Balspel zet pesten buitenspel

Promovendus in beeld: Geert-Jan Will


Hoe gaan kinderen in de klas met elkaar om? Wat betekent het om ergens bij te horen? En hoeveel invloed heeft de sociale omgeving op de ontwikkeling van een kind? Geert-Jan Will, promovendus bij het Brain and Development laboratory in Leiden, houdt zich elke dag met deze vragen bezig. Met behulp van hersenscans kijkt hij naar de hersenen van adolescenten en onderzoekt wat er gebeurt op het moment dat ze bepaalde keuzes maken.

Geert-Jan is 28 jaar en bijna aan het einde van zijn promotieonderzoek. Na zijn studie psychologie en neuroscience & cognition in Utrecht vertrok hij 3,5 jaar geleden naar Leiden om zich aan te sluiten bij de onderzoeksgroep van ontwikkelingspsychologe Eveline Crone. De groep onderzoekt de ontwikkeling van hersenfuncties en de relatie tot het vermogen om beslissingen te nemen, te reflecteren en te anticiperen. Hierdoor komen ze meer te weten over welke veranderingen in de hersenen een rol spelen bij het ontstaan van ontwikkelingsstoornissen.

“Ik heb al van jongs af aan een enorme fascinatie voor wat mensen drijft”, zegt Geert-Jan. “Maar toen ik een studiekeuze moest maken dacht ik niet direct aan psychologie. Ik had toch het klassieke vooroordeel over de patiënt op een sofa. Tijdens een open dag zag ik welke vragen er gesteld en behandeld worden tijdens de studie en die intrigeerden mij. Bijvoorbeeld de vraag hoe herinneringen worden opgeslagen en hoe het kan dat we ons kunnen inleven in een ander. Het onderzoek sprak mij nog het meeste aan, daar sta je aan de frontlinie van wat we wel en niet weten. Je bent erbij als kennis ontstaat en je kan er je steentje aan bijdragen!”

Status van kinderen
Geert-Jan onderzoekt wat de status van een kind in de klas doet met de ontwikkeling van het kind. Kan een kind dat aardig gevonden wordt door klasgenoten zich beter inleven in anderen? “We weten dat kinderen die niet aardig worden gevonden of worden buitengesloten vaak problemen in de sociale omgang hebben”, legt Geert-Jan uit. “Als zo’n kind buiten een groep valt, krijgt het ook minder de kans om zich sociaal verder te ontwikkelen. Kinderen die langdurig buitengesloten worden, kunnen gedragsproblemen ontwikkelen die de kans dat zij opnieuw worden buitengesloten vergroten. Het is belangrijk om dat soort zichzelf versterkende processen te begrijpen om ze te kunnen doorbreken. Wij zijn de eerste groep in de wereld die dit soort processen relateren aan de ontwikkeling van de hersenen.”

Will, G.-J., Crone, E.A., & Güroğlu, B. (2014). Acting on social exclusion: Neural correlates of punishment and forgiveness of excluders. Social Cognitive and Affective Neuroscience. [Epub ahead of print].

Voor het onderzoek werden kinderen uit groep 3 tot 8 van een basisschool gevolgd door een onderzoeksgroep van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Elk jaar zijn de kinderen ondervraagd over de situatie in de klas en werden er psychologische tests bij ze afgenomen. Nu ze 14 jaar oud zijn, worden ze opnieuw getest door Geert-Jan en wordt er een hersenenscan gemaakt met een MRI-scanner (lees hier meer over hoe MRI precies werkt). “We kijken naar de activiteit in de hersenen op het moment dat ze bepaalde keuzes maken. Die keuzes bootsen we op een zo realistisch mogelijke manier na met computerspelletjes die lijken op het echte leven, maar een versimpeling zijn van de werkelijkheid. We proberen het hersenpatronen te relateren aan wat de kinderen hebben meegemaakt in hun tijd op de basisschool.”

