij de feministische kritiek van het kapitalisme. Hun eerste boek, The End of Capitalism (As We Knew It), dateert van 1996. Daarna volgden er nog twee over hetzelfde onderwerp, nu eens vanuit politieke invalshoek, dan weer vanuit concrete projecten en instrumenten die een economisch alternatief kunnen vormen.

Om te begrijpen wat J.K. Gibson onderscheidt van andere kritische denkers in dit domein, verwijs ik graag naar volgend fragment uit het voorwoord van A Postcapitalist Politics (2006), waarin Gibson & Graham uitleggen wat het verschil is tussen hun eerste en hun tweede boek:

« Separated by a decade of thinking, researching, and living, these two volumes are intricately interconnected and yet very different. In The End of Capitalism, J. K. Gibson-Graham was the quintessential “theory slut,” happily and carelessly thinking around, playing with “serious” and consequential subjects like political economy, loving the theory she was with, offering ebullient arguments and heady claims about representations of capitalism and their politically constraining performativity. We spoke to our readers as somewhat wayward feminists who seemed to relish their positioning as mildly outrageous, quirkily funny, and ambiguously gendered. It might come as a shock, then, that A Postcapitalist Politics has a completely different feel; it reads like a wholesome, even earnest, treatise on how to do economy differently. The authorial stance is open, exposed, even vulnerable, entirely different from the shimmering armor of the earlier book (and much less fun, we fear). In writing that book we felt a perhaps unwarranted confidence, conferred by our lengthy training in political economy, that no one could say things about capitalism that we hadn’t heard before and didn’t have a response to. This book offers us no such safe havens.
What, apart from menopause and inevitable aging, has contributed to this shift in stance and affect? Perhaps it has been our awakening to the different kinds of politics that are possible, along with an enhanced ability to hear as well as speak. » (A Postcapitalist Politics, p. xi)

Wat betekent het dat een auteur zichzelf op een bepaald moment omschrijft als een « theorie slet » ? Waarom verklaart een auteur de paradigmashift in haar werk door te verwijzen naar haar ouder wordend lichaam en naar haar toegenomen capaciteit om te luisteren en te spreken? Naast humor en zelfrelativering, toont dit citaat vooral aan hoe voor Gibson & Graham theorie en praktijk, denken en leven, het publieke en het persoonlijke intrinsiek met elkaar zijn verweven. Dit uit zich zowel in motivatie als onderwerpskeuze. Hun onderzoek is namelijk niet ingegeven door de zucht naar roem of erkenning, maar door een persoonlijke verontwaardiging over het gebrek aan gelijkheid en duurzaamheid die de kapitalistische economie kenmerkt. Hun motivatie om over dat onderwerp te schrijven is dus intrinsiek en niet extrinsiek. Dit verklaart ten andere ook hun heldere en kernachtige taalgebruik: ze verschuilen zich niet achter welluidende maar wazige concepten, tot de verbeelding sprekende metaforen of wollige verklaringen, maar zeggen telkens waar het op staat. Deze pragmatische houding is niet zozeer een stijlkwestie, maar een politieke overtuiging: niet de celebratie van het intellect of het plezier van de conceptcreatie staat centraal, maar het uitdokteren van alternatieven gebaseerd op een brede en diepgravende analyse.

Deze pragmatische houding is niet zozeer een stijlkwestie, maar een politieke overtuiging

Als leven en werk van een denker met elkaar verweven zijn, heeft dit ook implicaties voor het onderwerp van het werk. Het werk krijgt dan immers een zekere noodzakelijkheid; er is iets in de leefwereld van de schrijfsters dat om deze analyse vraagt. Dat betekent niet zozeer dat het denkwerk een praktische toepassing heeft, maar wel dat het denkwerk verder gaat dan de conceptuele uitdaging. Geen theorie om de theorie dus, maar theorie om zaken te begrijpen, theorie om meer en subtielere onderscheiden in te voeren, meer verbindingen tussen verschillende zaken te leggen. In de veronderstelling (en de hoop) dat deze capaciteit toeneemt met het ouder worden, valt er dus wel iets te zeggen voor Gibson & Grahams suggestie dat de menopauze voor andere analyses zorgt.

Verdraaid tegendraads
Tekst: Régis Dragonetti

De naam Elizabeth Hawes (1903–1971) doet wellicht niet meteen een belletje rinkelen. Geen nood. Zelfs in de Verenigde Staten, Hawes’ geboorteland, is de modeontwerpster en critica bijna volledig vergeten. Zo kon de New York Times in een artikel uit 2014 nog zelfzeker van wal steken met de woorden ‘U kent haar niet’. Het kan verkeren, zei Bredero. En gelijk had-ie. Drieënveertig jaar eerder immers had diezelfde New York Times in Hawes’ overlijdensbericht het nog gehad over hoe diep haar sporen op het Amerikaanse modelandschap wel niet geweest waren.

