De Erasmusstudent

Ik overdrijf misschien lichtjes maar dit moet zowat de knapste kerel zijn die ik in tijden heb gezien. Een Zuiders type. Kort, donker, woelig haar. Dikke wenkbrauwen en diepdonkere ogen. Het stel waar je zo in verdrinkt. Gestreept shirt, gescheurde jeans en trendy sneakers. Hij woont hier niet. Dat zie je. Dat hoor je. Hij is niet van hier. Van België. Wanneer zijn blik de mijne kruist wordt me nog iets duidelijk. Hij ziet mij. Hij neemt mij in zich op. Hij valt wel op een hij.

We zitten op een grasveld. Het is een vrijdagavond. De lucht voelt zwoel, zijn vrienden lachen luid. De wijn die naast me staat, gaat van mond naar mond. Er wordt gedeeld. Mijn vrienden lachen even luid. Het is er gezellig in dat park. Voor ons spelen mensen Kubb. We kennen elkaar niet. Wij de Kubbers niet. De kerel die niet van hier is kent de Kubbers ook niet. Niemand kent elkaar. Maar onze blikken kruisen weer. Opnieuw. Langer dit keer. Intenser. Er wordt me nog iets duidelijk. Hij valt wel op mij.

We schuiven dichter bij elkaar. Zijn vrienden lachen luid. De mijne even hard. Wij praten. In gebroken Engels. Hij toch. Dat van mij heeft zo’n irritant, onnodig Brits accent. Ik kan er niets aan doen. En al zeker niet na de wijn die daarnet zo rijkelijk werd doorgegeven. Onze blikken blijven nu op elkaar gericht. Hij vertelt over zijn Erasmus hier. Over dat hij hier nog niet lang is en nog niet veel heeft gezien. Hij praat. Hij lacht luid. Ik luister aandachtig terwijl we dichter bij elkaar schuiven. Hij vraagt me iets. Of ik hem geen tour wil geven. Of ik hem Gent niet wil laten zien. Het is nu wel duidelijk. Hij valt echt wel op mij.

We schuiven langzaam dichter bij elkaar en staan recht. Zijn arm raakt de mijne. Zijn blik even naar zijn vrienden gericht. Hij neemt afscheid. Ze lachen luid. Ik neem afscheid. Ook mijn vrienden lachen luid. We kijken elkaar terug aan en lachen samen. Niet luid maar indringend. Wetende hoe dit verhaal zich kan ontwikkelen. Hoe onze lichamen tijdens het wandelen elkaar steeds vaker raken. Onschuldig, toevallig, toch wel vingers langs een zij.

We stappen van het grasveld langs het Gravensteen. Hij vraagt me iets. Of ik hem niet mee binnen kan krijgen. Of ik hem dit gebouw niet wil laten zien. Ik lach luid. Zeg dat we daar niet binnen raken. Hij lacht luid. Zegt dat er altijd wel een mogelijkheid bestaat. Onze blikken kruisen. Onze lichamen schuiven tegen elkaar aan met het Gravensteen als decor. Als steun voor zijn klungelige lijf onder dat gestreepte shirt. Onze lippen vinden elkaar. Onschuldig, toevallig, toch wel langer en inniger zoenend dan verwacht.

Het Gravensteen zegt ‘m nog weinig. Hij wil mij zien. Mij ontdekken. Een tour krijgen door mij. Onze lichamen raken in elkaar verstrengeld terwijl mijn handen door zijn kort, donker, woelig haar masseren. Zijn lippen vinden mijn nek. Mijn handen zijn rug. Zijn kont. Zijn ritssluiting. Mijn lippen de rand van zijn boxershort. Alle onschuld en toevallig is al lang verdwenen wanneer ik zijn boxershort omlaag schuif.

Zijn handen vinden mijn haar. Onze blikken kruisen elkaar. Hij valt echt wel op mij.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.