Academievorming : hoe zit het precies?

In gesprek met het College van Bestuur

De HAN gaat van faculteiten en instituten naar academies. Een gesprek met Kees Boele en Yvonne de Haan van het College van Bestuur over ‘de academievorming’: wat, waarom en vooral, hoe?

Er gebeurt een hoop op de HAN: we gaan over naar academies, onze huisstijl verandert en er is iets met een driehoek aan de hand. De één voelt zich beter geïnformeerd dan de ander en zoals altijd bij veranderingen zijn er voor- en tegenstanders. Wat gaat er nu precies gebeuren? Wat voor gevolgen heeft dit voor studenten en medewerkers? Tijd om bij de bron aan te kloppen en vragen te stellen.

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: waarom gaat alles ‘op de schop’ bij de HAN?
Kees (K): ‘Als je kijkt naar hoe onderwijs en onderzoek zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld, is het logisch dat we ons hierop aanpassen en overgaan naar een andere organisatiestructuur. Het hbo heeft de taak om studenten op te leiden voor een vak, waarna ze terechtkomen op de arbeidsmarkt. Nu is deze arbeidsmarkt constant in ontwikkeling. De vraag is veranderd: er is behoefte aan vakmensen die multidisciplinair kunnen werken en ontwikkelingen in hun vakgebied kunnen volgen en integreren. Denk aan de elektrische auto: een perfect voorbeeld van hoe elektrotechnici en autotechnici samenwerken en volgens de laatste innovaties werken. Automotive en Engineering komen dan ook samen in een academie. Er zijn steeds meer kruisbestuivingen in de praktijk. Het onderwijs moet daarop ingericht zijn, samen met het onderzoek.’
Yvonne (Y): ‘Toegepast onderzoek is belangrijk voor het onderwijs. Door te leren onderzoeken en dit te integreren in je werk ben je in staat om het werkveld te doorgronden en er aan bij te dragen. Vandaar dat we de driehoek onderwijs, onderzoek en werkveld als uitgangspunt nemen. Nu vindt er op de HAN al jaren veel plaats op het gebied van onderzoeken en verbinden met het werkveld. Met de academievorm gaan we het werken in de driehoek beter faciliteren: meer logica, meer samenhang, toegepast onderzoek meer verbonden aan het onderwijs, betere herkenbaarheid en aansluiting op het werkveld.’
 
Wat gaat de academievorm de student opleveren? 
K: ‘De leeromgeving wordt geoptimaliseerd en daarmee wordt de voorbereiding op de praktijk doeltreffender. Waar nu veel opleidingen en opleidingsvormen (voltijd, deeltijd, masters) een eigen nest vormen, een koker, wordt dat meer ‘ontschot’. Veel vakgebieden hebben overlapping, zoals business en communicatie, bedrijfskunde en human resources, pedagogiek en maatschappelijk werk. Door deze beter bij elkaar te brengen, worden studenten breder en slimmer opgeleid. De maatschappij, en daarmee de arbeidsmarkt, is complex. Dat vraagt om een multidisciplinaire benadering.’

Wat gaat de academievorm de docenten en het werkveld opleveren? 
Y: ‘Voor docenten worden verwantschappen tussen opleidingen, lectoraten en bedrijven beter zichtbaar en beter toegankelijk in de academie. Het (samen)werken in de driehoek krijgt meer focus. Dat kan helpen bij het begeleiden van studenten en het aangaan van samenwerkingen. Een voorbeeld: de bachelor en master van Social Work zijn nu apart van elkaar ondergebracht. De master zit bij HAN Master Programma’s (HMP), de bachelor in het voltijd onderwijs. Als je deze bij elkaar onderbrengt, is dit effectiever voor het uitwisselen van kennis, de doorstroming van bachelor naar master, het verbeteren van het netwerk, ga zo maar door.’
K: ‘Wat ook gaat helpen is dat we naar buiten eenvoudiger en meer toegankelijk georganiseerd zijn. Eerlijk gezegd zijn we nu een onoverzichtelijk geheel: elke faculteit en elk instituut heeft een eigen smoel en opereert nog iets te veel als een eilandje. Daardoor is het voor de buitenwereld, waaronder het werkveld, niet altijd duidelijk waar men moet aankloppen. Dat we nu bezig zijn met de integrale positionering hangt daar ook mee samen: een duidelijk merk, een herkenbaar logo, een passende slogan.’
 