Aan memorabele eigenschappen ontbrak het Hawes nochtans niet: intelligent, sociaal geëngageerd, tegendraads, gevat, verfijnd… Met een diploma economie van het prestigieuze Vassar College onder de arm trok ze in de jaren twintig naar Parijs om er zich het modevak eigen te maken. Eenmaal terug zette ze haar eigen huis op poten. Hoewel ze tijdens haar carrière een zekere populariteit genoot, werd ze nooit echt in de armen gesloten door gezaghebbende tijdschriften als Vogue of Harpers Bazaar. Het wantrouwen was wederzijds. Het wrong tussen Hawes en de (mode)wereld.

Het wrong tussen Hawes en de (mode)wereld.

Onverbeterlijk kritisch van aard complementeerde Hawes haar ontwerppraktijk een levenlang met het geschreven woord. Het meest bekend is Fashion is Spinach, een speelse maar ook bijtende analyse van de modeindustrie, waarbij eruditie en sardonische humor hand in hand gaan. Hawes verwerpt er het dictaat van de Franse haute couture. Niet de kleren, maar menselijke noden vormen het vertrekpunt. Wars van elke norm zoekt ze daarbij zowel de vrouw als de arbeidsklasse te ontvoogden. Deze anti-authoritaire houding deed de wenkbrauwen van menig modebons fronsen en wekte vanaf de jaren 1940 de ‘interesse’ van de FBI.

Meer dan eens botste de radicaal idealistische Hawes op de stugge werkelijkheid. Ze ergerde zich aan de bekrompen mentaliteit van de middenklasse en toen ze als eerste vrouw aan het hoofd kwam te staan van de onderwijsvleugel van de vakbond United Automobile Workers, duurde het niet lang eer ze in conflict kwam met de al te rigide structuren van een grote organisatie. Ten einde dit duffe intelectuele klimaat te ontvluchten verbleef ze jaren in een soort zelfgekozen ballingschap op Saint Croix, een van de Amerikaanse Maagdeneilanden. Vandaag echter lijkt het tijd om het weerspannig element Elizabeth Hawes opnieuw in ons midden te dulden.

Filosofie in een nieuwe toonaard
Tekst: Marlies De Munck

Susanne K. Langer

Wie wil kennismaken met het boeiende domein van de muziekfilosofie, vindt een prachtige invalshoek in het werk van Susanne K. Langer. Met Philosophy in a New Key (1942) verwierf ze faam als eerste vrouwelijke Amerikaanse filosofe. Langer was een begenadigd celliste en pianiste. Haar denken ontwikkelde zich vanuit een grote vertrouwdheid met muziek en evolueerde naar een volledig nieuwe, originele filosofie.

De meest oorspronkelijke drive van de mens is volgens Langer niet de overlevings- of voortplantingsdrang. Neen, onze hoofdactiviteit is symboliseren. De menselijke geest is voortdurend bezig met het symbolisch transformeren van alle informatie die voortkomt uit de ervaring. We zoeken en produceren betekenis door alles wat binnenkomt een plaats te geven in een symbolische orde. Wanneer een baby begint te brabbelen, is dat volgens Langer een eerste duidelijke poging om de wirwar van opgedane indrukken onder controle te krijgen door ze opnieuw te veruitwendigen. Dat proces mondt niet enkel uit in taal, maar ook in andere typisch menselijke producten zoals mythes, rituelen en kunst.

Als ‘onvoltooid symbool’ — een symbool zonder vaststaande betekenis — is muziek bij uitstek in staat om ons gevoelsleven te articuleren

Zulke symbolische activiteiten zijn volgens Langer volstrekt rationeel. Elk symboolsysteem heeft een specifieke logische vorm die toelaat om een bepaalde soort betekenis te symboliseren. Door die logische vorm te analyseren, weet Langer door te dringen tot de eigen aard van muzikale betekenis. Absolute, puur instrumentale muziek is volgens haar immers meer dan een zuiver spel van klanken. Als ‘onvoltooid symbool’ — een symbool zonder vaststaande betekenis — is muziek bij uitstek in staat om ons gevoelsleven te articuleren: vitaal, subtiel, onuitsprekelijk, en steeds in beweging.