Balspel
Het eerste spel dat gebruikt wordt in de MRI scanner is een
balspel, ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog Kipling Williams. Deze man zat eens in een park terwijl vlakbij hem twee mensen met een frisbee speelden. De frisbee kwam zijn kant op en hij gooide hem terug en kreeg hem weer toegespeeld. Zo werd hij in het spel betrokken. Na een tijdje gooiden de twee spelers de frisbee weer alleen naar elkaar. Hij wist niet goed wat hij moest doen: weer gaan zitten, of..? Hij voelde zich rot en buitengesloten. “Hier kan ik wat mee in het lab!”, dacht hij. Hij besloot het te testen met acteurs. Hij filmde de reacties van mensen op het balspel en die waren eigenlijk precies zoals verwacht in een echte situatie. Later heeft hij er een computerspel van gemaakt. Mensen ervaren dezelfde gevoelens als wanneer ze in het echt buitengesloten zouden worden. Deze gevoelens kunnen gerelateerd worden aan activiteit in de hersenen, gemeten met MRI.

https://www.youtube.com/watch?v=A3UTXsJzAj4

Eerlijk delen en vergeving
“Het balspel hebben we eerst getest op volwassenen om een basis te leggen waarop wij onze hypotheses konden baseren”, zegt Geert-Jan. “Daarna hebben we het gekoppeld aan een geldspel. Kunnen en willen mensen eerlijk geld delen met de mensen die hen hebben buitengesloten? De deelnemers aan het onderzoek kregen de keuze om hun beloning voor het onderzoek te delen met andere deelnemers. Het maakte dus wel degelijk uit welke keuzes ze maakten. Kunnen ze iemand die hen net heeft buitengesloten bij het balspel nog geld gunnen? Dit gedrag heeft te maken met vergeving. Dat is het afzien van wraak en aandacht voor het welzijn van de ander. In de hersenen hebben we gezien dit samenhangt met activiteit in hersengebieden die te maken hebben met het controleren van je handelingen en je kunnen verplaatsen in een ander. Het bleek dat mensen die zich goed kunnen inleven ook goed kunnen vergeven. Nu testen we hoe dit werkt in kinderen en hoe dit samenhangt met hun status in de klas.”

Evolutionair gezien is het van groot belang om banden aan te gaan met anderen. Het is bekend dat mensen problemen kunnen ontwikkelen als dat niet lukt. Denk aan psychische problemen, maar het kan ook gevolgen hebben voor je fysieke gezondheid. De onderzoeksgroep van Geert-Jan wil weten hoe dat komt en wat hieraan op de lange termijn gedaan kan worden. “Onze resultaten kunnen implicaties hebben voor de ontwikkeling van programma’s om de acceptatie van een kind in een klas te vergroten. In de MRI-scanner kunnen we zien welke delen van de hersenen meer actief zijn bij kinderen die het moeilijk vinden om sociale banden aan te gaan. De hersenscans kunnen misschien helpen bij het ontwerpen van programma’s om deze kinderen te helpen bij het omgaan met sociale situaties.”

Programma’s tegen pesten
Volgens Geert-Jan kan een wetenschappelijke kijk op sociale omgang bij kinderen en adolescenten ons veel leren over problemen in de klas zoals pesten. “Vroegere interventies om pesten te voorkomen bleken niet altijd het gewenste effect te hebben. Er werd vooral gekeken naar individuen: de pester en het slachtoffer. Programma’s waren erop gericht om bijvoorbeeld het slachtoffer meer weerbaar te maken of de pesters de negatieve gevolgen van hun daden in te laten zien. Tegenwoordig wordt er veel meer gekeken naar pesten als een groepsproces. De omgeving is tijdens het pesten namelijk cruciaal. Moedigt de omgeving de pester aan? Of kijken klasgenoten alleen maar toe? Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat wanneer klasgenoten opkomen voor een slachtoffer dit vaak kan leiden tot een vermindering in pesten in een klas”, vertelt Geert-Jan. “Dit soort pestinterventies kunnen nu ook worden aangevuld met kennis uit onze experimenten. Wanneer is een kind bereid om een slachtoffer te helpen? Ons werk laat zien dat kinderen, adolescenten en volwassenen die zich meer inleven in een slachtoffer, meer bereid zijn om hem of haar te helpen, zelfs als het ze iets kost. Dit soort informatie kan helpen een klas bewust maken van hun invloed op het pestgedrag en kinderen leren om zich te verplaatsen in de ander.”

Geert-Jan geeft lezingen op scholen over zijn onderzoek. “Ik vind het heel belangrijk om uit te leggen waar we mee bezig zijn en wat voor zin het heeft. Bovendien leer ik ervan, door de vragen die mensen stellen. Na dit promotietraject wil ik verder onderzoek doen in een inspirerende omgeving in het buitenland. Ooit zou ik in Nederland een eigen onderzoekslijn willen starten over morele ontwikkeling, met als doel de compassie van mensen te vergroten.”