Waarom De Lijn en fietsers bondgenoten zijn

‘Ach, trams en fietsers, ze zullen eeuwig vijanden blijven.’ Het is een veelgehoorde uitspraak in Gent, en vermoedelijk ook in andere steden. Fietsers rijden steevast in de weg van trams en bussen, vertragen ze en halen de opgelegde rijtijden van het openbaar vervoer compleet onderuit. De tramsporen vormen op hun beurt een soort hindernissenparcours door de stad, en veroorzaken veel fietsongevallen. En de bussen, die stinken. En vervuilen zo de gezonde lucht van wie wil fietsen. Bah.

Sinds de modernisering van ons openbaar vervoer een twintigtal jaar geleden is ingezet, zijn het stuk voor stuk veelgehoorde klachten. Van beide partijen. Tram- en busgebruikers haten fietsers en vice-versa. En bijgevolg hebben ook de beleidsmakers dit tendentieuze gedrag overgenomen en verder gestimuleerd door de jaren heen. Zodat we nu in een soort spiraal van onbegrip terecht gekomen zijn, terwijl fiets en tram of bus eigenlijk bondgenoten zouden moeten zijn.

Ik begrijp De Lijn echter wel: toen ik kind was, reden bussen en trams nog rond onder de naam ‘NMVB’, ‘MIVA’ of ‘MIVG’. Tot er begin jaren ’90 een modernisering werd ingezet, en De Lijn werd opgericht. Doel: het openbaar vervoer via bus en tram beter organiseren en het gebruik ervan stimuleren. Steve Stevaert deed er nog een schepje bovenop en probeerde het openbaar vervoer te promoten via een uitgekiend ‘gratis’-beleid. Love it or hate it, maar de kentering was ingezet: De Lijn werd incontournable en had een duidelijk mandaat van de Vlaamse Overheid om manu-militari het stads- en streekvervoer tot een succesverhaal te maken. En dat lukte: de reizigersaantallen gingen omhoog, en de budgetten volgden navenant. Tot de crisis begon in 2007. De besparingswoede sloeg overal toe, ook bij De Lijn. Er moest voortaan meer met minder. Meer reizigers vervoeren, een grotere stiptheid, betere verbindingen, maar wel met minder mindelen. Toegegeven, er was mogelijk wel wat ruimte voor optimalisatie, zoals dat in manager-speak heet. Maar de teneur was gezet: De Lijn werd prioriteit nummer 1 op onze wegen, en alle hinderlijke factoren, zoals fietsers, moesten daardoor zoveel mogelijk geneutraliseerd worden.

En dat gebeurde net in een periode dat fietsen traag maar zeker terug populair werd, na vele jaren verguisd te zijn door koning auto. De kentering zette zich iets trager in dan die bij het openbaar vervoer, maar de laatste 5 à 8 jaar wordt in de steden een pak meer gefietst. Terwijl fietsen rond de eeuwwisseling iets was voor in het weekend, gebruiken nu meer en meer mensen de fiets voor allerlei verplaatsingen van en naar scholen, winkels en het werk. Zelfs de verplaatsing naar de kapper wordt tegenwoordig al per fiets gedaan — dàt was pas ondenkbaar in de noughties, want de verse permanent zou wel eens uit de plooi kunnen geraken. Samen met de fietsers kwamen er ook meer fietspaden en -faciliteiten. Er werden stallingen gebouwd, herstelpunten voorzien, en er kwamen fietstaxi’s en -koeriers. Jammer genoeg kwamen er echter ook meer en meer fietsconflicten. Met het openbaar vervoer, dat ook aan een opmars bezig was.

En dat is zonde. Beide vervoersmiddelen hebben au-fond namelijk hetzelfde doel: mensen zo snel mogelijk verplaatsen van punt A naar punt B, op een efficiënte en duurzame manier. Vreemd genoeg leidt die gemeenschappellijke doelstelling enkel tot conflict en zelden tot samenwerking.

Het kan nochtans anders. Fietsen (en uiteraard ook wandelen) kunnen we eigenlijk beschouwen als dé ideale manier om ons te verplaatsen, voor al wie fit en gezond is. Door de komst van de elektrische fiets vormen afstanden tot 20km en meer voor veel mensen geen probleem meer. En de beschikbaarheid van fantastische regenkledij biedt ons nu ook bescherming tegen het wisselvallige weer. Fietsen is en blijft zeer goedkoop, is ecologisch, gezond en geestesverruimend — it cleans up your mind. Het zou dus dé aangewezen manier moeten zijn om ons te verplaatsen, samen met wandelen voor de korte afstanden.

Voor wie fietsen of wandelen moeilijk of zelfs onmogelijk is, vormen bussen en trams de perfecte aanvulling. Het zijn grote vervoersmiddelen die heel wat mensen kunnen helpen in hun moeilijke verplaatsingen. Ook voor langere afstanden komen ze in aanmerking. Bus en tram kosten echter heel wat geld en zijn een pak minder milieuvriendelijk. En dus beperken we het gebruik ervan beter tot wie niet anders kan. Vreemd toch dat dit niet het standaard uitgangspunt is bij onze beleidsmakers. Nee, men heeft liever dat je je fiets aan de kant zet, en mee de lege plaatsen op de bus komt vullen.

Er zijn echter nog andere mogelijkheden tot samenwerking te bedenken. Waarom staan er niet aan elke tram- of bushalte deelfietsen? In een stad als Antwerpen is er een heel mooi deelfietsennetwerk aan het groeien, maar in Gent blijft het huilen met de pet op. Wie van de tram stapt, kan uren op zoek gaan naar een deelfiets om de rest van de verplaatsing mee te doen. Er zijn amper deel- of huurfietsen te vinden, wat maakt dat enkel kenners of die-hards er eentje op de kop kunnen tikken bij Max Mobiel of in een Blue Bike rek. Werk aan de winkel dus, als we echt meer mensen op de fiets willen krijgen. Of moeten we misschien een crowdfunding actie opstarten? Wie de waarde van 1 deelfiets investeert, rijdt levenslang gratis. Zou dit geen oplossing zijn, Filip Watteeuw?

Een andere win-win situatie is het beveiligen van de geulen in de tramsporen voor fietsers. Nu ziet De Lijn dit als een zinloze onkost, en stelt ze een oplossing al jaren uit. Dagelijks gaan fietsers tegen de grond en breken ze daarbij tanden, armen of andere lichaamsdelen. Nobody cares. ‘Ze moeten maar voorzichtig zijn, mijnheer.’ Terwijl de sporen spekglad zijn bij nat weer en sommige tramknooppunten haast niet te kruisen zijn. Mocht De Lijn toch investeren in een oplossing, dan zou al snel blijken dat ze er eigenlijk alleen maar baat bij hebben. Als de geulen beveiligd worden door een soort indrukbare rubber, zullen fietsers sneller en vlotter kunnen rijden, en zullen ze het achterop komend openbaar vervoer veel minder vertragen. Strikt genomen is het zelfs een triple-win situatie: fietsers rijden vlotter en veiliger en hebben minder ongevallen, ze genereren minder kosten voor de ziekteverzekering, en tenslotte haalt de tram snellere reistijden. Iedereen tevreden.

Het is echt jammer dat er zo bekrompen over onze mobiliteit nagedacht wordt. De geesten zijn verstard tot een soort auto-openbaar vervoer-fietsers-wandelaars prioriteit. Je zou het een POTS-beleid kunnen noemen. POTS, zoals in het begin van potsierlijk. Een potsierlijk beleid rond mobiliteit.

One clap, two clap, three clap, forty?

By clapping more or less, you can signal to us which stories really stand out.