Sommige medewerkers zijn bang dat de academievorming ingrijpende gevolgen heeft. Bijvoorbeeld voor hun afdeling, functie en werkzaamheden. Snappen jullie deze zorgen?
K:
‘Het is begrijpelijk dat er gevoelens van onzekerheid zijn. Dat brengt verandering teweeg. Al werd er in de afgelopen jaren natuurlijk al steeds meer aan kruisbestuiving gedaan op de HAN: we zetten die koers in feite door. We zien de overstap naar academievorm dan ook als ‘organisatieontwikkeling’, hoewel het in formele zin een reorganisatie is. Het is niet alsof we de lei schoonvegen en er iets totaal anders voor in de plaats brengen. Ik hecht er tevens aan om hierbij duidelijk te maken dat er géén sprake is van sanering: de beslissing over te gaan naar de academievorm en de daarop gerichte ondersteuning is uitsluitend inhoudelijk gedreven.’
Y: ‘Dat neemt niet weg dat er zaken zullen veranderen en dat vraagt soms om aanpassing: wennen aan het nauwer samenwerken met een andere opleiding, je netwerk anders organiseren of opbouwen, je functie anders vervullen en meer werken in teamverband binnen je opleiding, ga zo maar door. Voor veel functies, zoals die van docenten, blijft de context hetzelfde. Maar een deel van de ondersteunde staf zal anders georganiseerd worden. Waar komen Studentzaken, Marketing, Communicatie & Voorlichting en ICT bijvoorbeeld in de nieuwe structuur? Die zijn HAN-breed, maar elke academie heeft ook behoefte aan een specifieke invulling of facilitering ervan. Er wordt momenteel hard gewerkt aan een blauwdruk, een prototype, voor de academies en hoe we ondersteunende functies beleggen.’

Hoe zorgen jullie ervoor dat HAN’ers betrokken raken en blijven bij de academievorming?
Y: ‘We zijn zo transparant mogelijk en proberen tussentijds updates te geven over waar we precies staan in het traject. Dat doen we via nieuwsbrieven, via de leidinggevenden en nu via SAM. De Medezeggenschapsraad is eveneens heel actief betrokken in het ontwerpproces. Je kunt bij zo’n grootscheepse operatie niet iedereen tevreden stellen, dat is onmogelijk. Het lastige is dat wij uiteraard niet kunnen beloven of garanderen dat het op alle fronten perfect voor iedereen uitpakt.’

Op Hogeschool Windesheim, Fontys en Saxion bestaan al langer academies, met wisselende succesverhalen. Hebben jullie hen gesproken?
Y: ‘Er is in de eerste fase geïnformeerd hoe het bij hen is verlopen, puur om een beeld te krijgen. Dat is informatief en leerzaam. Toch moet je je daar niet blind op staren. Wij vertalen ons eigen instellingsplan door naar onze eigen academievorm en de manier waarop we de ondersteuning willen inrichten. Dat is een uniek proces.’

Wat is het tijdpad?
K:
‘De eerste fase is achter de rug, waarbij de opleidingen zijn ingedeeld in 14 academies. Nu zitten we in fase twee: het structuurontwerp. Zoals gezegd moeten we nu kijken naar hoe een academie er precies uitziet. We ontwikkelen als het ware een blauwdruk. Verder kijken we dus naar de ondersteuning: van roostering, conciërges en studentzaken tot marketing en ICT. Hoe breng je die onder? Dat is nu de puzzel. Komend voorjaar volgt een voorgenomen besluit. Daarop volgt het definitieve besluit en kan worden overgegaan naar uitvoering. We zitten nu middenin het ontwerp, dus het is belangrijk zorgvuldig te zijn, de focus te behouden en knopen door te hakken. En beseffen waar we het voor doen: de doorstroming van onderwijs naar werkveld optimaliseren.’