Met deze gedachten zette Langer de toon voor de muziekesthetica die in de tweede helft van de 20ste eeuw tot volle bloei kwam. Haar boek werd een heuse bestseller en leest nog steeds als een trein. Het verdient een prominente plaats in het boekenrek van elke muziekliefhebber.

Algoritmische bestuurlijkheid: de onmogelijkheid van ongehoorzaamheid
Tekst: H. De Preester

Psychologie? Vergeet het maar. We weten niet waarom mensen doen wat ze doen, en eigenlijk zijn we ook niet geïnteresseerd in het ‘waarom’ van het gedrag van mensen. Het punt is dat mensen gedrag vertonen, en dat we dat kunnen bijhouden en meten met een ongeziene nauwkeurigheid. “Met voldoende data, spreken de getallen voor zich.” Rouvroy haalt de woorden aan van Anderson, ex-hoofdredacteur van WIRED. Dat invloedrijke technologietijdschrift focust op de invloed van recente technologische ontwikkelingen op cultuur, economie en politiek.

Rouvroy, doctor in de rechtsgeleerdheid en verbonden aan de Université de Namur, is bekend voor het begrip van ‘algoritmische bestuurlijkheid’. De kwestie van bestuurlijkheid ligt in het verlengde van Foucaults opvatting van macht in termen van het vermogen om het gedrag van mensen te sturen (conduire des conduites) zonder directe dwang uit te oefenen of rechtstreeks te ge- of verbieden. Het gaat veeleer om een vorm van soft power, een onopvallende maar zeer krachtige manier om gedrag te sturen. Het huidige algoritmische karakter ervan verwijst naar het fenomeen van big data, waarbij statistische kennis wordt gebruikt om het gedrag van individuen te anticiperen en in verband te brengen met een schat aan correlaties (zogenaamde profielen) verkregen uit datamining. Die statistische kennis is niet toegankelijk voor een individu, maar wordt niettemin toegepast op het individu om kennis of voorspellingen over zijn of haar voorkeuren, intenties en geneigdheden af te leiden, en om zo met zachte hand het gedrag in de gewenste richting te sturen (lees: in de richting van meer consumptie of in de richting van bepaalde overtuigingen).

De uitkomst van algoritmische bestuurlijkheid en hypernudge is immers een vorm van normativiteit die voortdurend wordt afgedwongen door ons eigen gedrag, en daardoor elke vorm van ongehoorzaamheid onmogelijk maakt.

Yeung, verbonden aan de University of Birmingham en gespecialiseerd in recht, ethiek en informatica, bespreekt het fenomeen in termen van hypernudging, of het beïnvloeden van keuzegedrag in de context van big data. Hypernudgetechnieken geven ons een duwtje ‘in de goede richting’, en worden aangewend om individuele besluitvorming te vormen ten dienste van de belangen van commerciële big data-magnaten. Terwijl overheden en burgers zich tot nog toe vooral zorgen maakten om privacy, wijst Yeung ook op de erosie van het vermogen tot democratische participatie, en het misleidende en niet-transparante karakter van hypernudgetechnieken. Kortom, het onderzoek van Rouvroy en Yeung legt ons uit hoe ons gedrag aangewend wordt om elke vorm van ongehoorzaamheid en dus gedrag dat afwijkt van ons eigen gedrag, onmogelijk te maken. De uitkomst van algoritmische bestuurlijkheid en hypernudge is immers een vorm van normativiteit die voortdurend wordt afgedwongen door ons eigen gedrag, en daardoor elke vorm van ongehoorzaamheid onmogelijk maakt.

Tussenruimte (Paul Demets)

Slaap maar. Want ooit was ik een vrouw
een man een kind. Het. Alle ervaringen
hebben plaatsgemaakt voor de voorstelling ervan.

Ik wil geen kant van het bed kiezen.
Ik wil het territorium van de kamerbezetting 
bevrijden. De zaak anders belichten.

Ik wil de lamp niet op je huidskleur
richten. Ik denk niet zwart-wit. Kom, we doen
het kunstje van het samenleven. Daarnet nog

hebben we iets gebruikt in de tussenruimte.
Welke krachten kwamen vrij? We hadden toch
vooral veel goesting en hernieuwbare energie?

Erger je niet langer aan mij. We zijn, zeggen ze,
samen in staat tot oplossingen. We gebruiken 
de leenfiets en de deelstep. Maar ja, ik ben wit

en bloot en begin al te eindigen. Wel ja.
Wil je nog? Slaap dan toch. Slaap rustig
verder in je desubjectivering.